Wordt nep de nieuwe werkelijkheid voor Generatie Z?

Generatie Z zijn de leiders van de toekomst. Ze groeien op in een wereld waar echt en onecht steeds moeilijker zijn te onderscheiden. In deze wereld moeten we hen meer begeleiden en coachen op het gebied van ethiek in de digitale wereld. Zodat zij zelf de juiste keuzes kunnen maken voor hun generatie. In dit […]

Een overheidscampagne tegen nepnieuws draagt niet bij aan de bescherming van onze democratie

1 miljoen euro is door Minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren geïnvesteerd in een, volgens factcheckers Alexander Pleijter en Peter Burger, volslagen nutteloze overheidscampagne tegen nepnieuws. Immers, burgers hebben niet de kennis en middelen in pacht om zelf te onderzoeken wat echt of nep is. Laat experts toch het heft in handen nemen, is de strekking van dit treffende betoog.

De nepnieuwssaga van minister Ollongren begon op 13 november 2017. Op die dag stuurde ze de Tweede Kamer een brief over de beïnvloeding van de publieke opinie door statelijke actoren. Lees: door Rusland. ‘Nepnieuwslawine’ kopte De Telegraaf in grote letters de volgende dag op de voorpagina. Met een foto van een bedenkelijk kijkende minister Ollongren. Andere media volgden, met als boodschap: Russisch nepnieuws bedreigt de Nederlandse publieke opinie. “Met nepnieuws proberen de Russen de democratie te ontregelen”, waarschuwde de NOS die avond in het achtuurjournaal.

Dat is nogal wat. Hoog tijd dus voor ferme maatregelen. Met één van die maatregelen kwam minister Ollongren deze maand. In de vorm van een publiekscampagne. Een ‘bewustwordingscampagne’, zoals Ollongrens Ministerie van Binnenlandse Zaken het noemt. Met als boodschap: “iedereen in Nederland moet kritisch en nieuwsgierig blijven naar waar het nieuws vandaan komt.” In het campagnefilmpje worden mensen aangemoedigd om ‘écht?’ uit te roepen als ze een nieuwsbericht lezen.

Dieper graven

De kosten bedragen 1 miljoen euro. 1 miljoen euro voor symboolpolitiek. 1 miljoen euro om de wereld te laten zien dat de minister iets doet tegen nepnieuws. Zonder dat dit enig nut heeft. Want ga maar na. Is er reden om aan te nemen dat Nederlanders zonder deze campagne niet langer kritisch en nieuwsgierig zouden blijven? Nota bene in een tijd waarin het voortdurend over ‘nepnieuws’ gaat. En gaat ‘écht?’ roepen tegen je telefoonscherm écht helpen tegen die vermeende dreiging van Russisch nepnieuws?

Nee, natuurlijk niet. Mensen vragen zich vaak zat af of het nieuws klopt dat ze langs zien komen. Dat gaan ze heus niet vaker of beter doen door deze ‘bewustwordingscampagne’. Het punt is dat mensen geen tijd hebben of nemen om al het nieuws te checken waarvan ze zich afvragen of het écht waar is. En vaak missen ze ook de benodigde kennis en vaardigheden. Weliswaar heeft het ministerie enkele richtlijnen gepubliceerd op de campagnewebsite, die mensen kunnen helpen om vraagtekens te plaatsen bij het waarheidsgehalte van berichten, maar daarmee kan je niet met zekerheid vaststellen of iets wel of niet klopt.

Daarvoor moet je vaak heel wat dieper graven. In wetenschappelijke publicaties bijvoorbeeld. Waarvoor je kennis van onderzoeksmethodologie nodig hebt. Of door speciale tools te gebruiken, bijvoorbeeld om manipulatie van video’s en foto’s te detecteren. Tja, hoeveel mensen gaan dat doen als ze weer eens ‘echt?’ roepen na het zien van een Facebookbericht, terwijl ze in bad zitten of in het park aan het hardlopen zijn (zoals in het campagnefilmpje van het ministerie)?

Experts

Het is veel realistischer dat mensen hun vraag ergens neer kunnen leggen als ze twijfelen of bepaald nieuws klopt. Bij experts die kunnen verifiëren of er gesjoemeld is met een foto of video. Bij deskundigen die weten hoe ze een wetenschappelijk onderzoek moeten lezen en interpreteren. Die verstand van statistiek hebben.

Het is veel nuttiger dat er factcheckers zijn die voortdurend sociale media monitoren om te zien of bepaalde berichten opeens viraal gaan, en die checken of het niet om nepnieuws gaat. Zodat nepnieuws snel weerlegd en weersproken kan worden. Want wat doen mensen écht als ze twijfelen of nieuws klopt? Dan gaan ze googelen. En dan is het mooi als er een factcheck duidelijk herkenbaar in de zoekresultaten verschijnt, die ze vertelt of het wel of niet klopt. Dan zijn mensen écht geholpen met hun achterdocht over mogelijk nepnieuws.

Nutteloze campagne

Om een lang verhaal kort te maken: die 1 miljoen euro had heel wat zinvoller besteed kunnen worden als we de democratie werkelijk willen beschermen. Ja, dit is preken voor eigen parochie, want Nieuwscheckers – het factcheckproject dat wij runnen aan de Universiteit Leiden – heeft de middelen niet om dagelijks het nieuws op sociale media te volgen en checken. Dan is het zuur om te zien dat zo’n bak geld wordt verspijkerd aan een nutteloze campagne. Hoeveel nepnieuws hadden we voor dat geld wel niet kunnen factchecken?

Tijdens de campagne voor de Europese verkiezingen van 25 mei, wil Nieuwscheckers beweringen van politici factchecken. Wilt u dit mogelijk maken? Ga naar SteunLeiden.nl om te doneren.

Alexander Pleijter, Peter Burger

Het artikel Een overheidscampagne tegen nepnieuws draagt niet bij aan de bescherming van onze democratie verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Wie nieuws gaat factchecken ontdekt al snel deze vier mediawetmatigheden

Wie van worst en van nieuws houdt, moet niet gaan kijken hoe ze gemaakt worden, zegt men wel. Toch is dat laatste juist wat ‘factcheckers’ graag doen. Wetenschapsjournalist Arno van ’t Hoog begeleidde masterstudenten aan de Universiteit Leiden tijdens een half jaar factchecken voor de site Nieuwscheckers.nl.

Om ongenuanceerd te beginnen: veruit het meest egostrelend is het ontmaskeren van nepnieuws direct nadat het viraal gaat in de Nederlandse media. Zoals het bericht dat een Thaise restauranteigenaar vlees had opgediend van een klagende klant die hij had vermoord. Dat bleek onzin, na intensief googelen met Thaise zoektermen in lokale kranten. De politie had weliswaar een lijk gevonden in de keuken, maar het restaurant was wegens werkzaamheden gesloten.

Een Chinese nieuwssite had een anekdotische draai aan dit politiebericht gegeven, die de Britse tabloid Daily Mail op karakteristieke wijze perfectioneerde (‘Horrified diners served HUMAN FLESH’). De Telegraaf, het Algemeen Dagblad en Nu.nl namen het over — maar corrigeerden nog dezelfde dag hun berichtgeving nadat Nieuwscheckers het predicaat ‘hoax’ erop plakte.

Deze factcheck levert inzicht in de eerste mediawetmatigheid: verzonnen berichten en grove fouten verspreiden zich razendsnel doordat ze zonder checks worden overgenomen.

Fortnite-scheiding

Buitenlandse media zijn vaker nieuwsbron van opmerkelijke berichten, en de oorspronkelijke aanleiding of bron wordt daarbij zelden bekeken. Neem het in Nederland breed verspreide nieuws dat het computerspel Fortnite in Engeland vijf procent van de echtscheidingen veroorzaakt: dat zou blijken uit een onderzoek van een commercieel bureau dat helpt met het invullen van echtscheidingspapieren.

Een geraadpleegde Britse echtscheidingsonderzoeker schoot die bewering zonder moeite aan flarden op basis van eigen ervaringen en een analyse van de cijfers. Het kón gewoon niet kloppen. Conclusie: dit bericht was een marketingstunt op basis van verzonnen onderzoek. Sterker, hetzelfde echtscheidingsbureau haalde in 2011 met vrijwel gelijkluidende onderzoeksgegevens ook de media, maar dan met de invloed van Facebook in plaats van Fortnite.

Lik op stuk

De Fortnite-check, van student Thomas Jak, was een stevige ontmaskering van een internationaal zeer geslaagd nepbericht. Toch kreeg deze check geen aandacht. Publicatie kwam simpelweg twee weken te laat.

Het illustreert de tweede mediawetmatigheid: een factcheck moet binnen een etmaal en liefst sneller klaar zijn, wil hij, zoals de hoax rond Thais mensenvlees, leiden tot correcties. Je moet, zoals dat heet, aanhaken in dezelfde nieuwscyclus.

Zulke onderzoekjes en enquêtes hebben een zeer hoge nieuwswaarde, en de inhoudelijke kwaliteit doet er echt niets toe. Dat kun je de derde mediawetmatigheid noemen. Media pikken bijna elk onderzoek gretig op, en dat levert eenvoudige free publicity voor bedrijven, onderzoeksbureaus of organisaties. Zo liet een enquête in opdracht van toetsenbordenfabrikant Logitech zien dat mannen vrijer zijn dan vrouwen in het bepalen van hun werktijden en werkplek. Op die conclusie blijkt erg veel af te dingen, als je de gegevens opvraagt en andere studies erbij haalt.

Versimpeld

Zelfs als een bericht het predicaat ‘waar’ krijgt, valt er altijd meer te vertellen. Neem het onderzoek dat aantoont dat van alle hbo-studies theater- en dansopleidingen de beste baankansen bieden. Dat is inderdaad zo volgens de onderzoekdefinitie (die media meestal achterwege laten): de ondergrens voor een ‘baan’ is namelijk een parttime tijdelijk contract van minimaal twaalf uur per week met schraal salaris.

Dat is de vierde mediawetmatigheid: journalistiek draait om versimpeling van complexe zaken. Er is, als je goed kijkt, op elk nieuwsbericht wel wat af te dingen, vooral op de kop die erboven staat. Die is vaak kort door de bocht, stellig, soms idioot simplistisch of regelrecht in tegenspraak met de inhoud van het bericht. Er valt kortom altijd wel wat te nuanceren.

Factchecken is dus meer dan oordelen: de vorm leent zich bij uitstek om extra context en achtergronden te belichten. Zo brachten meerdere kranten bij aanvang van het collegejaar het nieuws dat 85 procent van de studenten in de categorie risicodrinker valt. Dat klopt als je naar de data kijkt, maar doordat in de gebruikte standaardvragenlijst typisch studentengedrag zoals borrelen erg zwaar scoort, levert het een enorm vertekend beeld. De signalering is kortom waar, maar het zegt helemaal niks.

Gezondheidsnieuws

Die vier mediawetmatigheden komen vrijwel allemaal terug in gezondheidsnieuws. Zulke berichten moeten de burger iets leren over bijvoorbeeld gezond eten, meer bewegen, of juist over het onheil als dat achterwege wordt gelaten. De journalist is de laatste jaren in de rol van adviseur en gids gegroeid: direct bruikbaar gezondheidsnieuws zie je overal terug, zowel in het bedaarde NRC Handelsblad als op opgepompte fitnesssites. Vooral de onlinetakken van dames- en meidenbladen — Flaironline.nl, Cosmopolitan.com/nl — houden een reputatie hoog met rammelende lifestyle berichten. De wildste nieuwtjes komen vaak via buitenlandse media, zoals het advies om af te vallen door hüttenkäse te eten voor het slapengaan. Dat werkt echt niet zo, en het wetenschappelijk onderzoek dat de aanleiding vormt, laat dat met placebo’s zien.

In andere gevallen wordt onderzoek te gretig geïnterpreteerd, zoals de correlatie tussen populatiegegevens over depressie en dieetgewoonten in Italië. De verleiding blijkt voor veel media te groot om daar geen simpel dieetadvies bij te serveren. Om maar te zwijgen over gamen als middel tegen depressieve klachten, of sporten op een nuchtere maag om gewicht te verliezen. Houd de wetenschap erachter tegen het licht en je ziet grove onwaarheden of in het beste geval een eindeloze polonaise van als-danredenaties.

Recensie

Ik houd studenten voor dat een factcheck eigenlijk een soort recensie is: het gaat net als bij een boekbespreking niet om de vijf ballen of sterren onderaan. Het draait om de overtuigingskracht van de bewijzen en redenaties die erboven staan, het eindoordeel is ondergeschikt. De lezer moet een factcheck integraal kunnen volgen en desnoods stap voor stap nadoen, dus alle beweringen moet je staven met argumenten en links naar gebruikte bronnen. Zo’n factcheck of recensie heeft een eenvoudig puntenlijstje om na te lopen.

  1. Ten eerste kijk je of de beweringen uit het mediabericht overeenkomen met de bron of het onderzoek, en of de kop de inhoud van het bericht dekt. Dat is vaak al makkelijk scoren.
  2. Ten tweede verdienen heel opmerkelijke bevindingen extra aandacht. Dus als iemand beweert dat niet bewegen even gevaarlijk is als roken, kijk dan breder. Kun je die vergelijking wel maken? Hoe verhoudt zich dat tot wat er eerder over hetzelfde onderwerp is gepubliceerd? Breder kijken doe je door de databank met medische literatuur, Pubmed, te raadplegen of een paar onderzoekers te bellen.
  3. Besteed tot slot aandacht aan de vraag hoeveel zeggingskracht een onderzoek heeft. Is het epidemiologie of een interventie? Een representatieve enquête of ongecontroleerde steekproef? Geblindeerd onderzoek met proefpersonen of een dierexperiment? Let ook op wat er wordt gemeten: verminderde eetlust betekent niet automatisch gewichtsverlies. Vaak vergeten journalisten de methodologie als ze onderzoek vertalen in een leefstijladvies.

Aardser beeld

Mijn hoop is dat er bij masterstudenten journalistiek — die lang niet allemaal uit de bèta-hoek komen — een aardser beeld van wetenschap blijft plakken. Het gaat vooral om het besef dat onderzoeken onderling enorm verschillen in bewijs- en overtuigingskracht. Een nieuwe publicatie is dus niet per se beter of betrouwbaarder dan al het eerdere onderzoek dat over het onderwerp is verschenen. Die ene superverrassende publicatie veegt niet de bestaande kennis van tafel.

Het goede nieuws: ik heb gemerkt dat met een eenvoudige instructie en wat begeleiding iedereen heel snel kan leren factchecken. Je hoeft echt geen verstand te hebben van farmacologie om rapporten te lezen en betrokken partijen door te zagen over een bericht dat geneesmiddelentekorten leiden tot meer bijwerkingen. Ik hoop dat zulke studenten later de ruimte krijgen op een redactie, zodat dergelijk voorgebakken lobbynieuws niet meer kritiekloos in de krant komt.

Homogen

Rest nog de vraag in hoeverre mijn ervaring met factchecken iets vertelt over de staat van de journalistiek. Ik moet eerlijk zeggen dat mijn beeld niet is veranderd. Zelf had ik in 1994 al een verlichtende ervaring. In het laatste jaar van mijn biologiestudie heb ik de integrale Nederlandse verslaggeving over de vondst van het zogenaamde ‘homogen’ tegen het licht gehouden. ‘De berichtgeving in de Nederlandse pers is niet in overeenstemming met de gepubliceerde onderzoeksresultaten,’ staat er droogjes in die scriptie. Het is dat factchecken toen nog moest worden uitgevonden, anders had ik heel vaak ‘onwaar’ geschreven.

Bewustwording van tekortkomingen is een onbedoeld neveneffect als je een tijdje meewerkt aan de snijtafel voor de journalistiek. Het ontleden van andermans journalistieke arbeid werkt op z’n best als een eyeopener. Zodra je de bronnen achter het nieuws opzoekt, of belt met onderzoekers, krijg je automatisch een completer beeld. Je ziet de hoogstpersoonlijke interpretatie van de journalist, woordelijke sporen van het persbericht, of de belangen van de geïnterviewde die een punt wil maken. Als die intieme kennismaking met de journalistiek je niet bevalt, is het de vraag of je het juiste vak hebt gekozen.

Onder studenten journalistiek merk ik geen spoor van desillusie of cynisme bij de gezamenlijke ervaring van zoveel grote en kleine onvolkomenheden in hun vak. Een van de studenten vertelde na afloop van de werkgroep factchecken wel dat ze met een andere blik naar de media was gaan kijken. Met iets meer distantie en skepsis. ‘Je kunt overal aan twijfelen,’ waren haar woorden. Dat lijkt me voor een journalist geen verkeerde houding.

De bovengenoemde factchecks zijn te lezen op Nieuwscheckers.nl, het factcheckproject onder leiding van Peter Burger en Alexander Pleijter. Dit artikel verscheen eerder in Skepter.

Arno van ’t Hoog

Het artikel Wie nieuws gaat factchecken ontdekt al snel deze vier mediawetmatigheden verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Fake news? 5 PR-lessen uit de media-industrie

In de 21ste eeuw is fake news geen uitzondering meer. Online media hebben een eigen dynamiek. Je mag zelf bedenken welk effect dat had op de laatste presidentsverkiezingen in Amerika. Als PR-adviseur hoop ik dat nieuwsmedia over twintig jaar nog steeds relevant en betrouwbaar zijn. Om daar aan bij te dragen, deel ik in dit artikel […]

Fact-checks helpen tegen desinformatie! Maar dan moeten ze wel gezien worden

Nepnieuws, desinformatie en misinformatie zijn volop aanwezig op internet. Gelukkig zijn er ook steeds meer fact-checkers die al die onjuiste informatie proberen te weerleggen. Maar heeft dat eigenlijk wel zin? Laten mensen zich overtuigen door fact-checks? Jazeker, zo blijkt uit recent onderzoek.

De toenemende verspreiding van (online) mis- en desinformatie is een potentiële bedreiging voor onze democratie. Als er veel onjuiste informatie circuleert, beschikken burgers niet over de juiste kennis om accurate politieke beslissingen te nemen. Hoe kunnen kiezers stemmen op de partij die hun belangen het beste vertegenwoordigd, als onduidelijk is of zij de waarheid vertellen? Hoe kunnen burgers de juiste partijen verantwoordelijk houden als politici elkaar onterecht de schuld geven van diverse maatschappelijke problemen?

De online mediaomgeving en desinformatie

Het probleem van desinformatie wordt versterkt doordat ons mediagebruik zich steeds meer verplaatst naar internet. Online kunnen burgers zelf een selectie maken in de schijnbaar onbeperkte stroom aan informatie van diverse bronnen. Burgers kiezen niet langer uit een selectie van geverifieerd nieuws dat volgens journalistieke standaarden wordt geproduceerd, maar zien steeds vaker nieuws van online vrienden, volstrekt onbekende bronnen, of nieuws dat hen via algoritmen tegemoet komt.

Belangrijk is hierbij dat mensen bij voorkeur informatie kiezen die hun opvattingen bevestigt.  Dit is ook een belangrijke reden waarom nepnieuws kan overleven: mensen zijn gemotiveerd om hun bestaande (politieke) overtuigingen te bevestigen, wat vaak zelfs zwaarder weegt dan over de meest accurate kennis te beschikken.

Tegelijkertijd zijn er tegenwoordig steeds meer fact-checkers actief, die proberen om onjuiste informatie te bestrijden. De grote vraag is: helpt dat?

Experiment

Om die vraag te onderzoek hebben we twee online experimenten in de Verenigde Staten uitgevoerd. Deelnemers aan het onderzoek werden allereerst aan desinformatie blootgesteld. In de eerste studie zagen zij nepnieuws over immigratie, en in de tweede studie ging het over de klimaatproblematiek.

Vervolgens kwamen participanten aan bij stap twee van het experiment: sommigen kregen de keuze om vrijwillig een fact-check te lezen (deze fact-check weerlegde de standpunten van het artikel dat ze net gelezen hadden), terwijl anderen werden gedwongen om een dergelijke fact-check te lezen (een voorbeeld van zo’n fact-check staat hieronder).

Tot slot moesten de deelnemers aan het onderzoek een aantal vragen beantwoorden over de inhoud van het artikel.

De belangrijkste vragen voor dit onderzoek waren:

  1. in hoeverre zijn mensen bereid om een fact-check te kiezen?
  2. in hoeverre kan een fact-check helpen om de negatieve consequenties van desinformatie tegen te gaan?

Wel of niet kiezen voor een fact-check

Allereerst blijkt dat de kans op het lezen van een fact-check groter is als het nieuwsbericht dat mensen gelezen hebben, niet strookt met hun eigen opvattingen.

Dat is vooral duidelijk als het gaat om nieuws over de komst van vluchtelingen naar de VS. Mensen kiezen vooral voor het lezen van een fact-check als ze nepnieuws over immigratie hebben gelezen waar ze het niet mee eens zijn. Mensen vermijden fact-checks als ze het eens zijn met het nepnieuws.

Dit kan negatieve politieke gevolgen hebben: mensen staan niet volledig open voor een aanval op hun bestaande overtuigingen door een fact-check die laat zien dat ze ongelijk hebben.

Bij nieuws over klimaatverandering zien we iets anders. Hier zijn het juist de hoger opgeleiden en de mensen met minder vertrouwen in de media die ervoor kiezen om een fact-check te lezen.

Dus, als het gaat om klimaatverandering is de motivatie om een fact-check te lezen: het hebben van feitelijk correcte opvattingen. Bij immigratienieuws  is het bevestigen van bestaande overtuigingen de belangrijkste motivatie.

Gedwongen fact-checks lezen

Maar als mensen ervoor kiezen of gedwongen worden om een fact-check te lezen, helpt dat tegen nepnieuws? Oftewel, kunnen fact-checks een halt toeroepen aan desinformatie?

Het antwoord is bevestigend.

Uit de resultaten van onze studie kunnen we opmaken dat fact-checks een belangrijk verschil kunnen maken. Als mensen een fact-check hebben gelezen die de desinformtie weerlegt, zijn mensen het ook minder eens met die desinformatie. Oftewel, als mensen geen fact-check hebben gelezen, zijn ze meer geneigd om de desinformatie te geloven. Politieke voorkeuren spelen hierbij geen rol.

Gepolariseerde groepen die totaal andere opvattingen hebben over klimaatverandering en immigratie, komen zelfs dichter bij elkaar na het lezen van fact-checks. Mensen die een fact-check lezen die aangeeft dat ze gelijk hebben, veranderen hun mening niet, en mensen die een fact-check lezen die hun ongelijk aantoont, passen hun meningen aan – waardoor het gat tussen mensen met tegengestelde opinies kleiner wordt.

Aanbeveling: maak fact-checks aantrekkelijk

Onze bevindingen hebben belangrijke implicaties voor de journalistiek. Allereerst tonen we aan dat fact-checks een belangrijk middel zijn om misvattingen veroorzaakt door desinformatie te corrigeren.

Daarnaast laten de bevindingen zien dat het, zeker voor gevoelige issues als immigratie, belangrijk is dat fact-checks die indruisen tegen de bestaande politieke opvattingen van mensen, toch gezien worden door die personen.

Het is dus cruciaal dat fact-checks in een format worden gegoten dat aantrekkelijk is voor mensen met verschillende meningen. Want op internet kunnen mensen immers heel makkelijk voorbij gaan aan fact-checks als ze geen zin hebben om gecorrigeerd te worden.

Het bedenken van aansprekende formats voor het presenteren van fact-checks is een belangrijke opdracht aan fact-checkers . Want fact-checks kunnen er voor zorgen dat verschillende groepen in de samenleving het tenminste eens worden over de feitelijke basis van kennis.

Michael Hameleers, Toni van der Meer (2019). Misinformation and Polarization in a High-Choice Media Environment: How Effective Are Political Fact-Checkers? Communication Research.

Michael Hameleers, Toni van der Meer

Het artikel Fact-checks helpen tegen desinformatie! Maar dan moeten ze wel gezien worden verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Deep fakes: hoe AI nepnieuws nóg gevaarlijker maakt

“De techniek is niet het probleem, het is de mens met zwak voor nieuwtjes”, schreef Trouw in maart 2018 over nepnieuws. Maar klopt dat nog wel? Uit het specifieke onderzoek dat de krant aanhaalde, bleek dat nepnieuws eerder geretweet werd door mensen dan door bots. In die context is dat dus misschien correct. Maar de […]

Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast

Deze week was in het nieuws dat het vooral ouderen zijn die nepnieuws op Facebook delen. De aanleiding was een wetenschappelijk onderzoek dat was verschenen. Maar hoe zeker weten we nu eigenlijk dat we voortaan ouderen de schuld kunnen geven van het verspreiden van nepnieuws?

Diverse media (onder meer NRC, NOS, Trouw, Bright) meldden deze week dat het vooral oudere Facebookgebruikers zijn die nepnieuws verspreiden. Ze baseren zich op een wetenschappelijk onderzoek van drie Amerikaanse politicologen, dat afgelopen week is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances.

De onderzoekers constateren inderdaad dat 65-plussers liefst zeven keer zo vaak nepnieuws delen dan dertigers. Wat dat betreft is er niks mis met de berichtgeving: de media melden wat de onderzoekers concluderen.

Politiek nepnieuws

Maar toch het is goed om een slag om de arm te houden. Allereerst ging het in dit onderzoek om een specifieke categorie nieuws, namelijk nieuws over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Politiek nieuws dus. Het zou best kunnen dat andere soorten nepnieuws juist door jongere mensen wordt verspreid.

Belangrijker nog is dat het aantal mensen dat nepnieuws deelt op Facebook behoorlijk klein is. Ruim 90% van de mensen doet dat niet, volgens dit onderzoek. Slechts 8,5% van de deelnemers aan het onderzoek had in de onderzoeksperiode nepnieuws gedeeld op Facebook.

Klein aantal mensen

Dat kleine percentages heeft belangrijke consequenties voor de conclusies die je kan trekken. Het betekent namelijk dat de conclusies zijn gebaseerd op een heel klein aantal mensen. Reken maar even mee.

In totaal deden 1191 mensen aan het onderzoek. 8,5% van hen deelde in de onderzoeksperiode nepnieuws op Facebook. Dat zijn dus 101 mensen. Die werden verdeeld over vier leeftijdscategorieën om te zien welke leeftijdsgroep het vaakst nepnieuws deelt. Dan houdt je dus gemiddeld maar 25 mensen per leeftijdscategorie over.

Dat zijn geen hele robuuste aantallen om hard te maken dat leeftijd van invloed is op de verspreiding van nepnieuws. Met zulke kleine aantallen is de kans best groot dat het gevonden verband tussen leeftijd en het verspreiden van nepnieuws toevallig is.

Om er zeker van te zijn dat het zo is, zul je dit beslist vaker moeten onderzoeken. Alleen dan kan je wetenschappelijk vaststellen of deze hypothese stand houdt. Nog maar even niet als waarheid op Facebook en in de media verspreiden dus.

Alexander Pleijter

Het artikel Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

“De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter”

Interview met kritische twitteraar Lars Duursma

Lars Duursma figureerde zaterdag als hoofdpersoon in een stuk van de ombudsman van de Volkskrant, nadat hij op Twitter gewezen had op onjuistheden in een interview met VVD-Kamerlid Aartsen. “Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.

De ombudsman van de Volkskrant, Jean-Pierre Geelen, klonk afgelopen zaterdag in zijn wekelijkse rubriek verbolgen en verbeten. Niet verwonderlijk, want de Volkskrant zou volgens hem beticht zijn van het verspreiden van ‘vooropgezet nepnieuws’. In zijn tekst schrijft Geelen over ‘verontwaardiging’ in ‘de Twittergemeente’ en ‘gretig verspreide kritiek’.

De ‘verontwaardiging’ en ‘kritiek’ betroffen een interview met VVD-Kamerlid Thierry Aartsen, die mocht vertellen over zijn plannen met de cultuursubsidies. De twitteraar die de ombudsman in zijn rubriek met naam noemt is Lars Duursma, oprichter van Debatrix, een bureau dat mensen traint in debatteren en presenteren. De ombudsman duidt hem aan als een ‘strenge lezer’. Deze ‘strenge lezer’ had het volgende getwitterd over het interview met Aartsen:

‘Dat een politieke partij ervoor kiest haar populistische boodschap met leugens te onderbouwen, is al droevig. Dat @volkskrant die leugens – die binnen 1 minuut te factchecken waren – klakkeloos doorgeeft en zelfs tot kop verheft, vraagt om journalistieke reflectie.’

In de ogen van Geelen was Duursma met deze tweet de bron van een hoop verontwaardiging op Twitter (‘Alleen de tweet van Duursma al werd gedurende vele dagen 143 keer met zichtbare instemming geretweet en 164 keer ‘leuk’ gevonden’), terwijl het volgens de ombudsman slechts ging ‘om een ‘foutje’ zoals dat bijna dagelijks voorkomt.’

Hoe kijkt Duursma aan tegen het betoog van de Volkskrant-ombudsman? Vindt hij de toelichting over de gemaakte fout toereikend? De Nieuwe Reporter vroeg het hem.

Even terug naar het begin, wat waren je bezwaren tegen het bewuste interview van de Volkskrant met VVD-Kamerlid Aartsen?

“Het artikel bevatte elementaire onjuistheden die binnen enkele minuten gecheckt hadden kunnen worden. In de kop stond groot dat het Concertgebouw 7 miljoen subsidie krijgt en het bloemencorso nul. Dat is twee keer onjuist: het Concertgebouw krijgt 900.000 euro subsidie (niet van het Rijk maar van de gemeente) en bloemencorso’s ontvangen juist wél veel subsidie.

Ter illustratie: de gemeente Katwijk geeft als percentage van de totale begroting zelfs méér subsidie aan het bloemencorso (0,027%) dan Amsterdam aan het Concertgebouw (0,023%). Ik vroeg me in een tweet af hoe het kan gebeuren dat zulke onzin klakkeloos wordt doorgegeven.”

Toelichting op deze cijfers:

De subsidie van de gemeente Katwijk voor het plaatselijke bloemencorso is 46.000 euro per jaar.
De totale begroting van de gemeente Katwijk is 173 miljoen.
Dat leidt tot een percentage van 0,027%.
Op dezelfde wijze kan het percentage in Amsterdam berekend worden.

Je noemde in die tweet @volkskrant en @jpgeelen. Kreeg je daar toen een reactie op van de Volkskrant?

“Ombudsman Jean-Pierre Geelen reageerde heel snel op Twitter, waarvoor ik hem ook publiekelijk complimenteerde. ‘Hier ging iets fout, ja. Ik ben nog in overleg wat te doen en hoe we erop terugkomen.’”

En toen?

“Rond twee uur ’s middags – het artikel stond toen al twaalf uur online en was veelvuldig gedeeld en gelezen – werden twee zaken aangepast: het Concertgebouw werd vervangen door Concertgebouworkest en de bezoekerscijfers van het Bloemencorso bleken er in het artikel bij nader inzien een factor tien (!) naast te zitten: het gaat om een miljoen bezoekers per jaar, en niet honderdduizend.”

De Volkskrant heeft de fouten hersteld. Het probleem is dus opgelost.

“Nou ja, ik vind het bijzonder onzorgvuldig dat je zulke elementaire onjuistheden in een artikel opneemt – zeker omdat het zo makkelijk voorkomen had kunnen worden. Daar komt nog eens bij dat het hier gaat om culturele instellingen die de afgelopen jaren al klap op klap kregen te verwerken en nu uitgerekend via de Volkskrant nog eens een trap na krijgen op basis van onjuiste cijfers.

De schade die je hiermee aanricht als krant, zet je niet recht met een correctie. Kijk maar eens hoe vaak deze onzin verspreid is: in de loop van de dag werden de cijfers bijvoorbeeld klakkeloos doorgegeven door de NOS journaals – iets wat de NOS overigens nog steeds niet gerectificeerd heeft. En op de website van De Telegraaf staan alle foute cijfers gewoon nog doodleuk online.

Het is wat mij betreft een interessant journalistiek vraagstuk: beperkt je verantwoordelijkheid zich bij een journalistieke misser tot het corrigeren van de fout op je eigen medium? Of reikt die verantwoordelijkheid, zeker bij kwaliteitsmedia, nét iets verder? Ik zou het geen slecht idee vinden als de Volkskrant in dit geval ook persdiensten en grote media die het nieuws hebben overgenomen en nog niet gecorrigeerd hebben, attendeert op de fout.”

Wat vond je van het stuk dat de ombudsman over deze kwestie schreef?

“Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.”

Waar blijkt dat volgens jou uit?

“Iedereen die het stuk leest, zal twee dingen opvallen. Als eerste het bagatelliseren van de journalistieke fout. Hij heeft het over een ‘foutje’ dat hij typeert als ‘onbeduidend’. Het tweede dat opvalt is het dedain naar de kritische lezer. De ombudsman houdt niet zo van kritische lezers, zo blijkt. Vooral niet als ze hun kritiek uiten op Twitter.”

Wat vind je ervan dat hij jouw tweets centraal stelt in zijn stuk?

“Dat verbaast me enigszins, want hij zegt bijvoorbeeld niets over de corrigerende tweet van het Concertgebouw zelf die bijna vijf keer zo veel werd gedeeld. Ik denk dat hij over mij schrijft omdat ik een constructieve dialoog met hem opzocht door hem te taggen in mijn tweet. Ik signaleerde een journalistieke fout, bekritiseerde verder vooral de VVD en nodigde vervolgens de ombudsman uit tot journalistieke reflectie.

Dat kun je zo te zien maar beter niet doen, als het aan deze ombudsman ligt. In z’n stuk lijkt hij meer geïnteresseerd in wie de kritiek uit dan waar die kritiek over gaat. Hij legt me bovendien woorden in de mond. Zo suggereert zijn titel dat ik de Volkskrant als kritische lezer beschuldigde van ‘nepnieuws’, terwijl ik dat woord — een buitengewoon onproductieve term — juist bewust mijd.”

Valt je nog meer op in het stuk van de ombudsman?

“Uit het stuk blijkt dat Thierry Aartsen zijn cijfers al eerder niet op orde had. Op zo’n moment kun je je natuurlijk afvragen waarom de Volkskrant hem dan zo’n groot podium geeft. Als een willekeurig andere bron persberichten vol onjuistheden verspreidt, dan neem je dat als journalist ook niet over — zelfs niet als de bron later met correcties komt. Je kunt je zelfs afvragen of het werkelijke nieuws in dit geval niet zou moeten zijn dat de cultuurwoordvoerder van de grootste partij van het land een week voor het cultuurdebat zijn cijfers niet op orde heeft. Nu bleef dit in het stuk volledig onbenoemd.”

Ik vond het opvallend dat de verslaggever het checken achterwege liet toen de VVD tijdens de autorisatie van het interview met nieuwe cijfers kwam. ‘Omdat de VVD er zelf mee kwam en de partij voor schut zou staan wanneer dat niet klopte.’ Wat vind je daarvan?

“Ik vind dat een merkwaardige redenering die weinig te maken heeft met de primaire taak van een journalist: waarheidsvinding. Júist bij interviews met politici is het zaak om te checken of alles klopt, de geïnterviewde heeft er immers belang bij cijfers zo te spinnen of verdraaien dat deze zijn boodschap optimaal versterken.

Op dat gebied vond ik het interview sowieso weinig kritisch. Thierry Aartsen bepleitte dat volkscultuur meer subsidie moet krijgen en noemde als voorbeelden ringsteken en carbidschieten. Een kilo carbid kost vier euro en is goed voor twintig knallen. Is het te veel gevraagd als journalist om dan even te informeren wat je daar in hemelsnaam aan wilt subsidiëren?”

Heb je nog een tip voor de ombudsman?

“Probeer open te staan voor kritiek en neem deze serieus. Kijk niet alleen wie de kritiek uit maar vooral ook waar die kritiek over gaat. Wat dat betreft kan hij wellicht eens kijken naar zijn collega’s bij NRC. Ik verzorg daar regelmatig analyses op het gebied van communicatie – zoals recensies van de Troonrede en adviezen aan politici – en publiceer artikelen over het functioneren van journalistiek. De redactie daar moedigt me steevast aan niet enkel anderen te analyseren maar vooral ook kritisch te kijken naar de verslaggeving van NRC. Niet omdat de journalisten het daar altijd leuk vinden om te horen. Wel omdat ze er graag van leren.”

Alexander Pleijter

Het artikel “De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Kijktip: VPRO Tegenlicht over ‘deep fake news’

Zondagavond zond de VPRO een aflevering uit van Tegenlicht over misschien wel de meest bedrieglijke vorm van nepnieuws die er is: ‘deep fake video’. Dit zijn videobeelden waarbij met kunstmatige intelligentie ervoor wordt gezorgd dat mensen dingen zeggen en doen, die ze nooit gezegd of gedaan hebben.

Fascinerende tegenstelling in de documentaire: terwijl in Amsterdam een hoogleraar werkt aan het perfectioneren van de technologie waarmee ‘deep fake video’ kan worden gemaakt, werkt aan de andere kant van de wereld een Japanse hoogleraar aan technologie om die video’s te ontmaskeren als nep.

Ondertussen heeft het Amerikaanse Storyful er al een dagtaak aan om beelden op sociale media te controleren op manipulaties.

Bekijk de uitzending:

Alexander Pleijter

Het artikel Kijktip: VPRO Tegenlicht over ‘deep fake news’ verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Is het strafbaar om met nepnieuws de verkiezingen te beïnvloeden?

Nepnieuws verspreiden mag gewoon in Nederland. We hebben hier tenslotte persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Maar mag je kiezers ook op het verkeerde been zetten, door bijvoorbeeld het bericht te verspreiden dat de verkiezingen op een andere dag plaatsvinden?

Uit onderzoek van het KRO-NCRV-programma Brandpunt bleek dat Facebook Nederlandse advertenties goedkeurt die onjuiste informatie over de Provinciale Statenverkiezingen verspreiden. De advertenties bevatten onjuiste informatie, variërend van een schreeuwerige kop dat CDA-voorman Buma uit eigen gewin de huizenprijzen zou hebben opgedreven tot een zakelijk klinkende mededeling dat de stembussen ‘vandaag’ eerder sluiten vanwege overlast voor de deur.

Het journalistieke punt was dat Facebook dit niet controleert, en zo toelaat dat onze verkiezingen gemanipuleerd kunnen worden. Maar als jurist ga ik me dan afvragen, is dat op een gegeven moment toch niet stiekem strafbaar, zo verkiezingen beïnvloeden?

Nepnieuws is niet strafbaar

In het algemeen is nepnieuws niet strafbaar. Probeer maar eens een definitie te geven van het fenomeen. (Wie Trump citeert, is af.) Vaak komt het neer op een variant op “er staat onware informatie in”, maar in het algemeen is het erg moeilijk om de (on-)waarheid van een bericht vast te stellen. Auteurs hebben bovendien een arsenaal aan trucjes, van het aloude vraagteken achter de meest onware koppen tot “Disclaimer: dit is satire hahaha” onderaan de site. En op de achtergrond speelt dan ook nog eens de dreiging dat de overheid een strafbaarstelling van nepnieuws zou aangrijpen om onwelgevallig nieuws offline te krijgen.

Specifiek bij de verkiezingen voelt het echter iets urgenter dat er ingegrepen kan worden wanneer foutieve informatie opduikt. Ik kan geen harde grens trekken, maar die ga je wel voorbij met een bericht “De verkiezingen zijn verzet naar morgen” aan tienduizenden mensen aanbieden. Politiek gemotiveerde leugens (“Buma dreef huizenmarkt op” / “Gert-Jan Segers bekeerde zich stiekem tot de islam”) zijn voor mij van een iets andere categorie.

Kiezers misleiden is strafbaar

Er zijn een aantal zogeheten kiesrechtdelicten (wat is recht soms een heerlijk talig vakgebied). De meesten gaan over het stemmen zelf, meestal gefocust op het ronselen van machtigingen of het namaken van stembiljetten. Maar er is er ook eentje die kan slaan op die categorie nepnieuws, artikel 127 Strafrecht:

Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Kort gezegd: er voor zorgen dat de kiezer wordt misleid waardoor hij niet de door hem gewenste stem uitbrengt. Dit gaat primair over misleiding en bedrog rondom het stemhokje, mensen bijvoorbeeld vals uitleggen waar ze moeten stemmen of zeggen dat ze alle niet-gewenste vakjes moeten doorstrepen zodat de stem ongeldig wordt. Met enige fantasie kun je dit ook lezen als dat het strafbaar is om mensen met valse informatie weg te houden bij het stemhokje. Maar “met enige fantasie” is in het strafrecht geen compliment, dus ik denk dat je er hiermee niet snel komt.

Een andere mogelijkheid is valsheid in geschrifte – een document maken dat pretendeert echt te zijn, en een elektronische tekst valt daar ook onder. Dan zeg je dus, die advertentie met “u moet morgen stemmen” pretendeert een overheidsmededeling te zijn, maar is dat niet, en is dus een valselijk opgemaakt document. Ik zou daar alleen wat in zien als er expliciet iets in staat van het logo van de Rijksoverheid of gemeente, of iets anders waar je uit moet halen dat dit een overheidsmededeling is. En dat is er meestal niet. Het lijkt me een hele toer om te zeggen, de tekst klínkt officieel dus is hij officieel bedoeld.

Deze blogpost verscheen eerder op Ius mentis, het weblog waar Arnout Engelfriet schrijft over internetrecht.

Arnoud Engelfriet

Het artikel Is het strafbaar om met nepnieuws de verkiezingen te beïnvloeden? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

In de ban van nepnieuws: het belang & gevaar van factchecking

De president van Amerika verspreidt nepnieuws, in minstens 18 landen was tijdens recente verkiezingen sprake van online manipulatie en desinformatie en acht op de tien jongeren ziet het verschil niet tussen echt nieuws en nepnieuws. Onafhankelijke factcheckers worden steeds belangrijker, maar wie checkt hen? Factchecks bundelen Onlangs lanceerde The Google News Initiative (een initiatief om […]

Page generated in 1.744 seconds. Stats plugin by www.blog.ca