STER onderzoekt adverteren zonder cookies

Deze week kwam STER naar buiten met een onderzoek naar het adverteren zonder cookies. Dit naar aanleiding van het verdwijnen van tracking cookies in de webbrowser. STER biedt sinds het begin van dit jaar contextual advertising aan op de platformen van de publieke omroep en de resultaten zijn nu vastgelegd in een rapport (aanvragen). Conclusie volgens STER is dat je heel goed zonder cookies kan adverteren. Sterker nog, op paramaters als bouncerate, sessieduur, doorklikratio en landingspercentage worden af en toe betere resultaten gehaald zonder cookies dan met cookies.

De reden van het verdwijnen van de tracking cookies is vooral privacy. Linda Worp, productmanager digital bij STER zegt hierover: “”We zagen dat nog maar 10% van onze bezoekers toestemming gaf voor gepersonaliseerde advertenties bij onze video’s. Dit betekent dat 90% van onze bezoekers dus helemaal niet op gepersonaliseerde advertenties zat te wachten. Dan moet je je serieus afvragen of gepersonaliseerde reclame nog van toegevoegde waarde is.” Vandaar het alternatief van contextual advertising.

De basis van contextual advertising (of targeting) is de labeling van de content. Deze kwalificatie is key en wordt door STER heel gedetailleerd doorgevoerd. STER: “Met deze nauwkeurige manier van contextual targeting valt een talkshow als Op1 dus niet meer alleen in het contextkanaal ‘Nieuws en actualiteiten’, maar kijken we op afleveringsniveau naar welk onderwerp aan tafel wordt besproken. Dit kan de ene keer bijvoorbeeld politiek zijn en de andere keer gezondheid.”

Bron: STER

In bovenstaande grafieken is te zien dat in de case van Eliza was here de resultaten zonder cookies beter zijn dan met cookies. De bouncerate (het aandeel van de bezoekers dat na het klikken de pagina heeft gesloten) is lager en de sessieduur en aantal pagina per sessie is langer. Dat kan duiden op een betere kwaliteit van de bezoekers.
Femke Verveen, senior online marketeer bij Eliza Was Here is enthousiast: “Samen met NPO/STER hebben we een displaycampagne opgezet om consent en no consent met elkaar te vergelijken. Wat betreft de bezoekersstatistieken op onze website zien we voor de no consent-groep dat deze goed scoort en soms zelfs beter dan de consent-groep. Een heel mooi, onverwachts resultaat!”

Het rapport bevat nog veel meer cases en verrassende resultaten zoals langere kijktijd voor video zonder cookies. Aanvragen dus. Volgende week komt VINEX met een verslag van een webinar over cookieloos adverteren, dat naast contextual advertising ook ingaat op (centrale) logins voor publishers. Uiteraard zal dat verslag ook hier verschijnen.

 

 

The post STER onderzoekt adverteren zonder cookies appeared first on Mediaonderzoek.nl.

Corona stimuleert mediaconsumptie

Het coronavirus heeft de wereld flink in zijn greep. Niet alleen op medisch gebied, maar ook economisch gezien zijn de gevolgen enorm en nog maar nauwelijks te overzien. De dagelijkse stroom aan informatie rondom het virus is groot en de consumptie daarvan groeit navenant. Zo is het aantal verkochte krantenabonnementen sinds het aankondigen van de maatregelen enorm gestegen, zo meldt krantenaanbiedingen.nl. De groei geldt voor zowel landelijke als regionale dagbladen. Maar er zijn meer ontwikkelingen. Vooral online. Een overzicht.

Op televisie neemt de schermtijd toe. De persconferenties van premier Rutte en zijn ministers zijn koploper in de ranglijst met best bekeken programma’s met uitschieters tot boven de 7 miljoen kijkers. De Stichting KijkOnderzoek (SKO) rapporteert over maart een groei van 10 minuten voor het live kijken ten opzichte van maart vorig jaar en 27 minuten extra schermtijd. Dat betekent dat het non-lineair kijken (o.a. Netflix en uitgesteld kijken) ook flink toeneemt.

Radio geeft een vergelijkbaar beeld. De luistertijd nam volgens het Nationaal Luisteronderzoek (NLO) sinds het begin van de maatregelen toe van 149 minuten in week 10 naar 185 minuten in week 13 (+24%). En de groei van het luisteren beperkt zich niet alleen tot radio. Podcastuitgever Dag en Nacht Media ziet in maart de consumptie met ruim een kwart toenemen ten opzichte van februari tot 5,3 miljoen beluisteringen (bron: Emerce 5 april 2020).

Groei nieuwsconsumptie

Online neemt de consumptie ook sterk toe. NOBO registreert een groei van vooral de nationale en regionale nieuwsportals. Het weekbereik van de vijf grote nieuwsmerken bijvoorbeeld is vanaf week 9, de week waarin de corona-maatregelen in Nederland zijn aangekondigd, zo’n 30% gestegen met RTL Nieuws als uitschieter naar een plus van 140%. Deze laatste wordt mede verklaard door het feit dat de merkdefinitie van RTL Nieuws binnen NOBO is aangepast per 2 maart. RTLZ en RTL Boulevard zijn per die datum ook onderdeel van RTL ‘Nieuws’.

De toename van de online nieuwsconsumptie is ook te zien op genre-niveau. Dat geldt niet alleen voor het bereik (+14% in week 9 t/m 13 ten opzichte van week 1 t/m 8) maar ook voor het aantal pageviews (+45%) en tijd per pageview (+26%). De volumegroei van nieuwsconsumptie is dus op verschillende niveaus zichtbaar.

De toename van de nieuwsconsumptie is gelijkmatig verdeel over de verschillende doelgroepen. In de groep onder de 50 jaar en Nielsengebied Noord was het niveau voor het afkondigen van de corona-maatregelen het laagst, maar de groei in de week 9 t/m 13 is daar het grootst.

De ontwikkeling van de nieuwsconsumptie per Nielsengebied laat eveneens een vrij eenduidig beeld zien. De knik zit in alle regio’s in week 8, al lijkt het zuiden al in week 6 te beginnen met een lichte toename van de nieuwsconsumptie.

Mediamerken

Van alle mediamerken in NOBO is Hart van Nederland het meest gegroeid na de afkondiging van de corona-maatregelen. Voor de aankondiging was het gemiddeld weekbereik 3,5%, in de periode daarna steeg dat naar 9,2%. Hart van Nederland heeft per 16 maart, de dag dat premier Rutte de maatregelen met betrekking tot het coronavirus aankondigde, In het hart van Nederland geïntroduceerd. Dit programma vervangt Shownieuws na Hart van Nederland en is geheel gewijd aan de corona-uitbraak. Mogelijk heeft dat ook z’n weerslag op de online extensie van de formule.

(In verband met de betrouwbaarheid is 2% gemiddeld weekbereik voor de periode week 1-8 als ondergrens gehanteerd)

In de top 10 stijgers zijn uitsluitend merken van vaderlandse bodem te zien. Een deel is afkomstig van een televisieprogramma, een ander deel kent een papieren origineel. Het hoogste bereik in de top 10 stijgers wordt gerealiseerd door Buirenradar, maar we mogen concluderen dat dit buiten de context van het corona-virus valt.

De top 10 stijgers verdeeld naar de vijf Nielsengebieden laat zien dat de bovenste drie merken in elk van de regio’s bovenaan staan. Alleen de volgorde is per regio verschillend.

Tijdstip van de dag

Sinds enige tijd is het mogelijk om de NOBO-cijfers te analyseren naar uren van de dag. Voor het genre nieuws en actualiteiten is een analyse gemaakt naar pageviews, gemeten in week 1 t/m 8 en week 9 t/m 13. Het totaal aantal pageviews is in dit genre is zoals gezegd met 45% toegenomen, de verdeling van die groei is goed te zien in de grafiek.

De nieuwsconsumptie komt in het coronatijdvak eerder op gang en laat vrijwel de hele dag en avond een hoog niveau zien. ’s Middags tussen 14 en 15 uur is er een opleving. Dat is het tijdstip waarop het RIVM dagelijks cijfers bekend maakt over het aantal besmettingen, ziekenhuisopnames en sterfgevallen. Normaal gesproken zit er een dip in de consumptie van nieuws en actualiteiten op dat tijdstip.

Afname mobiliteit

De nieuwsconsumptie is door het coronavirus gegroeid, de maatregelen om de verspreiding tegen te gaan zorgen in sommige sectoren voor een flinke daling zoals de horeca en het toerisme. Hetzelfde geldt voor de mobiliteit. Veel bedrijven zijn dicht en/of er wordt volop thuisgewerkt. Google publiceerde onlangs dat tussen half februari en eind maart ruim een derde van de Google-gebruikers in Nederland minder naar hun werk afreisden. Google ontleent deze gegevens van data uit Android-telefoons en Google Maps. Bewegingen naar horeca, winkelcentra, musea, bibliotheken en bioscopen namen met bijna twee derde (65 procent) af, aldus Google.

De gegevens van Google zijn niet representatief voor heel Nederland, maar de dalende trend is wel goed  zichtbaar in NOBO. In de periode week 1 t/m 8 lag het gemiddelde weekbereik van Google Maps nog op 53%, in week 9 t/m 13 is dit gedaald naar 44%. Dat is een afname van 16%.

De afname van 16% is gelijk verdeeld over de doelgroepen. De bereiksverschillen in de twee perioden tussen de mannen en vrouwen, jongeren en ouderen en in de vijf Nielsengebieden zijn minimaal en variëren tussen de -15% en -17%.

Samenvatting

De coronacrisis is waarschijnlijk nog lang niet ten einde, maar nu al zijn er grote verschuivingen zichtbaar in de mediaconsumptie. Er wordt meer televisie gekeken, langer naar de radio geluisterd, meer podcasts gestart en ook online zijn er veel opwaartse trends zichtbaar. Nieuwsportals zien hun bereik toenemen in alle doelgroepen en regio’s, er worden ruim 40% meer pageviews opgevraagd en de tijd die per pageview wordt besteed stijgt eveneens dubbelcijferig.

De verdeling van de nieuwsconsumptie door de dag heen laat in de periode week 9 t/m 13 een vroegere start zien in vergelijking met week 1 t/m 8 om vervolgens vrijwel de hele dag en avond op niveau blijven met een piek tussen 14 en 15 uur. De mediamerken Hart van Nederland en RTL XL laten de grootste toename zien van het bereik. Die toename is niet alleen bovengemiddeld, maar ook gelijk verdeeld over de diverse regio’s.

De corona-maatregelen van het kabinet hebben tot gevolg dat de mobiliteit in ons land afneemt. Dat is goed zichtbaar in het gebruik van Google Maps. Dat is in een paar weken met 16% teruggelopen naar een weekbereik van 44%. Deze daling geldt in gelijke mate voor de diverse doelgroepen.

Bovenstaande analyse is in opdracht van VINEX/NOBO gemaakt en zal volgende week als nieuwsbrief verschijnen. 

The post Corona stimuleert mediaconsumptie appeared first on Mediaonderzoek.nl.

Laat cybersecurity de mogelijkheden van 5G niet verstoren

Nu steeds meer ‘dingen’ worden gedigitaliseerd, moeten we steeds grotere hoeveelheden gegevens kunnen uitwisselen. 5G geeft hier de gelegenheid toe. 5G is meer dan alleen een beter telefoonsignaal – het is een technologische verandering vergelijkbaar met de komst van vliegtuigreizen, die voor geweldige nieuwe inkomstenmogelijkheden voor bedrijven zorgt. Tegelijkertijd geeft 5G de mogelijkheid verbindingen te voorzien van vrijwel geen vertraging op de lijn. Maar waarom is dat relevant voor cybersecurity?

Kritieke, tijdgevoelige processen – financieel, medisch, militair of anderszins – kunnen nu loskomen van bekabelde verbindingen en in plaats daarvan draadloos 5G gaan gebruiken. Terwijl auto’s met elkaar beginnen te praten, is pauzeren voor een reactie gewoon geen optie. Robotchirurgie vereist niet langer een fysieke kabelverbinding, maar chirurgen kunnen honderden, zo niet duizenden kilometers verwijderd zijn van hun patiënt. Dit creëert een interessant beveiligingsparadigma: aan de ene kant zullen er toepassingen zijn die afhankelijk zijn van het gebrek aan latentie op de verbinding, maar de integriteit van de inhoud zal net zo belangrijk zijn. In dergelijke gevallen zal cybersecurity een cruciale rol spelen, en terwijl veel bedrijven vandaag de dag naar een veel gedetailleerdere segmentering van hun netwerken gaan, zal Zero Trust Networking een kernvereiste worden.

Het concept van Zero Trust werkt volgens het principe “never trust, always verify”. In dit opzicht gaan 5G-netwerken ervan uit dat elke persoon of elk apparaat dat toegang vraagt ​​een potentiële beveiligingsbedreiging is en beperken zij hun toegang tot het specifieke gebied dat ze nodig hebben. Een verbonden auto zou bijvoorbeeld alleen toegang hebben tot de gegevens die hij nodig heeft om te communiceren en een botsing te voorkomen, maar niets meer.

Wat betekent dit voor cloud en mobiel?

5G vermenigvuldigt aanzienlijk het aantal dingen die gegevens kunnen genereren – slimme huizen, slimme auto’s, slimme medicijnen en nog veel meer – maar waar gaan al deze gegevens naartoe en wat is verbonden aan wat?

Sommige gegevensverbindingen zullen ‘mobiel ding’ naar ‘mobiel ding’ zijn in een digitaal netwerk, waarvoor nieuwe beveiligingslagen op mobiele apparaten nodig zijn wanneer deze worden gedigitaliseerd. Anderen zullen gegevens doorgeven aan big data-analyse en AI om slimme geautomatiseerde resultaten op te leveren. De cloud is gewoon een kruising van enorme schaalbaarheid om de gegevens zowel op tempo als op schaal te verzamelen en te verwerken. Met zo’n groot potentieel voor gegevensverwerking, is de focus op sterk geautomatiseerde schaalbare cybersecurity die ervoor zorgt dat de gegevens niet worden gewijzigd – en AI niet wordt beschadigd – van cruciaal belang. Naarmate het digitale leven met 5G sneller wordt, zal puur op menselijke cyberinterventie vertrouwen eenvoudigweg geen gelijke tred houden.

Cybersecurityhoofdpijn genezen

Met het vermogen van 5G om een ​​ongelooflijk aantal van honderdduizenden apparaten per vierkante kilometer te ondersteunen, zal een breed scala van sectoren hiervan profiteren. Deze vooruitgang maakt wijdverbreid gebruik van autonome auto’s mogelijk, terwijl de kortere tijdsvertraging werknemers, zoals een technicus, in staat stelt om door een complexe reparatieopdracht te worden geleid met behulp van high-definition in-vision augmented reality via een 5G-verbonden headset, ongeacht waar ter wereld ze ook zijn, en zo helpen bij het verlichten van het tekort aan vaardigheden in bepaalde sectoren.

5G veroorzaakt echter ook cybersecurityhoofdpijn die deze voordelen kan ondermijnen als ze niet vooraf worden aangepakt. Een door 5G aangedreven wereld zal meer met elkaar verbonden raken naarmate gegevens worden gedeeld tussen apparaten en applicaties. Dit vergroot het oppervlak voor cyberaanvallen enorm, waardoor er meer mogelijkheden zijn waar hackers toegang kunnen krijgen tot een netwerk.

Autonome auto’s zullen gegevens delen met andere voertuigen, verkeersbeheersystemen en lokale communicatie-infrastructuur. Soortgelijke interconnectiviteit zal gelden voor robots, wearables, mixed-reality-toepassingen en detailhandel. Als hackers toegang krijgen tot de netwerken voor auto’s zonder bestuurder, chirurgische robots of andere verbonden apparaten, kunnen ze de veiligheid van gebruikers bedreigen, laat staan ​​dataveiligheid en bedrijfsvoering.

Kwetsbaarheden voorkomen

Cybersecurity moet aanwezig zijn om aanvallen en kwetsbaarheden te voorkomen die gebruikmaken van deze snelle datastromen die over nieuwe 5G-netwerken lopen. Effectieve cybersecurity verkort de tijd die bedreigingen nodig hebben om het netwerk te raken en versnelt het responspercentage van het netwerk bij het analyseren van gegevens op bedreigingen.

Er zullen echter ook uitdagingen zijn die de enorme hoeveelheid gegevens die over het 5G-netwerk bewegen, samen te voegen. De technologie van de volgende generatie vertrouwt op duizenden mini-antennes die op gebouwen en lantaarnpalen worden geplaatst en signalen naar apparaten sturen. Een gegevensstroom op één apparaat beweegt tussen meerdere antennes. Logs tonen drie seconden gegevens van één antenne, vervolgens een afzonderlijke stroom terwijl het apparaat gedurende vijf seconden naar een andere mast wordt overgedragen, enzovoort, terwijl de gebruiker het netwerk doorkruist. Die door elkaar gegooide gegevens moeten worden samengevoegd en gesorteerd om het landschap van bedreigingen te begrijpen, een zeer complex proces, maar een oplossing die met geavanceerde beveiligingsoplossingen opgelost kan worden.

Superkrachtig

Er is geen twijfel dat het 4G-netwerk met vergelijkbare moeilijkheden wordt geconfronteerd, maar 5G creëert een superkrachtige versie van de huidige uitdagingen, zodat cybersecuritymedewerkers hun beschermende maatregelen moeten verdubbelen.

Het is van essentieel belang voor bedrijven om het risico van derden in de gaten te houden en ervoor te zorgen dat organisaties in de supply chain sterke cybersecuritycontroles hebben. Gezondheidszorg, connected cars en Industry 4.0 worden met 5G samenwerkende ecosystemen. Een overzicht van alle betrokkenen in de supply chain is cruciaal. Dat betekent dat alle spelers moeten worden geïdentificeerd die aan de service bijdragen en ervoor zorgen dat ze allemaal veilig zijn.

Fundamentele pijlers

Er zijn drie fundamentele pijlers voor het succesvol implementeren van 5G cybersecurity:

  1. Verminder het risico via Zero Trust-netwerken, omdat 5G je aanvalsoppervlak vergroot
  2. Je kunt iets dat niet zichtbaar is, niet beveiligen. Zorg dus voor correlatie van gegevensstromen in een roamingwereld en zichtbaarheid van het ecosysteem van leveranciers
  3. Zorg ervoor dat je cyberbeveiliging de verminderde tijdsvertraging en enorme toename van gegevens kan bijhouden

5G-services gaan nu live in verschillende steden en de landelijke dekking zal het komende jaar worden uitgebreid en een brede beschikbaarheid wordt voorspeld in 2025. CISO’s, hun teams, ondersteunende bedrijfsleiders en de cybersecurity-industrie hebben in eerdere digitale transformaties met groot succes en positieve uitkomsten samengewerkt. Als we allemaal de lessen van moderne cyberbeveiliging rond Zero Trust, cloud en automatisering blijven toepassen en aanpassen, dan is het beveiligen van 5G een haalbare taak, ondanks de uitdagingen die ons te wachten staan.

Over de auteur: Greg Day is vice-president en CSO EMEA bij Palo Alto Networks.

Site reliability engineering: een pragmatisch antwoord op DevOps?

Het leveren en stabiel houden van moderne webapplicaties is steeds vaker een samenspel tussen ontwikkelaars en systeemspecialisten. Om efficiëntie in dit proces te behalen worden continu nieuwe invalshoeken bedacht, want wie efficiënt is heeft een streepje voor op de concurrent. Grote techbedrijven als Google, Facebook en Amazon nemen het voortouw en bedenken zelfs compleet nieuwe IT-disciplines, zoals ‘Site Reliability Engineering’. Wat houdt zo’n functie precies in?

Site Reliability Engineering (SRE)

Het zal je vast niet verbazen hoe complex de IT-omgeving van Google is. De miljoenen mensen die dagelijks de zoekmachine gebruiken of de productiviteitsapps van Google doen nogal een beroep op de cloudinfrastructuur van de techgigant uit Silicon Valley.

Begin 2000 liep Google tegen wat problemen aan. Om de infrastructuur stabiel te houden waren systeembeheerders druk in de weer, vooral wanneer ontwikkelaars nieuwe wijzigingen toevoegde aan een van de Google producten. Dat ging ook wel eens mis, want ontwikkelaars en systeembeheerders zijn twee verschillende bloedgroepen die elkaar niet altijd begrijpen. Ontwikkelaars willen snelheid en vaak nieuwe functies leveren. Systeembeheerders willen stabiliteit en veiligheid van de software.

Van oudsher zijn ontwikkelaars (hierboven: developers) en systeembeheerders (hierboven: operators) twee verschillende doelgroepen die elkaars disciplines niet altijd goed snappen. Dat komt door conflicterende belangen. Er staat een soort metaforische muur tussen beiden. Bron afbeelding: Google.

Google bracht daarom een nieuwe rol tot leven: de Site Reliability Engineer (SRE). Deze persoon werd gezien als brug tussen ontwikkelaar en systeembeheerder. Een SRE-specialist heeft verstand van software-engineering en weet dit toe te passen binnen infrastructuur en dagelijkse operaties. Site Reliability Engineering werd als snel een ‘geheim’ middel waarmee Google hoogschaalbare systemen in een snel tempo stabiel kon leveren.

DevOps en Site Reliability Engineering

Misschien vind je Site Reliability Engineering zoals hierboven omschreven een beetje lijken op de term DevOps, een term waar letterlijk de twee IT-disciplines zijn samengesmolten (developers en operators). Heel gek is die associatie niet. Google zelf ziet namelijk veel parallellen Site Reliability Engineering en DevOps, maar dan een stuk pragmatischer. Toch zijn er belangrijke verschillen.

Om in het programmeerhoekje te blijven: Google ziet Site Reliability Engineering als een ‘class’ die DevOps implementeert. DevOps op zichzelf bestaat uit een flink aantal abstracte begrippen die bovendien voor elk bedrijf weer anders te interpreteren zijn. Je kunt de twee begrippen dus eigenlijk niet met elkaar vergelijken. SRE gaat over het praktische, DevOps is meer een soort managementfilosofie die de hele organisatie raakt.

Kernconcepten DevOps en Site Reliability Engineering

In een talk op Configuration Management Camp legt Seth Vargo, engineer bij Google Cloud Platform, uit wat de overeenkomsten zijn tussen de twee begrippen. Zowel DevOps als SRE gaan (in ieder geval bij Google) uit van dezelfde kernconcepten:

Reduceren van silo’s: door ontwikkelaars en systeembeheerders fysiek bij elkaar te brengen ontstaat er meer begrip voor elkaars werk en een betere samenwerking.

Falen accepteren als normaal: je kunt ervan uitgaan dat er iets stuk gaat, accepteer dit en implementeer methoden en systemen om hierop te reageren.

Stap voor stap veranderingen doorvoeren: software lever je niet meer via de watervalmethode, maar stap voor stap. Dit maakt het leveren van software een stuk kleiner, sneller en daarmee overzichtelijker.  

Tools en automatisering gebruiken: automatiseer wat je kunt automatiseren en integreer technologiestacks die door zowel voor development als systeembeheer te gebruiken zijn.

Alles meten wat je kunt meten: meten is weten. Gedeelde metrics (bijvoorbeeld op het vlak van application performance monitoring) geven inzicht aan metingen die zowel voor ontwikkelaars als operators belangrijk zijn.

Wat maakt Site Reliability Engineering anders?

In de kern gebruikt een Site Reliability Engineer software als gereedschap om infrastructuur in te richten en te beheren, dit noem je ook wel infrastructure as code. In plaats van wijzigingen doorvoeren op de hardware doet een SRE-specialist via allerlei slimme software. 

Software defined

Tools als Terraform, maar ook configuratiemanagementtools als Chef en Ansible behoren tot het standaard arsenaal van de Site Reliability Engineer. Met dit soort tools kan de SRE’er veelvoorkomende taken automatiseren, denk aan standaardinstellingen in een database of automatische installaties van complete (virtuele) servers waarbij veel herhaalbaarheid voorkomt.

Veel van dit soort infrastructure-as-a-code tools integreren bovendien naadloos met Kubernetes, de populairste open-source orkestrator voor containers op het moment.

Standaard receptuur

Menig SRE’er bedenkt van tevoren ‘recepten’ voor alle software (denk aan besturingssysteem, maar ook databasesoftware, firewalls enzovoorts) die nodig zijn om een website of complexe webapplicatie te runnen.

Door dit in een keer goed uit te denken is het niet alleen mogelijk om sneller nieuwe software op te leveren, maar ook sneller te zien waar de mogelijke gevaren zitten. Standaardisatie zorgt ook voor snelheid en veiligheid. Maar ook; stabiliteit. Want in de standaard receptuur worden ook tests geprogrammeerd die de impact van een wijziging op de stabiliteit van de omgeving controleren.

Deze tests worden geïntegreerd in een CI/CD pipeline zodat vooraf gesignaleerd kan worden of er iets stuk gaat wanneer de applicatie wordt geleverd.

Toil laag houden

Google zelf zegt dat dertig procent van de ‘outages’ (uitval van systemen) in het verleden werd veroorzaakt door configuratiewijzigingen. Door hier vooraf goed over na te denken kun je dus mogelijk uitval van systemen voorkomen. 

Voor een SRE-specialist is het belangrijk om inzicht te hebben in het aantal wijzigingen zodat er ook zicht ontstaat waar geautomatiseerd kan worden. De Site Reliability Engineer is erop gedreven op zijn ‘toil’ zo laag mogelijk te houden, dat zijn alle handmatige aanpassen waar de specialist mee te maken heeft. Het schrijven van scripts voor het (geautomatiseerde) leveringsproces van de applicatie is een van de manieren om dit te doen.

Geavanceerde monitoring

Ander belangrijk gereedschap voor Site Reliability Engineers is monitoring. Letterlijk alles binnen een IT-omgeving is te monitoren. Met geavanceerde applicatiemetricstool worden bijvoorbeeld gegevens getoond die voor developers als operators interessant zijn.

Denk aan beschikbaarheid van het winkelwagentje in een e-commerce-omgeving. Dat is zowel voor ontwikkelaars als beheerders relevant om in de gaten te houden, omdat hier dé belangrijkste transactie voor een webshop plaatsvindt. Ontwikkelaars willen weten of er bugs in dit proces plaatsvinden, beheerders willen weten of dit gedeelte van de website veel verkeer aankan (zeker in een campagneperiode!). Een SRE-specialist houdt ze dus beiden in de gaten.

Een belangrijke metric die de SRE-specialist ook in de gaten houdt is de toil, oftewel het percentage handmatige handelingen dat nog verricht wordt. Hiermee meet de Site Reliability Engineer hoeveel tijd hij/zij kwijt is aan een handeling. Overigens is een toil van 0% ook niet altijd wenselijk. Want je kunt ook veel tijd spenderen aan automatisering in systemen of processen die op korte termijn uitgefaseerd worden.

SLO’s, SLI’s 

Maar hoe weet je nou als Site Reliability Engineer wat er dan geautomatiseerd moet worden? En wat je moet monitoren?

Dat zaken worden vastgelegd in Service Level Objectives (SLO) en Service Level Indicators (SLI). Wellicht ken je al de Service Level Agreement (SLA), afspraken die je met een IT-dienstverlener afsluit waarbij afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld de beschikbaarheid van systemen.

SLO’s en SLI’s zijn meer interne kwesties. In een SLO wordt vastgelegd wat de doelstellingen van de samenwerking zijn, bijvoorbeeld tussen de afdeling development en systeembeheer. In een SLI bepaal je vervolgens waarop je gaat meten, de indicatoren. En hier kan dan geen discussie over ontstaan op de werkvloer, want dit als bedrijf met elkaar afgesproken.

Een Site Reliability Engineer gebruikt deze afspraken als kompas voor de dagelijkse werkzaamheden, en bijvoorbeeld om te bepalen wat belangrijk is om wel of niet te automatiseren. Deze afspraken zijn natuurlijk per bedrijf verschillend, maar extreem waardevol volgens Google omdat ze gesteggel over prioriteiten uit de weg gaan. En dan kun je gewoon aan het werk.

Site Reliability Engineering: niet voor iedereen

Is het dan noodzakelijk om direct Site Reliability Engineers in te huren voor je bedrijf? Dat is nog maar af te vragen. Vooralsnog lijken de principes van Site Reliability Engineering met name toepasbaar voor bedrijven die zeer complexe webapplicaties hebben waarbij veel wijzigingen worden gedaan in verschillende gedistribueerde systemen. Zoals de Google’s, Facebook’s en Amazon’s van deze wereld.

Maakt je bedrijf nog gebruik van een monolithische applicatie-infrastructuur in plaats van een microservices applicatie-infrastructuur, dan heeft het waarschijnlijk weinig zin om hele concrete stappen te zetten met SRE.

De eerste stap die je dan als bedrijf moet zetten is het verwerken van je applicatie naar een moderne applicatie-infrastructuur die bijvoorbeeld is opgebouwd via de Twelve Factor disciplines. Met die methodiek ga je ervan uit dat webapplicaties bestaan uit allerlei losse softwarestukjes (ook wel: microservices) die slim met elkaar verbonden zijn.

Desondanks valt er genoeg te leren van bepaalde principes uit Site Reliability Engineering en om die te implementeren in de huidige business. Denk alleen al aan het opstellen van SLO’s en SLI’s, of het implementeren van tools die zowel applicatiemetrics als operationele metrics voor je kunnen meten.

Video: verschillen DevOps en SRE

Nog even in een kleine drie minuten de verschillen tussen Site Reliability Engineering en DevOps zien? Bekijk dan onderstaande video van twee Googlers.

Om video’s van Youtube te kunnen tonen, dienen analytische cookies en tracking cookies geaccepteerd te worden.

“SRE class implements DevOps”

Duidelijk is dat Site Reliability Engineering en DevOps elkaar complimenteren, als je uitgaat van de voorbeelden van Google tenminste. Ook duidelijk is dat de twee termen niet met elkaar kunt vergelijken. Site Reliability Engineering lijkt met name een begrip te zijn dat DevOps uit het abstracte haalt en concretiseert. SRE is niet voor iedereen interessant, tenzij je te maken hebt met gedistribueerde systemen waar vele wijzigingen plaatsvinden.

Wil je hier meer over leren, dan kun je ontzettend veel gegevens vinden op de speciale website van Google hierover, waar je precies kunt leren hoe Google hun productie-omgevingen hanteert en wat de rol van Site Reliability Engineers hierbij is. Er zijn zelfs gratis complete boeken over te downloaden. Doe er je voordeel mee!

Over de auteur: Kilian Drewel werkt als content marketeer bij True.

Aandacht en currency

De publicatie van het Screenforce TV Jaarrapport is altijd aanleiding voor een goed bezocht event. Zo ook dit jaar, zij het dat de board van Screenforce afgelopen vrijdag nog ‘koortsachtig’ overleg heeft gevoerd om de bijeenkomst van dit jaar wegens de ontwikkelingen rond het Corona-virus eventueel af te gelasten. Screenforce-voorzitter Frank Volmer (Ster) legde aan de ruim 200 ‘Hallen-bezoekers’ uit dat er zorgvuldig is gekeken naar de richtlijnen van het RIVM en dat er vooralsnog geen belemmeringen zijn voor een event als dit. Dat geeft Screenforce-directeur Michel van der Voort de ruimte om het TV-jaar 2019 te schetsen vanuit de kijker en de adverteerder.

De schets van de TV-markt begint met goed nieuws. De schermtijd – de tijd dat we voor het televisiescherm zitten – is na twee jaar van daling weer toegenomen en komt in 2019 uit op 192 minuten per dag. Binnen die schermtijd is er ten opzichte van 2016 (ook 192 minuten) wel een en ander veranderd. De lineaire kijktijd bedroeg toen nog 160 minuten, in 2019 noteerde SKO 136 lineaire minuten. Daartegenover staat een stijging van de non-lineaire kijktijd van 32 minuten in 2016 naar 56 minuten in 2019.

Steeds complexer meetdomein

De cijfers zijn tekenend voor de ontwikkelingen die zich op dit moment afspelen in de TV-markt. Sjoerd Pennekamp, directeur van de Stichting KijkOnderzoek, kwam daar later op de middag nog op terug in het kader van het aanstaande bereiksonderzoek voor televisie, radio, print en online.  Aanvankelijk liet televisie zich eenvoudig meten met alleen lineaire zenders, maar in de loop van de tijd kwamen daar digitale devices en dito distributiekanalen bij, waardoor het TV-scherm niet meer het alleenrecht had van alleen maar TV-zenders. Enerzijds bieden andere videodiensten zich aan op het TV-scherm, anderzijds bieden TV-zenders hun content aan op andere platformen dan alleen maar het TV-platform, aldus Pennekamp. Dat gebeurt niet alleen op televisie, maar ook radio en print hebben met deze ontwikkelingen te maken. Vandaar ook de roep om een vernieuwd bereiksonderzoek, dat op dit moment in ontwikkeling is.

TV ZenderTotaal en schermtijd

Als opmaat naar de vernieuwde ontwikkeling heeft SKO in 2019 de definities aangepast van het TV-kijken. Er wordt sinds begin vorig jaar onderscheid gemaakt naar het kijken naar zenders (live en uitgesteld) en het kijken via harddisk, DVD en devices als Apple TV, Chromecast of andere devices die gekoppeld zijn aan het TV-scherm. Het zenderkijken wordt afgebakend als TV ZenderTotaal. Samen met het niet-zenderkijken zoals HD, DVD of streamingdiensten ontstaat de totale schermtijd.

Dit biedt adverteerders nieuwe kansen om de ‘kijker’ te bereiken. Dat blijkt ook uit de omzetcijfers van 2019. De totale markt voor TV-reclame groeide met 0,9% naar € 829 miljoen, waarbinnen online video met maar liefst 9,4% groeide. Hierin vallen de commercials en non-spot uitingen die via de online kanalen van de Screenforce-zenders zijn gedistribueerd. Online video op de TV-platformen groeit dus bovengemiddeld. De toename van de bestedingen is vooral ontstaan door een druk op de tarieven; de gemiddelde kosten per GRP zijn toegenomen. Het aantal adverteerders, merken en uitgezonden commercials zijn afgenomen in 2019.

Rapportcijfer 2019

Van der Voort geeft 2019 dan ook een 6- als rapportcijfer. In het onderwijs geldt 6- in principe als voldoende, maar de aantekening bij een 6- is altijd ‘als er geen verbetering optreedt wordt het een 5’. Screenforce zet dan ook alles op alles om ervoor te zorgen dat het rapportcijfer voor 2020 hoger uitvalt dan een 6-. Grote events als het Eurovisie Songfestival, EK Voetbal, Grand Prix Zandvoort en de Olympische Spelen in Tokyo gaan daar ook zeker aan bijdragen. Daartegenover staan de onzekerheden rond de gevolgen van de Brexit, de handelsoorlogen van Trump, de effecten van het Corona-virus en de verdere opmars van de techreuzen zoals Google en Facebook. De prognose is vooralsnog 1,5% tot 2% groei in omzet in 2020.

De vorming van het nieuwe bereiksonderzoek TMAM is een van de drie speerpunten van Screenforce. Daarnaast speelt de veranderende wetgeving rond (TV-) reclame een grote rol in het beleid van Screenforce als ook het toenemende aantal platformen waarop video-campagnes op TV en online gepland kunnen worden. Aanvankelijk TV-gericht, maar ook is digitaal en online video steeds meer gemeengoed.

TV is nu meer dan alleen zenders

Zweden loopt wat dat betreft voor op de ontwikkelingen hier. Screenforce haalde Mikael Ekelöf, Director of Sales and Business Development bij het Zweedse TV4, naar De Hallen om ons het beeld voor te houden waar het naartoe zou kunnen gaan. Ekelöf is nog steeds overtuigd van de sterke positie van televisie, maar ziet ook in dat de opmars van online video sterk is en die ontwikkeling is inmiddels volledig omarmd door TV4. “TV bestaat niet alleen meer uit lineaire zenders. TV is breder en groter.”

Om dat grotere TV-domein goed te kunnen meten heeft in Zweden een aanzienlijke uitbreiding van het ‘kijkpanel’ plaatsgevonden. Aanvankelijk namen 1.350 huishoudens deel aan het kijkonderzoek, op dit moment participeren 3.000 huishoudens met in totaal 6.250 personen, waarvan ook de demographics bekend zijn voor zowel TV als online video en waar met één currency wordt gerekend. De paneldata wordt aangevuld met censusdata van comScore en door GfK geïntegreerd tot één geheel.

Voordelen grote panel

Dankzij de vergroting van de steekproef zijn de uitkomsten van het Zweedse TV-Kijkonderzoek robuuster geworden, de afwijkingen rondom het gemeten bereik van de afzonderlijke TV-programma’s zijn kleiner geworden. Het tweede grote voordeel van de uitbreiding is volgens Ekelöf de afname van het aantal ‘zero-spots’. Dat zijn commercials met 0% kijkdichtheid of bereik zo u wilt. Bij Kanaal 7 daalde het aantal zero-spots van 21% naar 8%, bij TV4 is het aantal zero-spots na de uitbreiding van het panel tot bijna nul gereduceerd. Het derde grote voordeel van de paneluitbreiding is het beter in kaart kunnen brengen van de AVOD-markt. Last but not least noemt Ekelöf het kunnen berekenen van het netto bereik van TV en online. Voorheen waren dat twee gescheiden entiteiten. Ekelöf tekent daar meteen bij aan dat het meten van online video bereik een lastige operatie is. Wie kijkt wanneer welke content op welk device? En in welke mate wordt er samen gekeken? Browsers, logins en het aantal personen per device gooien regelmatig roet in het eten. Binnen zes maanden hoopt Ekelöf dit opgelost te hebben.

Naast de voordelen voor de publishers zijn er ook voordelen voor adverteerders. Door gerichtere targeting neemt de waste af en de views worden haast gegarandeerd afgeleverd en uitgekeken. Dat levert een nieuwe currency op. Ekelöf spreekt in dat kader van een CPCV, cost per completed view. Transparantie en kwaliteit spelen hier een belangrijke rol in de optiek van Ekelöf.

Aandacht van de kijker

Uiteindelijk gaat het allemaal om de kijker. Die wil hoogwaardige content en het is de kunst van de adverteerder om tussen al die content de aandacht te trekken van diezelfde kijker. Screenforce haalde voor de tweede keer de Australische professor Karen Nelson-Field naar Nederland om ons te leren hoe aandacht werkt. Ze schreef er onlangs een boek over met als titel ‘The Attention Economy and How Media Works’. Zes lessen.

De eerste is dat aandacht vragen in een wereld vol afleiding een lastige opgave is. Adverteerders zijn zich daar niet altijd van bewust. Zij leven in de waan dat de kijker altijd zit te wachten op hun boodschap. Door in te spelen op persoonlijke relevantie en onverwachte impulsen kan de aandacht beter getrokken worden.

De tweede les is een hele logische: zichtbaarheid is essentieel voor aandacht. Onzichtbare advertenties worden niet gezien en generen dus ook geen aandacht. Dat geldt niet zozeer voor televisie, daar is de advertentie altijd volledig in beeld, maar op de diverse online platforms is dat niet altijd het geval. Denk aan ‘onder de vouw’ of snel scrollen.

High en low arousal

Aan het onverwachte besteedt Nelson-Field nog eens extra aandacht in les drie. Ze noemt als voorbeeld de theorieën van professor Jared Horvath, die gespecialiseerd is in het aandacht vragen van kinderen. Door hun verwachtingen en voorspellingen te doorbreken krijg je meteen hun aandacht. Dat kan overigens positieve en negatieve aandacht zijn. Nelson-Field ontwikkelde hiervoor een grid, waarin voor zowel positieve als negatieve aandacht een verdeling is gemaakt naar high en low arousal. Een voorbeeld van positieve aandacht en high arousal is hilariteit of inspiratie. Bij negatieve aandacht met low arousal raken mensen geïrriteerd of gefrustreerd.

Als vierde stelt Nelson-Field dat aandacht niet altijd leidt tot merkvoorkeur. Sterker nog, veel advertenties leggen niet eens de link naar het merk, aldus Nelson-Field. Het kan zelfs gebeuren dat de aandacht in zo’n slechte advertentie in het voordeel van de concurrent kan werken omdat ons brein gewend is om onduidelijkheden zelf op te lossen en gaten onbewust in te vullen.

Onbewuste keuzes

Moet de aandachtsboog dan altijd gespannen zijn om überhaupt het brein in beweging te krijgen? Nee, zegt Nelson-Field. Er gebeurt ook heel veel onbewust, waarbij een geringe mate van aandacht al heel wat kan bewerkstelligen. In een Mindfuck-achtige video wordt duidelijk dat consumenten voorspelbare keuzes maken nadat ze onbewust zijn blootgesteld aan diverse stimuli.

Tot slot wijst Nelson-Field op de clickfraude. Bovenstaande lessen gelden namelijk alleen als er sprake is van menselijke respons. Volgens de World Federation of Advertising (WFA) is 88% van de klikken op een online advertentie frauduleus (lees: geautomatiseerd), waardoor de currencies niet of onvoldoende functioneren.

Nieuwe currency medio 2021

Wijze lessen voor adverteerders, maar ook voor het nieuwe bereiksonderzoek waarin de currency voor televisie en video onder invloed van targeting op termijn zal opschuiven van de kosten per GRP naar CPM. Althans daar gaat Sjoerd Pennekamp (SKO) vanuit. Op termijn. De blueprint voor het nieuwe onderzoek is gereed, de JIC’s zijn er klaar voor, de onderzoeksbureaus zijn er klaar voor, nu alleen de diverse besturen nog. Mochten die snel beslissen dan is een nieuwe currency medio 2021 haalbaar volgens Pennekamp. Dan alleen nog de naam.

De werktitel van het nieuwe onderzoek is TMAM (Total Media Audience Measurement), maar daar is men niet tevreden over. Suggesties zijn welkom en de winnaar krijgt van Michel van der Voort een mooie fles Italiaanse Barolo. Proost!

The post Aandacht en currency appeared first on Mediaonderzoek.nl.

5G helpt bedrijven om de arbeidsproductiviteit te verhogen

Nederland staat voor een economische uitdaging. Ons land kampt met een tekort aan arbeidskrachten en heeft tegelijk te maken met een vertraging van de groei van de arbeidsproductiviteit, de toegevoegde waarde per gewerkt uur. De introductie van 5G kan helpen om de productiviteit verder op te hogen. Bedrijven krijgen namelijk de mogelijkheid meer apparaten sneller met elkaar te laten communiceren en veel data te verwerken. Dit biedt bijvoorbeeld in de industrie, transport en de landbouw kansen om bestaande experimenten meer schaal te geven. Het is wel van belang om nu al op de komst van 5G voor te sorteren. 

Personeelstekort aan de orde van de dag

Het verhogen de productiviteit is van belang, omdat de andere bron van economische groei – het laten groeien van het aantal gewerkte uren – momenteel lastig is. Beveiligers, schoonmakers, industrieel personeel, IT’ers, chauffeurs, verpleegkundigen en tal van andere typen werknemers moeten met een lampje worden gezocht. In vijf jaar tijd is het aantal bedrijven dat het tekort aan personeel als belemmering ervaart toegenomen van vijf naar 25 procent. De tekorten worden versterkt doordat er mismatches bestaan tussen vraag en aanbod van opleiding en ervaring en doordat mensen niet altijd willen of kunnen reizen naar de plek waar werk is. Daarmee lijkt schaarste aan personeel voorlopig aan de orde van de dag.

De economische groei van de laatste jaren leunde goeddeels op een toename in het aantal gewerkte uren. Dit is goed mogelijk zolang er voldoende aanbod van personeel is. Zo maakte de horeca indruk door vanaf 2014 tot en met 2018 met gemiddeld bijna vier procent per jaar te groeien. Horecabedrijven profiteerden van de consument die vaker buitenshuis eet, drinkt en overnacht en hebben aan die vraag kunnen voldoen door in gelijke mate personeel aan te trekken. Het aantal gewerkte uren steeg gemiddeld elk jaar nagenoeg even snel als de toegevoegde waarde van de sector. Wanneer nieuwe medewerkers niet meer voorradig zijn, is het feest voor veel horecabedrijven echter voorbij. 

Om aan de groei van de vraag te blijven voldoen zijn ondernemingen nu meer aangewezen op verhoging van de productiviteit. Ofwel: met hetzelfde aantal medewerkers meer waarde leveren. Helaas is de groei in arbeidsproductiviteit in Nederland juist in het afgelopen decennium sterk vertraagd. Voor de komende decennia wordt het bovendien extra moeilijk om de productiviteit te vergroten, omdat de gemiddelde werknemer ouder wordt. Daarmee zijn er minder werknemers die door scholing en opleiding relatief snel hun productiviteit kunnen vergroten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk dat deze wijze om de productiviteit te verhogen vooral bij jonge medewerkers zijn vruchten afwerpt. 

Inzet van kapitaalgoederen

Een hogere productiviteit zal dus vooral van de inzet van kapitaalgoederen moeten komen, zoals machines, software en robots. In het verleden hebben bedrijven hier al flinke stappen in gezet waarmee ze als exporteurs zeer competitief zijn geworden op de wereldmarkt. Dit loopt uiteen van de inzet van oogstmachines en melkrobots in de landbouw tot automatisering in fabrieken. Arbeidsproductiviteit is dus ook van groot belang voor de concurrentiepositie. 

Bedrijven worstelen op het moment echter wel met het zetten van verdere stappen waarmee de groei op peil kan worden gehouden. Zo blijkt uit cijfers van het Bureau voor de Statistiek (CBS) dat in het jaar 2018 slechts één op de honderd bedrijven heeft geïnvesteerd in arbeidsvervangende automatisering. De lat ligt steeds hoger om de productiviteit verder op te schroeven. In publicaties over de haperende groei in arbeidsproductiviteit wordt verwezen naar de beroemde econoom Robert Gordon, die stelt dat innovaties uit een verder verleden voor een meer fundamentele voorsprong zorgden. Voorbeelden zijn de uitvinding van de stoommachine en elektriciteit en later met de komst van de telefoon en de auto.

Grote zakelijke potentie dankzij 5G

Toch zijn er legio mogelijkheden om stilstand van de groei arbeidsproductiviteit te voorkomen. Veel van die toepassingen zitten momenteel in een experimentele fase. De nieuwe generatie mobiele netwerken 5G maakt het mogelijk om die toepassingen naar een volgende fase te brengen, mits dit goed benut wordt. 

Met die grote zakelijke potentie verschilt 5G van zijn voorgangers, die vooral het leven van consumenten gemakkelijker maakten. Met 4G is de consument namelijk al van vele gemakken voorzien, zeker in Nederland, waar de dekking relatief goed is. Het is al lang al niet meer uitzonderlijk om een tv-serie op de mobiele telefoon te bekijken. Hoewel fervente datagebruikers onder die consumenten zeker oren hebben naar een nog sneller abonnement, biedt 5G vooral kansen voor de zakelijke markt.

Het gaat dan vooral om de ontwikkeling van technologieën waarbij grote hoeveelheden data verwerkt moeten worden. Immers kunnen dankzij 5G veel meer data verwerkt worden met hogere up- en downloadsnelheden. Bovendien kunnen veel meer apparaten dan nu tegelijkertijd informatie uitwisselen via het mobiele internet, waarmee ‘internet of things’-toepassingen ondersteund worden. Een ander belangrijk kenmerk is de communicatie tussen apparaten veel sneller wordt. Er is sprake van ‘low latency’: op het moment dat een signaal wordt verzonden, kan dit in zeer korte tijd ontvangen worden door de ontvanger. Er is dan minimale vertraging in het netwerk Daarbij blijft het netwerk wel slechts een hulpmiddel: de daadwerkelijke innovatie komt vanuit het bedrijfsleven. 

De nieuwe toepassingen die 5G biedt, kunnen helaas niet vandaag in Nederland al grootschalig ten uitvoer worden gebracht. Zo moeten de veilingen van de frequenties nog plaatsvinden, standaarden worden afgerond en een dichter netwerk van zendmasten worden aangelegd. Bovendien spelen discussies rondom privacy en gezondheid, die verder gevoerd zullen worden. De planning van de huidige veiling liep in Nederland aanvankelijk vertraging op doordat een van de benodigde frequenties (3,5 GHz) werd gebruikt als afluisterstation van Defensie. Deze frequentie, met meer economische potentie dan de frequenties die nu geveild worden (700 MHz, 2,1 GHz en 1,4 GHz), wordt in Nederland in 2022 geveild.

Toch is het van belang dat bedrijven nu al voorsorteren op nieuwe mogelijkheden, zodat zij klaar staan zodra de infrastructuur gereed is. Een snelle start is onder meer van belang voor het behoud van concurrentiepositie. Buitenlandse bedrijven zijn zich waarschijnlijk eveneens aan het oriënteren of zelfs al verder, want in veel andere landen is de veiling van 5G-frequenties al eerder gestart. 

Kansen voor industrie en logistieke sector

De kansen van 5G liggen vooral in de mogelijkheid om bestaande processen te verbeteren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de industrie, waar 5G wordt gezien als onmisbare schakel voor een toekomst waarbij productiemachines en hele fabrieken online verbonden worden met hun toeleveranciers, logistieke partners en afnemers. Dit wordt ook wel aangeduid als Smart Industry.

Dankzij de verbinding met het 5G-netwerk kunnen apparaten en machines straks gemakkelijker voortdurend met elkaar communiceren. Zo kan continu in de gaten worden gehouden hoe apparaten en machines functioneren; variaties in trillingen kunnen voorspellen wanneer onderhoud nodig is. Deze verbeteringen leiden ertoe dat minder fouten in het productieproces optreden, apparaten en machines korter in storing zijn dan nu en toekomstige machines beter worden ontworpen. De arbeidsproductiviteit gaat dan dus omhoog. 

Ook voor de logistieke sector schept 5G randvoorwaarden voor een hogere arbeidsproductiviteit. Een voorbeeld hiervan is ‘truck platooning’. Hierbij zijn achter elkaar rijdende vrachtwagens digitaal met elkaar verbonden en rijdt alleen in de voorste een chauffeur, die de snelheid en route bepaalt. De volgende trucks doen dan exact hetzelfde. Op het moment dat de chauffeur remt, doet de volgende vrachtwagen dat vrijwel gelijktijdig. Per persoon kan dan veel meer vracht vervoerd worden. Truck platooning bevindt zich nu nog in de experimentele fase, maar op termijn kan 5G een grootschaliger en bredere toepassing mogelijk maken. 

Groningen al voortvarend bezig met 5G

In Groningen experimenteren bedrijven al dankzij 5G met mogelijke toepassingen voor de logistieke sector. Het betreft pilots met het autonoom laten varen van binnenschepen en voorraadbeheer van een distributiecentrum met behulp van een drone die barcodes scant. Ook met het navigeren van schepen nabij de wal en het automatisch (bijna) realtime meten van het slibgehalte, de stroming en diepte van vaarwegen in Delfzijl en de Eemshaven wordt getest. 

Deze innovaties zijn onderdeel van het initiatief ‘5Groningen’, waarmee de Economic Board Groningen al enkele jaren voortvarend bezig is het met onderzoeken van mogelijkheden van het toekomstige 5G. Vanwege bestaande beperkingen op de 3,5 Ghz-frequentie is hiertoe gebruik gemaakt van ‘carrier aggregation’. Door tegelijkertijd met meerdere 4G-frequenties verbinding te maken kunnen hoge up- en downloadsnelheden worden bereikt. De initiatiefnemers hebben aanbieders van connectiviteit en apparatuur gekoppeld aan ondernemers uit diverse bedrijfstakken. 

Kansen voor de landbouw en de medische sector

Andere experimenten binnen dit initiatief laten de potentie tot het verhogen van de productiviteit in de landbouw zien. Een voorbeeld is een drone die vijf foto’s per seconde van landbouwgrond en de gewassen maakt voor analyse. Zo is direct duidelijk waar eventueel een gebrek is aan water of mest, en waar ziekte dreigt. Een ander agrarisch voorbeeld betreft de ‘smart potatoe’, een ‘digitale aardappel’ die informatie stuurt naar de agrariër over bijvoorbeeld de temperatuur, vochtigheid en kaliumwaarden van en in de bodem. Met dergelijke toepassingen kunnen agrariërs de groei van aardappelen makkelijker bijhouden en controlewerk efficiënter en effectiever inzetten. 

Bovendien wordt in Groningen getest met het laten meekijken van een medisch specialist op afstand, in dit geval bij de patiënt tijdens de rit in een ambulance. Hierdoor kunnen wellicht meer levens gered worden, wat natuurlijk een veel hoger doel betreft dan het verhogen van de arbeidsproductiviteit. 

Grote potentie

5G heeft een grote potentie voor de zakelijke markt. Het is van belang dat bedrijven en regio’s nu al nadenken over de toepassingen die de nieuwe generatie mobiele netwerken kunnen bieden. Het voorbeeld van Groningen verdient navolging over het hele land. 5G wordt een belangrijk hulpmiddel om technologische toepassingen die voor een hogere arbeidsproductiviteit zorgen meer schaal te geven. Het opvoeren van de productiviteit is namelijk het antwoord op het tekort aan personeel en houdt het Nederlandse bedrijfsleven internationaal concurrerend. Het is daarom van belang dat het bedrijfsleven op tijd klaar is om deze stap te maken. 

Over de auteur: Sonny Duijn werkt als sectoreconoom thema’s bij ABN Amro.

Column: Internet is voor de armen

Het internet begon als een idyllische droom van vrijheid en gelijkheid. Van de poetsvrouw tot de president, allemaal kregen we hetzelfde internet. Informatie is kennis, en informatie werd vrij.

Een goede 25 jaar later begint de digitale wereld steeds meer op de echte wereld te lijken. En dan bedoel ik voor de verandering niet zoiets als virtual reality. De digitale klassenstrijd is aan. Het internet is voor de armen. Een premium digitale wereld voor de rijken.

De New York Times staat bekend om zijn prachtige interactieve internet specials. De meest recente gaat over dit onderwerp. En hoe de internetbelofte daarmee niet is waargemaakt. Ook Tim Berners-Lee, de uitvinder van het wereldwijde web, maakt zich zorgen. Hij heeft recent negen principes opgesteld in de hoop dat die het internet beter maken. 

Van de tien geboden tot de 95 stellingen van Luther, in de geschiedenis hebben we tal van pogingen gedaan om met lijstjes menselijk gedrag te sturen. Maar behalve in de vorm van ‘de tien gekste outfits van Kim Kardashian’ werken lijstjes maar met mate. 

Het lijstje met de zeven hoofdzonden is wel een interessante. Want of het nu AI is of social media, het is nooit de techniek of het platform wat het probleem is: het is de mens. De mens voedt AI met vooringenomen data. De mens scheldt en trollt op social media. De mens wil over de rug van anderen geld en macht vergaren. 

De negatieve impact hiervan is net als in de echte wereld ongelijk verdeeld. De rijken trekken zich online terug in met paywalls ommuurde premium omgevingen. We kopen er privacy en kwaliteit. Buiten die veilige muren is het steeds meer voor de armen. Gevolgd door trackers voeden ze het internet met hun data. De zevende hoofdzonde ‘gemakzucht’ wordt onze val. We geven onze data in ruil voor gebruiksgemak. Data waarmee we steeds slimmer zijn te manipuleren.

Gelukkig is er aan de andere kant het boek ‘de meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman. En als je kijkt langs de trollen en spam, zie je elke dag mensen lief voor elkaar zijn op Twitter. Ook ontstaan er tal van mooie platformen op het internet, die gratis toegankelijk zijn en blijven voor iedereen. Er zit ook zoveel goeds in mensen. Daarom laat ik hierbij mijn lijstjes-cynisme varen en steun van harte Berners-Lee’s initiatief. Go internet!

* Dit artikel verscheen eerder in het decembernummer van Emerce magazine (#175).

Over de auteur: Brechtje de Leij werkt als bobile strategist en schrijft columns voor Emerce.

Dit zijn de mooiste sites van het afgelopen kwartaal

Januari, tijd van lijstjes en overzichten van het beste, leukste, mooiste van het afgelopen jaar. Tevens tijd voor mijn nieuwste overzicht. Vijf sites om geïnspireerd aan het nieuwe jaar te beginnen.

 Cities Talk Back

Lyft, de Amerikaanse concurrent van Uber lanceerde onlangs hun ‘Cities Talk Back’-project. Lyft heeft veel immigranten als chauffeur en laat met dit project de verhalen achter de verschillende migratiegolven van de afgelopen 30 jaar zien. Samen met het Deense, Hello Monday maakten zij deze strakke site met een serie aangrijpende portretten van migranten in het Amerika van nu.

 Canals

Het sideproject van artdirector Marcus Brown en creative developer Aristide Benoist is niet alleen een feest voor het oog en voor liefhebbers van silky smooth interactie, maar ook voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Amsterdam en zijn grachtengordels. Een must om te bekijken. Meer side projects zoals deze please! 

Bruno Simon

Over side projects gesproken: de portfolio site van de Franse developer Bruno Simon is zo’n project waar er in mijn ogen nooit genoeg van zijn. De mix tussen het tonen van je kunnen, heerlijk speelse interactie en mooi werk. Cross met je 4×4 dwars door en over de verschillende hindernissen, en ontdek het prachtige werk uit Bruno’s portfolio. Bekijk dit vooral op je mobiele telefoon.

Dutch Digital Design

De beste Nederlandse bureau’s hebben zich sinds een paar jaar tot doel gesteld, het beste Nederlandse digitale ontwerp te jureren en een podium te geven. Op deze manier wil Stichting Dutch Digital Design nationaal en internationaal meer aandacht vragen voor het kenmerkende werk dat bij Nederland bureaus vandaan komt. Op zoek naar het mooiste digitale werk van Nederlandse bodem? Neem dan een kijkje op deze prachtig vernieuwde site, ontwikkeld door Momkai en Nok Nok Studio.

iFly KLM 2020

Tot slot wil ik voor één keer de schijnwerper laten vallen over een project uit onze eigen studio. Elk jaar creëert Born05 met KLM een special voor het digitale magazine iFly. Een overzicht van dé go-to bestemmingen voor het aankomende jaar. Deze keer aan de hand van twintig souvenirs. Fijne site om alvast je bucket-list voor 2020 compleet te maken.

Over de auteur: Timo Wilbrink is Creative Director bij Born05.

Column: Internet dertig jaar later

Het Internet vierde recentelijk haar verjaardag. Sinds een jaar of dertig kunnen reguliere consumenten er eenvoudig gebruik van maken. En meer dan de helft van de wereldbevolking, zo’n 3,8 miljard mensen, doet dat inmiddels. Daarvan woont weer meer dan de helft in Azië; India and China tellen meer gebruikers dan de Verenigde Staten, Japan, Rusland, Duitsland, Engeland en Frankrijk bij elkaar.

Alweer drie jaar geleden verklaarden de Verenigde Naties toegang tot het internet tot een essentieel mensenrecht. Terecht, het internet redt dagelijks mensenlevens en speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij de onderlinge coördinatie van vluchtelingen in Syrië.

Die verklaring van de VN gaf ook aan dat overheden zich meer en meer realiseerden hoe belangrijk de toegang tot het net inmiddels is geworden.

Rusland zette sociale media massaal in om de Amerikaanse presidentsverkiezingen te beïnvloeden. In Kashmir was de Indiase regering er als de kippen bij om het internet plat te leggen toen ze haar greep op de afvallige deelstaat probeerde te vergroten.

De wereld van de gemiddelde Fortnite speler stond misschien op z’n kop toen Epic Media, de bedenkers van het spel, heel slim een software update via een zwart gat wist te creëren, maar dat is niets vergeleken met de het belang van het internet voor de vrijheid van meningsuiting. Hier in het westen beschouwen we die als volkomen normaal, iedereen kan online zeggen wat hij wil, maar dat is lang niet overal het geval. In Hong Kong werd de afgelopen maanden heel duidelijk dat dit vanzelfsprekende grote goed ook zomaar weggenomen kan worden. Daar werkten sociale media ineens niet meer. Chinezen kunnen zonder slimme VPN-trucs geen gebruik maken van bijvoorbeeld Facebook.

In Iran is geen messenger als Telegram en moet men het doen met ‘eigen’ apps die volop door de autoriteiten worden gecontroleerd. Zo wordt het oude wereldwijde web steeds meer een verzameling van ‘nationale’ afgeschermde webjes.

Ik behoor tot de laatste generatie die de wereld zonder internet nog heeft meegemaakt. Ik behoor ook tot degenen die ontzettend blij waren dat het bij haar geboorte zoveel dissidenten een stem gaf. Die stemmen worden de komende jaren helaas steeds minder luid. Het wordt dertig jaar later tijd het internet opnieuw uit te vinden.

* Dit artikel verscheen eerder in het novembernummer van Emerce magazine (#174).

Over de auteur: Ruud Hendriks is een van de grondleggers van commerciële radio en televisie in Nederland. Hij is commissaris bij Eyeworks, Theodoor Gilissen Bankiers en lid van de Raad van Advies van o.a (reclamebureau) BSUR en lid van de Raad van Toezicht van het Frans Hals Museum. Daarnaast beheert hij Hendriks.tv.

Red het internet van nepnieuws, onrustzaaiers en complottheorieën

Tim Berners-Lee, de uitvinder van het internet, heeft een ‘Contract for the Web’ opgesteld. Dit is een wereldwijd actieplan om onze online wereld veilig, toegankelijk en bruikbaar voor iedereen te maken. Want dat is het nu niet. En hij maakt zich zorgen. Terecht? Met al het nepnieuws, de onrustzaaiers en complottheorieën die zich online vertakken? […]

Globals groeien gestaag naar 70% aandeel

Gisteren publiceerde IAB de adspendcijfers over de eerste helft van 2019. In totaal werd € 1,1 miljard uitgegeven aan online advertenties.  Dat is een groei van 12% ten opzichte van dezelfde periode in 2018. Paid search is veruit de grootste categorie en daarbinnen zal Google ongetwijfeld het leeuwendeel opeisen. Niet voor niets is het aandeel van de globals verder toegenomen en staat het inmiddels op 70%. Ondanks de inspanningen van de lokale partijen lukt het maar niet om de opmars te stuiten. Toch zat er nog niet zo lang geleden wel een dipje bij die globals. Kijk maar:

Als je de halfjaarcijfers vanaf 2015 op een rijtje zet en de ontwikkeling per halfjaar berekent is te zien dat 2016 een beroerd jaar was voor de globals. De groei was slechts 6% en 2% terwijl de lokale publishers 28% en 23% noteerden.

Grafiek 1: ontwikkeling digital adspend naar lokale en globale partijen, eerste helft 2015 t/m eerste helft 2019

Bron: IAB, bewerking Nielsen en Mediaonderzoek.nl

Vanaf 2017 gaat het snel bergafwaarts met de lokale partijen en komen de globals pas goed op gang met uiteindelijk groei van 17% een aandeel van 70% in de eerste helft van 2019. De lokale partijen hebben een zware tijd achter de rug met twee keer een dubbelcijferige afname. De eerste helft van 2019 is weer een heel klein lichtpuntje met een groei van 2%.

Grafiek 2: bestedingsaandelen lokale en globale partijen, eerste helft 2015 t/m eerste helft 2019

Bron: IAB, bewerking Nielsen en Mediaonderzoek.nl

Hoe ver de toename van het aandeel van de globals nog doorgaat is lastig te zeggen. Feit is wel dat de groei al een paar jaar flink doorzet wat aangeeft dat de globals de adverteerders iets bieden wat de locals niet kunnen bieden. Ondertussen wordt er op lokaal niveau wel flink nagedacht over een antwoord zoals samenwerking en overnames. De recente overname van het Nederlandse deel van Sanoma door DPG Media is daar een goed voorbeeld van. CEO Kolkman van Sanoma’s zegt hierover in het persbericht: “We zitten in deze markt in een sterk internationaal concurrentieveld, met ook enorme spelers als Google en Facebook. Dan moet je nadenken over wat op de lange termijn de beste manier is om jezelf te organiseren.”

Verder zegt Erik Roddenhof, CEO van DPG Media, dat de overname hard nodig was. “Google en Facebook hebben een heel dominante positie opgebouwd. We denken dat we hier een mooi alternatief tegenover kunnen zetten, met betrouwbare, lokale mediamerken”, aldus Roddenhof.

Of het aandeel van de globals daadwerkelijk 70% is is overigens lastig te zeggen. De voetnoot onder het rapport van IAB zegt: The digital ad spend figures are based on the analysis of data supplied by 27 participating companies (incl. publishers, advertisers, media agencies, ad networks and techplatforms). The study is conducted independently by Deloitte on behalf of IAB Netherlands. The figures are drawn up on the basis of survey participant input and have not been verified by Deloitte. As a result, no assurance is provided with regards to the accuracy of the information.

Zo lijkt het dat alle input van de 27 deelnemende partijen op een hoop is gegooid, maar dan krijg je volgens mij wel een hoop dubbeltellingen. Het is niet te hopen dat de input van publishers, mediabureaus, adverteerders, advertentienetwerken en -platforms bij elkaar is geteld . . . .

 

 

The post Globals groeien gestaag naar 70% aandeel appeared first on Mediaonderzoek.nl.

The monetization of a viewing minute

Video on Demand (VOD) is hot and with the recent launch of Apple TV+ and Disney+ in The Netherlands, VOD is more in the spotlight than ever. The Dutch television and video market is undergoing an enormous transformation, in which linear television seems to be losing a substantial share. The relationship between revenue from viewers via Subscription Video on Demand (SVOD) and Transaction Video on Demand (TVOD) on the one hand and revenue from advertisers via Spot/Non-Spot advertising and Advertising Video on Demand (AVOD) on the other hand is also beginning to show a visible shift in favour of viewer income. Peter Wiegman from Mediaonderzoek.nl and Berry Punt from Nielsen analysed the development of the economic size of the Dutch video market in the period 2014-2018 and concluded that the market is growing enormously and that a minute of ‘viewing’ by the consumer is increasingly profitable.

To get a good ‘picture’ of the revenues per minute of viewing, it is necessary to map viewing time and consumer and advertiser spend as accurately as possible. This requires different sources for both sides. Let us first concentrate on viewing time.

Viewing time

The viewing time still consists largely of linear viewing, supplemented by time shifted viewing, watching video/DVD/harddisk and streaming services. The viewing behaviour on a television set is largely mapped out by the Dutch viewer audience measurement service (Stichting Kijkonderzoek, SKO), which determines and measures the currency in the Dutch market on behalf of publishers, advertisers, and media agencies.

Until 2018, viewing behaviour on devices other than televisions was part of SKO’s activities. Another source is Media:Tijd, the biennial study commissioned by the joint audience measurement surveys, which maps out, among other things, video viewing on a device other than a television set. Via Media:Tijd it is also possible to calculate the viewing share of the television set compared to other devices for linear viewing, time shifted viewing, “streamed, downloaded or purchased content” and “Other”, including YouTube.

The sum of the SKO figures and the figures from Media:Time provides a very good insight into the viewing time to the TV screen and other devices (see table 1).

The total screen time has declined by 14 minutes in five years. This decrease is entirely due to the linear part, at least, on the television screen. On other devices, the viewing time increased linearly, although the number of two minutes in 2018 is negligible. In 2014, the linear share was still 81%, of which 67% remained in 2018. This is the part where publishers make money with the revenues from advertising. We can therefore add this part to Spot/Non-Spot/AVOD, i.e., the total video consumption funded by advertisers.

The counterparts of Spot/Non-Spot/AVOD are SVOD and TVOD, where the S stands for Subscription and T for Transaction. Netflix is a form of SVOD, Pathé Thuis is transaction based, and so is TVOD. Both forms are by definition funded by the viewer and not by the advertiser. However, there are known hybrid forms, such as a subscription to FOX Sport Eredivisie in which the subscriber is still presented with advertising. In 2020, Videoland will also experiment with a hybrid form, in which a lower subscription fee will be compensated by displaying commercials. Further on, more will be discussed about mixed forms and revenues.

If we count Spot/Non-Spot at AVOD on the one hand and merge TVOD and SVOD on the other, a division is visible, with the advertiser responsible for the first part and the viewer for the SVOD/TVOD part. The distribution of the viewing minutes to both forms is then as follows:

The vast majority of viewing time is still funded by the advertiser, but it is decreasing in volume and share. In 2014, Spot/Non-Spot AVOD still had a share of 89%; in 2018 this decreased to 81%.

Spending and income

To have a good view on the revenue per minute of viewing, the expenditure of both the viewer and the advertiser has been collected over the period from 2014-2018. Advertiser spend comes from Nielsen, the viewer spending is calculated on the basis of Telecompaper data in combination with public data such as subscription prices and information from the Netherlands Film Fund (Nederlands Filmfonds). Note that expenditure on standard TV packages and/or Triple Play packages is not included. These expenditures cannot be directly linked to a viewing minute.

Advertisers

Nielsen reports annually on net spending on TV advertising. Initially, this was ad spend on commercials broadcasted on television, but over the years, online video has also been added. These are the expenditures that advertisers make on commercials around television content, broadcasted on a different platform than television. Think of NPO Start (website / app from public broadcaster for (time shifted) viewing) or the websites of the TV broadcasters themselves.

Expenditure on television advertising is on a downward trend, although in five years’ time it has fallen by only 3% and even increased again in 2018 (+2.5%). Online video (OLV) is growing strongly over the years. Mutual stocks are therefore subject to change. In 2014, the OLV share was still 9%, and five years later it has risen to 20%.

Viewers

With the launch of streaming services such as Netflix and Videoland, consumer spend seems to be a new phenomenon, but nothing could be further from the truth. As early as the 1980s, parties were already busy with pay-TV and decoders. FilmNet, later taken over by Canal+, was a good example of this. For a fixed monthly fee, relatively new films could be watched at regular intervals. At the time, FilmNet was the window between the cinema and television. On demand was not yet there and FilmNet got stuck on a base of about 200,000 subscriptions.

Today, a FilmNet looks very different. It is streamed via IP and can be shared on all kinds of devices and in different households. The offer is numerous and is not limited to films only. Series and documentaries are often part of the standard inventory and there are also plenty of originals.

To be able to calculate the revenue from SVOD, we used data from Telecompaper, which keeps track of the number of subscribers from streaming services on a quarterly basis. Per year we have calculated the average number of subscribers and multiplied it by the applicable subscription prices.  To calculate the average number of subscribers, both regular and trial subscriptions have been included, because it is not possible to distinguish real and trial subscriptions between all the years and all the providers. In addition, standard prices have been used. The revenue as reported concerns Netflix, Videoland, NPO Start, Amazon Prime Video, NL Ziet and RTL XL. The turnover of the other (read: smaller) providers is too small. For TVOD, the figures come from the Netherlands Film Fund (Nederlands Filmfonds, Film Facts & Figures, May 2019).

The revenue from SVOD is by far the largest in comparison with TVOD. Furthermore, TVOD is fairly constant over time, while SVOD has more than quadrupled in five years’ time. Consumers’ total expenditure on Video on Demand will amount to almost € 420 million in 2018. According to Statistics Netherlands (Centraal Bureau voor de Statistiek, CBS), there were 7.9 million households in that year. The VOD budget per household is therefore € 53 per year. In 2014, this was € 16 with 7.6 million households.

Revenue per minute

Adding up the consumer and advertiser spending results in a video market of around € 1.4 billion in 2018. This is an increase of almost 40% compared to 2014.

If the amounts in the chart above are divided by the viewing times as presented previously, an average revenue per viewing minute can be calculated. This is shown in the following graph:

In 2014, the revenues per minute of the viewer and the advertiser were still fairly close to each other.  The advertisers spent € 4.5 million per minute, and the viewers were just above that with € 5 million. Five years later, the advertisers’ revenue per minute increased by more than 30% to € 5.9 million, but the viewers accounted for € 10.4 million. Compared to 2014, this is an increase of more than 200%. In 2018, with € 10.4 million, there is a stabilisation. It is unknown whether this will continue in 2019.

The total revenue per viewing minute is not an addition of Spot/Non-Spot and AVOD and SVOD/TVOD, but a weighted addition based on the corresponding viewing volume. This means that the total is closer to Spot/Non-Spot/AVOD, since that is also where the largest viewing volume is located.

Summary and conclusions

In this article, the viewing time and revenues from Spot/Non-Spot and AVOD on the one hand and TVOD/SVOD on the other hand have been compared to each other over the period 2014-2018. The key figures from the previous analysis are shown in the following table:

It is clear that the growth market is on the side of TVOD/SVOD, where consumer spend has increased from € 125 million to € 418 million in five years’ time. Combined with a 60% increase in viewing time, the revenue has more than doubled in 2018 per minute compared to 2014. The part that is funded by the advertisers’ decreases in viewing volume and yields ‘only’ 30% more per minute compared to 2014. This is of course also a sharp increase and, measured in size, still the largest source of income for broadcasters, although the growth in five years’ time was moderate and Spot/Non-Spot showed a slight downward trend.

Looking at the current shifting proportions, the viewer becomes more important as a source of revenue for video content. A similar trend has also been visible for years in the newspaper market, where subscriber revenues now account for 80% compared to 20% advertising turnover. At the turn of the century, this ratio was still 50/50.

A further optimisation of the revenues per minute could be a hybrid model, where viewers pay a lower subscription fee in exchange for advertising. Hulu recently experimented with this model and learned that only subscriptions led to revenue of $11 per viewer per month, but that a lower subscription fee ($5) plus advertising ultimately yielded $17 per viewer. Videoland is going to experiment with a similar model in 2020, so who knows, the proportions might change there as well. 2020 is also the year in which Disney+ and Apple TV+ for the first time will run for a whole year, so that the shifts outlined above are even more in motion. We’re going to ‘watch’ it. The analysis outlined above at least reflects the trend well and can be refined as more and better data become available in the future.


Context 1: Target groups and shares

The viewing volumes presented are based on the total target group of 6+ (SKO/Television) and 13+ (Media:Time/other devices). If the viewing times of television are divided by age, it can be seen that the viewing time of the young people in particular has declined in recent years. The index compared to 2014 is 53 in the target group of 13-19 year olds. This index increases with the age of the target group.

The target groups differ in size. To have a good picture of the shares per target group, the viewing time must be multiplied by the population size. This is what it looks for 2014 and 2018:

The shares have only increased in the target groups of 50-64 year old adults and those who are 65+ in the past 5 years. Together they account for 61% of the viewing volume in 2018 (compared to 56% in 2014). The remaining share is for target groups under 50 years of age and increased to 39% in 2018 (compared to 44% in 2014).

In the same period, according to Media:Tijd, the viewing share of television as a carrier of video images fell from 93% to 89%. There, too, differences can be seen per age group, with the largest decrease being seen in the 13-34 year old target group.


Context 2: Reception and devices

The growth of SVOD and TVOD thrives on the development of ever smarter TV screens and faster distribution of the signal. In 2014, only 22% of TV sets had access to the Internet; in 2018, this more than doubled to 47%. In the same period, ownership of a media centre such as Apple TV and/or Chromecast increased from 7% to 22%. The use of such devices for watching Netflix or YouTube on a TV screen, for example, is becoming less and less necessary as both TV screens and set-top boxes are increasingly equipped with such apps.

Streaming services depend on digital distribution. This is now at almost 90%, of which cable has the largest share. ADSL and fibre optic cables follow at a distance.

This article was previously published in Dutch.

The post The monetization of a viewing minute appeared first on Mediaonderzoek.nl.

Page generated in 1.267 seconds. Stats plugin by www.blog.ca