Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast

Deze week was in het nieuws dat het vooral ouderen zijn die nepnieuws op Facebook delen. De aanleiding was een wetenschappelijk onderzoek dat was verschenen. Maar hoe zeker weten we nu eigenlijk dat we voortaan ouderen de schuld kunnen geven van het verspreiden van nepnieuws?

Diverse media (onder meer NRC, NOS, Trouw, Bright) meldden deze week dat het vooral oudere Facebookgebruikers zijn die nepnieuws verspreiden. Ze baseren zich op een wetenschappelijk onderzoek van drie Amerikaanse politicologen, dat afgelopen week is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances.

De onderzoekers constateren inderdaad dat 65-plussers liefst zeven keer zo vaak nepnieuws delen dan dertigers. Wat dat betreft is er niks mis met de berichtgeving: de media melden wat de onderzoekers concluderen.

Politiek nepnieuws

Maar toch het is goed om een slag om de arm te houden. Allereerst ging het in dit onderzoek om een specifieke categorie nieuws, namelijk nieuws over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Politiek nieuws dus. Het zou best kunnen dat andere soorten nepnieuws juist door jongere mensen wordt verspreid.

Belangrijker nog is dat het aantal mensen dat nepnieuws deelt op Facebook behoorlijk klein is. Ruim 90% van de mensen doet dat niet, volgens dit onderzoek. Slechts 8,5% van de deelnemers aan het onderzoek had in de onderzoeksperiode nepnieuws gedeeld op Facebook.

Klein aantal mensen

Dat kleine percentages heeft belangrijke consequenties voor de conclusies die je kan trekken. Het betekent namelijk dat de conclusies zijn gebaseerd op een heel klein aantal mensen. Reken maar even mee.

In totaal deden 1191 mensen aan het onderzoek. 8,5% van hen deelde in de onderzoeksperiode nepnieuws op Facebook. Dat zijn dus 101 mensen. Die werden verdeeld over vier leeftijdscategorieën om te zien welke leeftijdsgroep het vaakst nepnieuws deelt. Dan houdt je dus gemiddeld maar 25 mensen per leeftijdscategorie over.

Dat zijn geen hele robuuste aantallen om hard te maken dat leeftijd van invloed is op de verspreiding van nepnieuws. Met zulke kleine aantallen is de kans best groot dat het gevonden verband tussen leeftijd en het verspreiden van nepnieuws toevallig is.

Om er zeker van te zijn dat het zo is, zul je dit beslist vaker moeten onderzoeken. Alleen dan kan je wetenschappelijk vaststellen of deze hypothese stand houdt. Nog maar even niet als waarheid op Facebook en in de media verspreiden dus.

Alexander Pleijter

Het artikel Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

“De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter”

Interview met kritische twitteraar Lars Duursma

Lars Duursma figureerde zaterdag als hoofdpersoon in een stuk van de ombudsman van de Volkskrant, nadat hij op Twitter gewezen had op onjuistheden in een interview met VVD-Kamerlid Aartsen. “Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.

De ombudsman van de Volkskrant, Jean-Pierre Geelen, klonk afgelopen zaterdag in zijn wekelijkse rubriek verbolgen en verbeten. Niet verwonderlijk, want de Volkskrant zou volgens hem beticht zijn van het verspreiden van ‘vooropgezet nepnieuws’. In zijn tekst schrijft Geelen over ‘verontwaardiging’ in ‘de Twittergemeente’ en ‘gretig verspreide kritiek’.

De ‘verontwaardiging’ en ‘kritiek’ betroffen een interview met VVD-Kamerlid Thierry Aartsen, die mocht vertellen over zijn plannen met de cultuursubsidies. De twitteraar die de ombudsman in zijn rubriek met naam noemt is Lars Duursma, oprichter van Debatrix, een bureau dat mensen traint in debatteren en presenteren. De ombudsman duidt hem aan als een ‘strenge lezer’. Deze ‘strenge lezer’ had het volgende getwitterd over het interview met Aartsen:

‘Dat een politieke partij ervoor kiest haar populistische boodschap met leugens te onderbouwen, is al droevig. Dat @volkskrant die leugens – die binnen 1 minuut te factchecken waren – klakkeloos doorgeeft en zelfs tot kop verheft, vraagt om journalistieke reflectie.’

In de ogen van Geelen was Duursma met deze tweet de bron van een hoop verontwaardiging op Twitter (‘Alleen de tweet van Duursma al werd gedurende vele dagen 143 keer met zichtbare instemming geretweet en 164 keer ‘leuk’ gevonden’), terwijl het volgens de ombudsman slechts ging ‘om een ‘foutje’ zoals dat bijna dagelijks voorkomt.’

Hoe kijkt Duursma aan tegen het betoog van de Volkskrant-ombudsman? Vindt hij de toelichting over de gemaakte fout toereikend? De Nieuwe Reporter vroeg het hem.

Even terug naar het begin, wat waren je bezwaren tegen het bewuste interview van de Volkskrant met VVD-Kamerlid Aartsen?

“Het artikel bevatte elementaire onjuistheden die binnen enkele minuten gecheckt hadden kunnen worden. In de kop stond groot dat het Concertgebouw 7 miljoen subsidie krijgt en het bloemencorso nul. Dat is twee keer onjuist: het Concertgebouw krijgt 900.000 euro subsidie (niet van het Rijk maar van de gemeente) en bloemencorso’s ontvangen juist wél veel subsidie.

Ter illustratie: de gemeente Katwijk geeft als percentage van de totale begroting zelfs méér subsidie aan het bloemencorso (0,027%) dan Amsterdam aan het Concertgebouw (0,023%). Ik vroeg me in een tweet af hoe het kan gebeuren dat zulke onzin klakkeloos wordt doorgegeven.”

Toelichting op deze cijfers:

De subsidie van de gemeente Katwijk voor het plaatselijke bloemencorso is 46.000 euro per jaar.
De totale begroting van de gemeente Katwijk is 173 miljoen.
Dat leidt tot een percentage van 0,027%.
Op dezelfde wijze kan het percentage in Amsterdam berekend worden.

Je noemde in die tweet @volkskrant en @jpgeelen. Kreeg je daar toen een reactie op van de Volkskrant?

“Ombudsman Jean-Pierre Geelen reageerde heel snel op Twitter, waarvoor ik hem ook publiekelijk complimenteerde. ‘Hier ging iets fout, ja. Ik ben nog in overleg wat te doen en hoe we erop terugkomen.’”

En toen?

“Rond twee uur ’s middags – het artikel stond toen al twaalf uur online en was veelvuldig gedeeld en gelezen – werden twee zaken aangepast: het Concertgebouw werd vervangen door Concertgebouworkest en de bezoekerscijfers van het Bloemencorso bleken er in het artikel bij nader inzien een factor tien (!) naast te zitten: het gaat om een miljoen bezoekers per jaar, en niet honderdduizend.”

De Volkskrant heeft de fouten hersteld. Het probleem is dus opgelost.

“Nou ja, ik vind het bijzonder onzorgvuldig dat je zulke elementaire onjuistheden in een artikel opneemt – zeker omdat het zo makkelijk voorkomen had kunnen worden. Daar komt nog eens bij dat het hier gaat om culturele instellingen die de afgelopen jaren al klap op klap kregen te verwerken en nu uitgerekend via de Volkskrant nog eens een trap na krijgen op basis van onjuiste cijfers.

De schade die je hiermee aanricht als krant, zet je niet recht met een correctie. Kijk maar eens hoe vaak deze onzin verspreid is: in de loop van de dag werden de cijfers bijvoorbeeld klakkeloos doorgegeven door de NOS journaals – iets wat de NOS overigens nog steeds niet gerectificeerd heeft. En op de website van De Telegraaf staan alle foute cijfers gewoon nog doodleuk online.

Het is wat mij betreft een interessant journalistiek vraagstuk: beperkt je verantwoordelijkheid zich bij een journalistieke misser tot het corrigeren van de fout op je eigen medium? Of reikt die verantwoordelijkheid, zeker bij kwaliteitsmedia, nét iets verder? Ik zou het geen slecht idee vinden als de Volkskrant in dit geval ook persdiensten en grote media die het nieuws hebben overgenomen en nog niet gecorrigeerd hebben, attendeert op de fout.”

Wat vond je van het stuk dat de ombudsman over deze kwestie schreef?

“Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.”

Waar blijkt dat volgens jou uit?

“Iedereen die het stuk leest, zal twee dingen opvallen. Als eerste het bagatelliseren van de journalistieke fout. Hij heeft het over een ‘foutje’ dat hij typeert als ‘onbeduidend’. Het tweede dat opvalt is het dedain naar de kritische lezer. De ombudsman houdt niet zo van kritische lezers, zo blijkt. Vooral niet als ze hun kritiek uiten op Twitter.”

Wat vind je ervan dat hij jouw tweets centraal stelt in zijn stuk?

“Dat verbaast me enigszins, want hij zegt bijvoorbeeld niets over de corrigerende tweet van het Concertgebouw zelf die bijna vijf keer zo veel werd gedeeld. Ik denk dat hij over mij schrijft omdat ik een constructieve dialoog met hem opzocht door hem te taggen in mijn tweet. Ik signaleerde een journalistieke fout, bekritiseerde verder vooral de VVD en nodigde vervolgens de ombudsman uit tot journalistieke reflectie.

Dat kun je zo te zien maar beter niet doen, als het aan deze ombudsman ligt. In z’n stuk lijkt hij meer geïnteresseerd in wie de kritiek uit dan waar die kritiek over gaat. Hij legt me bovendien woorden in de mond. Zo suggereert zijn titel dat ik de Volkskrant als kritische lezer beschuldigde van ‘nepnieuws’, terwijl ik dat woord — een buitengewoon onproductieve term — juist bewust mijd.”

Valt je nog meer op in het stuk van de ombudsman?

“Uit het stuk blijkt dat Thierry Aartsen zijn cijfers al eerder niet op orde had. Op zo’n moment kun je je natuurlijk afvragen waarom de Volkskrant hem dan zo’n groot podium geeft. Als een willekeurig andere bron persberichten vol onjuistheden verspreidt, dan neem je dat als journalist ook niet over — zelfs niet als de bron later met correcties komt. Je kunt je zelfs afvragen of het werkelijke nieuws in dit geval niet zou moeten zijn dat de cultuurwoordvoerder van de grootste partij van het land een week voor het cultuurdebat zijn cijfers niet op orde heeft. Nu bleef dit in het stuk volledig onbenoemd.”

Ik vond het opvallend dat de verslaggever het checken achterwege liet toen de VVD tijdens de autorisatie van het interview met nieuwe cijfers kwam. ‘Omdat de VVD er zelf mee kwam en de partij voor schut zou staan wanneer dat niet klopte.’ Wat vind je daarvan?

“Ik vind dat een merkwaardige redenering die weinig te maken heeft met de primaire taak van een journalist: waarheidsvinding. Júist bij interviews met politici is het zaak om te checken of alles klopt, de geïnterviewde heeft er immers belang bij cijfers zo te spinnen of verdraaien dat deze zijn boodschap optimaal versterken.

Op dat gebied vond ik het interview sowieso weinig kritisch. Thierry Aartsen bepleitte dat volkscultuur meer subsidie moet krijgen en noemde als voorbeelden ringsteken en carbidschieten. Een kilo carbid kost vier euro en is goed voor twintig knallen. Is het te veel gevraagd als journalist om dan even te informeren wat je daar in hemelsnaam aan wilt subsidiëren?”

Heb je nog een tip voor de ombudsman?

“Probeer open te staan voor kritiek en neem deze serieus. Kijk niet alleen wie de kritiek uit maar vooral ook waar die kritiek over gaat. Wat dat betreft kan hij wellicht eens kijken naar zijn collega’s bij NRC. Ik verzorg daar regelmatig analyses op het gebied van communicatie – zoals recensies van de Troonrede en adviezen aan politici – en publiceer artikelen over het functioneren van journalistiek. De redactie daar moedigt me steevast aan niet enkel anderen te analyseren maar vooral ook kritisch te kijken naar de verslaggeving van NRC. Niet omdat de journalisten het daar altijd leuk vinden om te horen. Wel omdat ze er graag van leren.”

Alexander Pleijter

Het artikel “De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Kijktip: VPRO Tegenlicht over ‘deep fake news’

Zondagavond zond de VPRO een aflevering uit van Tegenlicht over misschien wel de meest bedrieglijke vorm van nepnieuws die er is: ‘deep fake video’. Dit zijn videobeelden waarbij met kunstmatige intelligentie ervoor wordt gezorgd dat mensen dingen zeggen en doen, die ze nooit gezegd of gedaan hebben.

Fascinerende tegenstelling in de documentaire: terwijl in Amsterdam een hoogleraar werkt aan het perfectioneren van de technologie waarmee ‘deep fake video’ kan worden gemaakt, werkt aan de andere kant van de wereld een Japanse hoogleraar aan technologie om die video’s te ontmaskeren als nep.

Ondertussen heeft het Amerikaanse Storyful er al een dagtaak aan om beelden op sociale media te controleren op manipulaties.

Bekijk de uitzending:

Alexander Pleijter

Het artikel Kijktip: VPRO Tegenlicht over ‘deep fake news’ verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Is het strafbaar om met nepnieuws de verkiezingen te beïnvloeden?

Nepnieuws verspreiden mag gewoon in Nederland. We hebben hier tenslotte persvrijheid en vrijheid van meningsuiting. Maar mag je kiezers ook op het verkeerde been zetten, door bijvoorbeeld het bericht te verspreiden dat de verkiezingen op een andere dag plaatsvinden?

Uit onderzoek van het KRO-NCRV-programma Brandpunt bleek dat Facebook Nederlandse advertenties goedkeurt die onjuiste informatie over de Provinciale Statenverkiezingen verspreiden. De advertenties bevatten onjuiste informatie, variërend van een schreeuwerige kop dat CDA-voorman Buma uit eigen gewin de huizenprijzen zou hebben opgedreven tot een zakelijk klinkende mededeling dat de stembussen ‘vandaag’ eerder sluiten vanwege overlast voor de deur.

Het journalistieke punt was dat Facebook dit niet controleert, en zo toelaat dat onze verkiezingen gemanipuleerd kunnen worden. Maar als jurist ga ik me dan afvragen, is dat op een gegeven moment toch niet stiekem strafbaar, zo verkiezingen beïnvloeden?

Nepnieuws is niet strafbaar

In het algemeen is nepnieuws niet strafbaar. Probeer maar eens een definitie te geven van het fenomeen. (Wie Trump citeert, is af.) Vaak komt het neer op een variant op “er staat onware informatie in”, maar in het algemeen is het erg moeilijk om de (on-)waarheid van een bericht vast te stellen. Auteurs hebben bovendien een arsenaal aan trucjes, van het aloude vraagteken achter de meest onware koppen tot “Disclaimer: dit is satire hahaha” onderaan de site. En op de achtergrond speelt dan ook nog eens de dreiging dat de overheid een strafbaarstelling van nepnieuws zou aangrijpen om onwelgevallig nieuws offline te krijgen.

Specifiek bij de verkiezingen voelt het echter iets urgenter dat er ingegrepen kan worden wanneer foutieve informatie opduikt. Ik kan geen harde grens trekken, maar die ga je wel voorbij met een bericht “De verkiezingen zijn verzet naar morgen” aan tienduizenden mensen aanbieden. Politiek gemotiveerde leugens (“Buma dreef huizenmarkt op” / “Gert-Jan Segers bekeerde zich stiekem tot de islam”) zijn voor mij van een iets andere categorie.

Kiezers misleiden is strafbaar

Er zijn een aantal zogeheten kiesrechtdelicten (wat is recht soms een heerlijk talig vakgebied). De meesten gaan over het stemmen zelf, meestal gefocust op het ronselen van machtigingen of het namaken van stembiljetten. Maar er is er ook eentje die kan slaan op die categorie nepnieuws, artikel 127 Strafrecht:

Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Kort gezegd: er voor zorgen dat de kiezer wordt misleid waardoor hij niet de door hem gewenste stem uitbrengt. Dit gaat primair over misleiding en bedrog rondom het stemhokje, mensen bijvoorbeeld vals uitleggen waar ze moeten stemmen of zeggen dat ze alle niet-gewenste vakjes moeten doorstrepen zodat de stem ongeldig wordt. Met enige fantasie kun je dit ook lezen als dat het strafbaar is om mensen met valse informatie weg te houden bij het stemhokje. Maar “met enige fantasie” is in het strafrecht geen compliment, dus ik denk dat je er hiermee niet snel komt.

Een andere mogelijkheid is valsheid in geschrifte – een document maken dat pretendeert echt te zijn, en een elektronische tekst valt daar ook onder. Dan zeg je dus, die advertentie met “u moet morgen stemmen” pretendeert een overheidsmededeling te zijn, maar is dat niet, en is dus een valselijk opgemaakt document. Ik zou daar alleen wat in zien als er expliciet iets in staat van het logo van de Rijksoverheid of gemeente, of iets anders waar je uit moet halen dat dit een overheidsmededeling is. En dat is er meestal niet. Het lijkt me een hele toer om te zeggen, de tekst klínkt officieel dus is hij officieel bedoeld.

Deze blogpost verscheen eerder op Ius mentis, het weblog waar Arnout Engelfriet schrijft over internetrecht.

Arnoud Engelfriet

Het artikel Is het strafbaar om met nepnieuws de verkiezingen te beïnvloeden? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

In de ban van nepnieuws: het belang & gevaar van factchecking

De president van Amerika verspreidt nepnieuws, in minstens 18 landen was tijdens recente verkiezingen sprake van online manipulatie en desinformatie en acht op de tien jongeren ziet het verschil niet tussen echt nieuws en nepnieuws. Onafhankelijke factcheckers worden steeds belangrijker, maar wie checkt hen? Factchecks bundelen Onlangs lanceerde The Google News Initiative (een initiatief om […]

WhatsApp pakt fake news aan met nieuwe functie

Wereldwijd wordt er steeds meer fake news verspreid. Met alle (social) kanalen en middelen van nu wordt dat probleem alleen maar groter. Dit blijkt alleen al uit de recente misstanden in India, waardoor WhatsApp eigenlijk werd gedwongen om de strijd aan te gaan met nepnieuws. Daarom heeft de bekende chat-app een nieuwe functie geïntroduceerd. Doorgestuurde berichten […]

Tim Berners-Lee: ‘Het web moet constructiever’

‘Alleen al vanwege Wikipedia is het web fantastisch’, zegt Tim Berners-Lee. De uitvinder van het web was even in Amsterdam om vooruit te blikken. Welke kant gaan we op met het web in tijden van nepnieuws en monopolisering? Berners-Lee was eind mei in ons land om de acceptatierede uit te spreken voor de Alan Turing Award […]

We moeten nepnieuws net zo aanpakken als spam

The front page of a newspaper with the headline "Fake News" which illustrates the current phenomena. Front section of newspaper is on top of loosely stacked remainder of newspaper. All visible text is authored by the photographer. Photographed in a studio setting on a white background with a slight wide angle lens.

De roep om nepnieuws te bestrijden klinkt steeds luider. Overheden denken aan wetgeving om de verspreiding van nepnieuws via sociale media aan banden te leggen. In dit vierluik verkennen Maurits Kreijveld en Chris Aalberts wat nepnieuws is en hoe het kan worden bestreden. In dit vierde deel pleiten ze ervoor om burgers weerbaarder te maken.

Politici praten momenteel openlijk over het filteren van nepnieuws. Niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Frankrijk, Engeland en Duitsland onderzoeken parlementen mogelijkheden om sociale platformen verantwoordelijk te maken voor de content die via hun netwerken wordt verspreid. Dit elders neerleggen van de verantwoordelijkheden lijkt vooral ingegeven door gemakzucht omdat de individuen en organisaties achter nepnieuws vaak ongrijpbaar zijn. Ook lijkt er sprake van aversie tegen de dominantie van Facebook, Google en Twitter.

Het aanpakken van nepnieuws gaat mis wanneer geprobeerd wordt om berichten op grote schaal uit te filteren. Dit filteren betekent keiharde censuur: in plaats van onwaarheden in een open debat en discussie naar boven te laten komen, wordt dan van tevoren al informatie weggelaten: berichten worden verwijderd uit profielen, tijdlijnen en zoekresultaten. Filteren staat compleet haaks op een ontwikkeling waarbij burgers vrij informatie willen kunnen delen.

Gevaar van censuur

De filters die worden gebruikt laten geen ruimte voor een open debat, nuance, verschil van inzicht en pluriformiteit. Het gevaar van censuur en van moreel imperialisme dreigt, zeker als we zien hoe fanatiek Facebook en Amerikaanse politici kijken naar mogelijkheden voor filteren gebaseerd op Amerikaanse waarden over wat netjes is. Op dat moment wordt een grens overschreden waarbij veel verworvenheden van een vrije democratie verloren gaan.

Filteren staat bovendien haaks op de trend dat nieuws steeds meer ‘live’ wordt gemaakt, terwijl het gebeurt. Hierbij wordt nieuws, ook door de gevestigde nieuwsmedia, steeds vaker achteraf gecheckt en kan de kijker meebeleven wat de uitkomst wordt.

Samenwerken aan transparantie

Fact-checkers kunnen onwaarheden identificeren, maar dit werk gebeurt achteraf met een behoorlijke vertraging en er is sprake van willekeur in wat wel en niet gecheckt wordt. Bovendien kan al dit handmatige werk de snelheid en het volume van de berichtgeving niet bijhouden. Kunstmatige intelligentie is ook geen oplossing: deze algoritmes kunnen niet goed omgaan met nuances, polarisatie en satire. Kunstmatige intelligentie kan hooguit zeggen of het waarschijnlijk is dat een bericht onjuist is maar geen keiharde uitspraak doen.

Er is dus geen ‘quick fix’ voor nepnieuws, maar dat wil niet zeggen dat er helemaal niks gedaan kan worden. Er valt veel te winnen door journalistiek handwerk en het rapporteren door burgers te combineren met slimme algoritmen zoals Facebook, Google en Twitter die ontwikkelen. Hiervoor is meer samenwerking nodig tussen alle betrokkenen: nieuwsmedia, fact-checkers, sociale platformen, politici en burgers.

Algoritmen kunnen helpen inschatten of een bericht mogelijk onwaar of inconsistent is en ze kunnen accounts opsporen die bewust grote hoeveelheden desinformatie verspreiden. Informatielabels kunnen transparantie van nieuws vergroten door aan te geven wat de herkomst van een bericht is en of het bericht betwist of tegengesproken wordt. Nieuwsmedia kunnen gebruik maken van algoritmen die helpen inconsistente en tegenstrijdige berichtgeving te signaleren. Zij zouden toegevoegde waarde kunnen bieden door meerdere inzichten en opvattingen met elkaar te confronteren.

Gebruikers kunnen tevens bewuster worden gemaakt van hun eigen rol in de verspreiding, zoals Facebook via een pop-up vraagt of een gebruiker een mogelijk fake bericht wel echt wil verspreiden. Gebruikers kunnen ook helpen dubieuze berichten te signaleren: een mogelijkheid die nu al geboden wordt door sociale platformen maar nog weinig door nieuwsmedia.

Het aanpakken van spam

Het gebruik van algoritmen zou niet moeten leiden tot filtering, maar moet zich beperken tot informeren en transparant maken: labeling. De algoritmes van Facebook, Google en Twitter zijn nu echter niet transparant terwijl ze wel gebruikt worden om berichten in tijdlijnen en zoekresultaten te rangschikken.

Twitter wil de kwaliteit van de discussie inzichtelijk gaan maken en wil daarbij gebruik maken van de indicatoren voor ‘conversational health’, ontwikkeld bij MIT. Deze indicatoren voor een gezonde discussie zijn: ‘gemeenschappelijke aandacht’ (Is er overlap in waar men over praat? Praat men over hetzelfde thema?), ‘gemeenschappelijke realiteit’ (gebruikt men dezelfde feiten?), variëteit (zijn er meerdere meningen op grond van de voorgaande uitgangspunten) en ontvankelijkheid (staat men open voor nieuwe argumenten?).

Labelen kan de verspreiding van nepnieuws remmen maar het biedt geen garantie dat het wordt gestopt. Het aanpakken van nepnieuws lijkt op deze manier het meest op hoe er ook met spam e-mails wordt omgegaan: een melding ‘dit bericht kan spam zijn’ is niet ongebruikelijk. Dit sluit bovendien het meest aan bij het sociale gedrag waarin mensen elkaar soms ook bewust onjuiste berichten (zoals roddels en broodje-aapverhalen) doorsturen, wetende dat een ontvanger wel weet of hij het bericht met een korrel zout moet nemen.

Weerbare burgers

Bij een open en vrij internet hoort dat nieuws en informatie zich vrij kunnen verspreiden. Nieuwsmedia en platformen kunnen hun gebruikers helpen om relevante en betrouwbare informatie te vinden en ze een betrouwbare plaats bieden voor nieuws. Hieraan kunnen ze hun belangrijkste meerwaarde en bestaansrecht ontlenen. Ze zouden op een transparante manier moeten filteren en rangschikken zodat gebruikers kunnen kiezen. Ze zouden niet verplicht moeten worden om nieuws te gaan filteren.

De oplossing van de bestrijding van nepnieuws moet niet gezocht worden in het filteren maar in de pluriformiteit van media, die op transparante wijze informatie interpreteren, rangschikken en aanbieden. In plaats van burgers te pamperen en ervoor te zorgen dat ze niet meer met ‘nepnieuws’ in aanraking komen, zouden nieuwsmedia en politici de burger meer moeten prikkelen en moeten helpen om weerbaar te worden, te leren omgaan met een wereld waarin nieuws voortdurend in ontwikkeling is en er altijd debat zal zijn. Dát levert een versterking op van de democratie.

Lees ook deel 1 van deze serie: Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig.

Lees ook deel 2: Fact-checken: gevecht tegen de bierkaai!?

Lees ook deel 3: Facebook en Google pakken nepnieuws aan maar kunnen het niet bestrijden.

The post We moeten nepnieuws net zo aanpakken als spam appeared first on De Nieuwe Reporter.

Facebook en Google pakken nepnieuws aan maar kunnen het niet bestrijden

The front page of a newspaper with the headline "Fake News" which illustrates the current phenomena. Front section of newspaper is on top of loosely stacked remainder of newspaper. All visible text is authored by the photographer. Photographed in a studio setting on a white background with a slight wide angle lens.

De roep om nepnieuws te bestrijden klinkt steeds luider. Internetgiganten als Facebook, Twitter en Google worden gemaand om maatregelen te nemen. In dit vierluik verkennen Maurits Kreijveld en Chris Aalberts wat nepnieuws is en hoe het kan worden bestreden. In dit derde deel de vraag  wat Facebook, Twitter en Google doen en of dat zoden aan de dijk zet.

Eind vorig jaar hebben Facebook, Google en Twitter aangekondigd dat ze gaan werken met zogeheten ‘trust indicators’ om consumenten te helpen de betrouwbaarheid van publicaties en journalisten in hun tijdlijnen beter in te schatten. Daarnaast gaan ze onderling kennis delen en een gezamenlijke database bijhouden van nepnieuws-artikelen en van onbetrouwbare nieuwsverspreiders.

Bij een artikel in de tijdlijn van Google (News en Search), Facebook (tijdlijn) en Twitter (tijdlijn) verschijnt een icoontje waaraan je kunt zien wie de bron ervan is en of het een reclame betreft of niet. Door hierop te klikken verschijnt de Wikipedia-informatie van deze bron zodat lezers zich hierover kunnen informeren. De lezer kan dan zelf een inschatting maken van de betrouwbaarheid.

De gebruikte indicatoren zijn ontwikkeld door het Trust Project van het Santa Clara Institute of Applied Ethics. Amerikaanse partners zijn de New York Times, Washington Post en USA Today. Europese partners zijn onder andere de BBC, The Economist en La Repubblica.

Het ‘ergste’ nepnieuws bestrijden

Facebook werkt sinds 2017 in diverse landen samen met de belangrijkste fact-checkers, die zich houden aan de internationale ‘code of principles’. Facebook richt zich in eerste instantie op ‘het ergste nepnieuws’: bewust onjuiste berichten die opzettelijk verspreid worden om te misleiden, te spammen of er geld mee te verdienen. Facebook richt zich dus niet op vermeende uitspraken van politici en de interpretatie ervan: het gaat die voortdurende discussie uit de weg.

Krijgt een artikel de beoordeling ‘niet waar’ van één fact-checker dan wordt het minder gepromoot in newsfeeds. Zodra tenminste twee fact-checkers een bericht als onwaar bestempelen, krijgt een gebruiker een boodschap bij het artikel te zien dat het bericht ‘in twijfel wordt getrokken door externe fact-checkers’. Door hierop te klikken kan de gebruiker meer te weten komen wie het artikel in twijfel trekt en waarom. Fact-checkers kunnen een toelichting geven bij hun beoordeling.

Momenteel duurt het zo’n drie dagen voordat een artikel zo’n label krijgt. Voor nieuws is dit veel te laat: hoaxes verspreiden zich in de eerste uren het snelst. Facebook probeert dit proces daarom te versnellen. Gebruikers kunnen zelf ook berichten aanmelden als mogelijk nepnieuws. Facebook maakt hiervan een overzicht dat ze deelt met de fact-checkers die dan gericht aan de slag kunnen.

Effectiviteit wordt betwist

Artikelen die in twijfel worden getrokken, worden door Facebook lager geplaatst op de lijst artikelen die in de News Feeds van andere gebruikers verschijnen. Deze krijgen, als ze zo’n twijfelachtig artikel willen delen in hun netwerk, een pop-up te zien met de vraag of ze dit echt willen. Facebook beweert dat dit alles ervoor zorgt dat zo’n artikel 80% minder verspreid wordt.

Verschillende media betwijfelen of dit percentage zo hoog is omdat veel artikelen (of varianten van deze berichten) in omloop blijven, ondanks dat ze overduidelijk als nepnieuws zijn aangemerkt. Gebruikers blijken zich weinig aan te trekken van de notificaties omdat ze vinden dat hun vrienden het sowieso moeten weten of omdat ze blijven volharden in hun eigen gelijk.

Kunstmatige intelligentie

De grote sociale netwerken zetten tevens in op de ontwikkeling van slimme algoritmen. Zo kan er inzicht verkregen worden in hoe nieuws wordt verspreid, via welke accounts en via welke knooppunten in sociale netwerken. Hiermee kunnen ze volgen hoe een discussie zich ontwikkelt en daar gericht op ingrijpen als er bijvoorbeeld heel veel accounts tegelijk spam versturen, of als tijdlijnen dreigen te worden overspoeld. Twitter, dat vergeleken met Google en Facebook het meest gevoelig is, bepaalt op basis van patroonherkenning of (potentiële nep)accounts of het het ‘retweeten’ van berichten tijdelijk moet bevriezen.

Met kunstmatige intelligentie kunnen patronen worden gevonden in nieuwsberichten en kan de consistentie ervan worden vastgesteld. Google is met zijn zoekmachine en nieuwsaggregator een belangrijke speler. Google’s zoekmachine is gebaseerd op een algoritme dat uit vele informatiebronnen informatie destilleert, kijkt naar kruisverbanden en doorverwijzingen tussen websites en corrigeert voor echoputten, marketeers (SEO) en reputatie van bronnen.

Daarnaast heeft Google een databank aangelegd vol feitelijke, wetenschappelijke en encyclopedische informatie: de Google Knowledge Vault. Hiermee kan het informatie op waarheid checken zoals de omvang van de aarde, de snelheid van het licht en dergelijke. Een bericht over sneeuw in Israël zou dan aangemerkt kunnen worden als ‘onwaarschijnlijk’ vanwege het warme klimaat van het land.

Omgaan met gepolariseerd debat

Google’s algoritme zoekt naar consensus tussen de informatie uit verschillende bronnen. Dat wordt echter lastig als er twee tegenovergestelde ‘waarheden’ zijn die allebei even fanatiek gepromoot worden in een netwerk van personen en nieuwssites.

Google meldde al dat het hier last van had tijdens de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen. Er waren twee kampen met een hecht netwerk van ‘incrowd’ die voortdurend elkaar versterken, herhalen en zich afzetten tegen de tegenstander. In Nederland kunnen we denken aan de recente discussie over vermeend racisme binnen Forum voor Democratie (FvD): ook hier is een zeer gepolariseerd debat tussen bronnen die zeker zeggen te weten dat FvD racistisch is, maar er is ook een grote FvD-aanhang die alle aantijgingen met veel nadruk ontkent.  

Google-topman Eric Schmidt gaf in een interview in 2017 aan dat het bedrijf niet al te positief is over de mogelijkheden om met kunstmatige intelligentie slechte berichtgeving tegen te houden.

Kunstmatige intelligentie als heilige graal?

De Nederlandse startup NWZER is hier positiever over. Dit bedrijf gebruikt kunstmatige intelligentie om de betrouwbaarheid van een bericht in te schatten, door net als Google te kijken naar consensus in berichtgeving. Wanneer meerdere bronnen over eenzelfde feit berichten, is de kans groot dat dit bericht waar is. De software kijkt naar consistentie in berichtgeving en kan dankzij de kunstmatige intelligentie ook gegevens uit verschillende bronnen vergelijken. Onjuiste informatie valt dus eerder door de mand.

Het Groningse Trust the Source ontwikkelt een automatische Nederlandstalige online fact-checker. Door op zoek te gaan naar de bron en verbanden te leggen tussen taalgebruik, locatie en andere kenmerken wordt een inschatting gemaakt van de betrouwbaarheid van een tweet. Een tweet in de ik-vorm door iemand vlakbij de plaats van een incident heeft bijvoorbeeld een hoge betrouwbaarheid. In de toekomst zal ook gekeken worden naar de foto’s en video’s in tweets. De tool kan journalisten helpen bij hun speurwerk.

De toegevoegde waarde van kunstmatige intelligentie zit dus vooral in het opsporen van inconsistente informatie en het ontdekken van bepaalde verspreidingspatronen. Een harde uitspraak doen zoals fact-checkers is een brug te ver. Dit komt omdat het vrijwel onmogelijk is om over alle informatie te beschikken voor het vellen van een sluitend oordeel. Een bericht kan onwaarschijnlijk maar toch waar zijn. Er blijft dus actie nodig zoals het controleren van berichten door observaties ter plekke, van experts of door meerdere betrokken personen te raadplegen.

Labelen of filteren?

Google, Facebook en Twitter gebruiken voortdurend algoritmes om te bepalen in welke volgorde en op welke manier we nieuws in onze tijdlijnen te zien krijgen. Door hun strijd tegen nepnieuws komen daar nieuwe criteria bij. Onwaarschijnlijke berichten krijgen sneller een lage ranking in tijdlijnen en zoekresultaten. Daarmee worden de platformen nog sturender in de informatie die ze ons aanbieden.

Het automatiseren van nepnieuwsbestrijding is interessant maar leidt tegelijkertijd tot meer filtering van informatie en systemen die daarover beslissen. Menselijke controle, nuance en satire, debat en kritische journalistiek ontbreken daarin. De berichtgeving van De Volkskrant over de leugen van Halbe Zijlstra begon met een vermoeden op basis van onwaarschijnlijkheid maar kon pas hard worden gemaakt na gedegen journalistiek onderzoek. Kunstmatige intelligentie mag dan een veelbelovende technologie zijn, het is nog niet de door velen gehoopte oplossing voor nepnieuws.

Lees ook deel 1 van deze serie: Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig.

Lees ook deel 2: Fact-checken: gevecht tegen de bierkaai!?

The post Facebook en Google pakken nepnieuws aan maar kunnen het niet bestrijden appeared first on De Nieuwe Reporter.

Van blockchain naar AI, ontwerpen aan journalistiek vertrouwen

Zou je met de inzet van blockchain fake nieuws te lijf kunnen gaan? Dit vroegen we ons een jaar geleden op Frankwatching af. We dachten aan een systeem waarmee we betrouwbare artikelen van een keurmerk kunnen voorzien. En waarin iedere bewerking en aanpassing van het artikel zichtbaar geregistreerd wordt. Daardoor zouden fictieve berichten wellicht eerder […]

Fact-checken: gevecht tegen de bierkaai?!

The front page of a newspaper with the headline "Fake News" which illustrates the current phenomena. Front section of newspaper is on top of loosely stacked remainder of newspaper. All visible text is authored by the photographer. Photographed in a studio setting on a white background with a slight wide angle lens.

De roep om nepnieuws te bestrijden klinkt steeds luider. Vorige week maakte de Europese Commissie maatregelen bekend om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. Een van de maatregelen is het opzetten van een Europees netwerk van fact-checkorganisaties. In dit vierluik verkennen Maurits Kreijveld en Chris Aalberts wat nepnieuws is en hoe het kan worden bestreden. In dit tweede deel de vraag of fact-checkers nuttig zijn.

Hét antwoord van de traditionele media op nepnieuws zijn fact-checkers. Hierbij wordt een stelling, bewering of uitspraak van iemand op waarheid getoetst. Het is in veel media inmiddels een vaste rubriek geworden: kloppen bijvoorbeeld de beweringen van Thierry Baudet over klimaatverandering? Het antwoord is vaak niet zo simpel: de uitkomst van dit soort fact-checks is regelmatig ‘waarschijnlijk waar’ of ‘grotendeels waar’.

Gespecialiseerde fact-checkers

Internationaal bestaan talloze gespecialiseerde fact-checkers die op grote schaal nieuws controleren. De oudste is de website Snopes die in 1994 is opgericht. Snopes bekijkt de echtheid van foto’s, legt in begrijpelijke taal een wetsvoorstel uit en het controleert allerlei uitspraken en beweringen. Het probeert zich zoveel mogelijk op peer reviewed artikelen en wetenschappelijk onderbouwde feiten te richten en zo min mogelijk op uitspraken van zelfbenoemde experts of uitspraken waarvan je nooit zeker kunt zijn dat er geen verborgen agenda achter zit.

Een andere grote speler is PolitiFact waar men kijkt naar beweringen die Amerikaanse politici doen in persberichten, advertenties en interviews. Regelmatig prikken ze de beweringen van Trump door. PolitiFact controleert onder de naam PundiFact ook uitspraken van experts, opiniemakers, columnisten, bloggers, politiek journalisten en presentatoren van talkshows. De Truth-o-Meter van PolitiFact kent maar liefst zes verschillende beoordelingen die variëren van ‘waar’, ‘half-waar’ tot ‘onwaar’ en ‘pants on fire’ als een uitspraak ronduit belachelijk is.

pants on fire

Daarnaast organiseert en coördineert het Poynter Institute het International Fact-Checking Network (IFCN) dat de kwaliteit van het fact-checken wil verbeteren en borgen. Daarvoor heeft het een ‘code of principles’ ontwikkeld, die door andere media worden gebruikt.

De omgekeerde logica van checken achteraf

Eigenlijk zijn fact-checkers een raar fenomeen, want alles wat journalisten schrijven zou waar moeten zijn. Het fenomeen past in een versnelling van het nieuws waarbij berichten worden verspreid nog voordat ze gecontroleerd zijn. In plaats van dat de lezer na afloop een nieuwsfeit verneemt via de krant, is hij onderdeel van het nieuws als het nog aan het ontstaan is.

We kennen dit van live verslaggeving bij rampen: er wordt vanaf het prille begin door journalisten gespeculeerd, ook als er nog formeel weinig bekend is over de gebeurtenissen. Media brengen continu updates en herroepen daarmee soms hun eerdere verslaggeving. We zien dus een verschuiving in de journalistiek in de richting van weergeven wat er gebeurt terwijl het gebeurt, en uitspraken waarvan het waarheidsgehalte (nog) niet zeker is.

Eyeballs, clicks en views

Dat er tijdelijk mogelijke onwaarheden worden verspreid lijkt voor nieuwsmedia steeds minder een probleem. Zolang de reputatie van het medium niet in het geding komt en zolang het maar veel eyeballs, clicks en views oplevert: dat is sneller, goedkoper en commercieel aantrekkelijker. Juist sensationele verhalen of uitspraken die een grote kans hebben om onwaar te zijn, leveren veel clicks op.

Dit is niet los te zien van de trend dat kwaliteitsjournalistiek onder druk is komen te staan. Dit maakt het vaak te duur om uitgebreid onderzoek te doen. Het is commercieel niet interessant zo streng te zijn wat wel en niet waar is. Dit maakt de wereld van nieuws, feiten en meningen nog diffuser. Zeker wanneer de burger niet de volledige nieuwsberichtgeving volgt maar flarden van de live discussie meekrijgt en niet goed kan inschatten wat daarvan waar is.

Misschien dan toch maar vertrouwen op de hulp van gespecialiseerde fact-checkers? Bij het initiatief Nieuwscheckers van de Universiteit Leiden controleren studenten berichten die door gebruikers van Facebook zijn gerapporteerd als mogelijk nepnieuws. Studenten doen dit werk als onderdeel van hun studie. Berichten moeten eerst gemeld worden voordat ze worden onderzocht.

Vechten tegen de bierkaai

Het is de vraag of fact-checken een rendabele business is. Ook voor gespecialiseerde fact-checkers is er maar beperkt geld beschikbaar en zijn de advertentie-inkomsten beperkt. Ministers juichen fact-checkers toe maar investeren er vooralsnog niet in. De studenten aan de Universiteit Leiden doen hun werk gratis. Het aantal berichten en beweringen is enorm, het aantal fact-checkende personen is zeer beperkt: tientallen per instituut, misschien honderden wereldwijd.

Dat brengt willekeur met zich mee: alleen berichten die veel opschudding hebben veroorzaakt, die aangemeld worden of in het oog springen worden gecheckt. In het ideale geval zou dit systematisch gebeuren. In verkiezingstijd zou je bijvoorbeeld willen, dat er net zoveel gekeken wordt naar uitspraken van linkse als rechtse politici en niet naar diegene waarvoor het meest betaald wordt of die het meest (of minst) bij de politieke kleur van het fact-checkende medium past. Zo beschuldigen de Amerikaanse Conservatieven fact-check-organisaties van een ‘liberal bias’: een voorkeur voor liberale ideeën. Politici als Geert Wilders beschuldigen de publieke omroep al jaren van een linkse voorkeur.

Hoewel veel fact-checkers de ‘code of principles’ van het IFCN hanteren is het de vraag of alle uitspraken zich zo gemakkelijk van achter een bureau door studenten of journalisten laten checken. Eigenlijk moeten ook de uitspraken van fact-checkers regelmatig worden gecontroleerd.

Fact-checkers kunnen dus wel een bijdrage leveren aan de bestrijding van nepnieuws maar ze kunnen het probleem nooit volledig oplossen: er is simpelweg te veel werk. De hoeveelheid te controleren informatie op bijvoorbeeld Facebook is vrijwel oneindig. Er zijn dus andere methoden nodig. In onze volgende bijdrage kijken we hoe diverse spelers proberen om nepnieuws geautomatiseerd te bestrijden.

Lees ook deel 1 van deze serie: Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig.

The post Fact-checken: gevecht tegen de bierkaai?! appeared first on De Nieuwe Reporter.

Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig

The front page of a newspaper with the headline "Fake News" which illustrates the current phenomena. Front section of newspaper is on top of loosely stacked remainder of newspaper. All visible text is authored by the photographer. Photographed in a studio setting on a white background with a slight wide angle lens.

De roep om nepnieuws te bestrijden klinkt steeds luider. Vanochtend lekten de maatregelen uit die de Europese Commissie wil nemen tegen de verspreiding van nepnieuws. In dit vierluik verkennen Maurits Kreijveld en Chris Aalberts wat nepnieuws is en hoe het kan worden bestreden. In dit eerste deel de vraag: wat is nepnieuws eigenlijk?

Nepnieuws raakt de democratie in haar hart: alleen als burgers goed geïnformeerd worden kunnen zij een mening vormen en hun politici kritisch controleren. Traditionele nieuwsmedia hebben hun gezag bij burgers echter deels verloren. Die burger krijgt steeds vaker zijn nieuws tot zich via sociale media. Die worstelen al sinds het begin van het internet met trollen en nepberichten. Ook zijn het bekende echoputten: mensen luisteren het liefst naar gelijkgestemden.

Sociale platformen als boosdoener

Facebook, Google en Twitter worden momenteel aangewezen als de grote boosdoeners en verspreiders van nepnieuws. Een aantal politici vindt dat deze platformen verantwoordelijk zijn voor de verspreiding ervan en dus ook voor een oplossing. In diverse landen zijn maatregelen aangekondigd. De grote platformen kregen een zware ondervraging tijdens een hoorzitting in het Amerikaanse parlement. De Britse regering onderzoekt of sociale platformen de status van uitgever moeten krijgen en net als andere nieuwsmedia aan bepaalde regelgeving kunnen worden onderworpen. In Nederland zou zo’n stap betekenen dat Facebook, Google en Twitter onder de mediawet gaan vallen net als televisiezenders en kranten.

De platformen zelf waren tot nu toe erg terughoudend: zij zagen zichzelf vooral als doorgeefluik van informatie en als distributiekanaal, niet als een verwerker of uitgever van nieuws. Inmiddels zijn Facebook en Google gezwicht en drukdoende om de verspreiding van nepnieuws via hun platformen in te dammen. Dat gaat echter niet zonder vallen en opstaan.

Voor we kunnen vaststellen of de aanpak van nepnieuws effectief is moeten we eerst de vraag beantwoorden wat nepnieuws eigenlijk is. Deze term blijkt een verzamelbak van heel veel verschillende verschijnselen. We identificeren er drie.

Type 1: feitelijke onwaarheden

De eerste categorie nepnieuws zijn berichten die feitelijk onjuist zijn: ze gaan bijvoorbeeld over gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan het gaan om getrukeerde foto’s en video’s en foutief geciteerde of genoteerde informatie. Denk bijvoorbeeld aan de getrukeerde foto van Alexander Pechtold die vorig jaar tijdens de verkiezingscampagne door Geert Wilders via Twitter werd verspreid.

Het identificeren van dit soort nepnieuws kan alleen door terug te gaan naar de bron en door de verhalen, foto’s en video’s heel nauwkeurig te analyseren. Met de opkomst van nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie, wordt het achterhalen van vervalste foto’s en video’s een hele nieuwe uitdaging: op basis van stem en gezicht kun je een video maken van iemand waarin je hem alles kunt laten zeggen wat je maar wilt. Fotografieconcern Kodak werkt daarom aan een registratiesysteem voor foto’s waarmee herkomst en echtheid kunnen worden vastgelegd.

Daarnaast kunnen bronnen als de encyclopedie, het weerbericht en de landkaart uitkomst bieden om feitelijke onjuistheden te achterhalen. Naar analogie met de wetenschap: één meting is nog geen bewijs, er zullen meerdere bronnen nodig zijn om vast te kunnen stellen of iets daadwerkelijk is gebeurd.

Type 2: bediscussieerde feiten

Dit ligt lastiger bij onderwerpen waarover de wetenschap of samenleving nog geen consensus heeft bereikt. Bij het klimaatdebat duurde het decennia voor de meerderheid zich uitsprak over de menselijke invloed. Toch wordt deze vandaag de dag nog steeds door een groep bekritiseerd.

Sceptici kunnen de wetenschappelijke discussie gebruiken om verdeeldheid te zaaien. Zo hebben bepaalde lobbygroepen jarenlang twijfel gezaaid over de schadelijke effecten van roken, wat heeft bijgedragen aan een vertraging van het overheidsbeleid om roken aan te pakken (zie bv. ‘The Merchants of Doubt’).

Bij dit type nepnieuws zien we hoe belangrijk reputatie en gezag zijn bij het vaststellen van de betrouwbaarheid van nieuws. In een tijd waarin wetenschappers en media steeds meer gewantrouwd worden en burgers zichzelf overschatten is dit een steeds grijzer gebied geworden.

Type 3: discussie over de context

Nieuws kan ook ‘nep’ worden als uitspraken die letterlijk zijn gedaan uit hun context worden gehaald, vaak door ze te versimpelen. Vaak horen we politici hier na interviews over klagen. Zij herkennen zichzelf niet meer in de weergave van hun eigen woorden. Daar komt nog bij dat lezers of kijkers allemaal hun eigen interpretatie maken van wat er is gezegd. Die vele interpretaties worden vervolgens weer via sociale media verspreid. Hier ontstaat niet direct consensus.

In deze gevallen hebben we dus meer context nodig, ruimte voor wederhoor en moeten we rekening houden met verschillende interpretaties. Ook hier is pluriformiteit van media belangrijk: verschillende interpretaties vanuit verschillende opvattingen en verschillende visies op de wereld. Dat vat je niet samen met één algoritme.

Nepnieuws identificeren

We zien dus hoe complex nepnieuws is en dat er veel categorieën nieuws bestaan waarbij het waarheidsgehalte eerder een inschatting of beoordeling betreft dan een hard meetbaar feit. In veel gevallen is het niet een kwestie van waar of niet waar. Je zou ook gewoon kunnen zeggen dat objectieve journalistiek een illusie is.

Het omgaan met deze complexiteit is natuurlijk de core business van de traditionele nieuwsmedia. Nu hun inkomsten teruglopen, redacties kleiner worden en er met sociale media nieuwe nieuwsbronnen zijn bijgekomen, kunnen zij niet langer alle gepubliceerde en verspreide informatie controleren. Wat daar nu aan gedaan kan worden bekijken we in de volgende afleveringen.

The post Een betere definitie van nepnieuws is broodnodig appeared first on De Nieuwe Reporter.

Page generated in 1,091 seconds. Stats plugin by www.blog.ca