Waarom messaging apps steeds belangrijker worden voor nieuws

Een gebrek aan privacy, polariserende online discussies en toenemende commercialisering: Facebookgebruikers posten steeds minder op hun tijdlijn. In plaats daarvan nemen zij in toenemende mate hun toevlucht tot meer private social media, zoals WhatsApp. Ook voor het volgen en delen van nieuws worden messaging apps steeds belangrijker, zo blijkt uit survey-onderzoek. Maar welk nieuws delen gebruikers precies in die appgroepen en wat doen ze ermee?

Met tools als Chartbeat en Google Analytics kunnen nieuwsorganisaties nauwgezet analyseren welk nieuws wanneer de meeste traffic oplevert op Twitter, of welk verhaal het populairst is op Facebook. Voor WhatsApp ontbreken die gegevens. Waar veel social media platformen standaard een zogeheten referrer meegeven als iemand op een link klikt, is dat bij WhatsApp – net als bij Facebook Messenger en andere “dark social media” – niet het geval.

Het gevolg: nieuwsorganisaties hebben weinig zicht op welk nieuws binnen messaging-apps wordt gedeeld en hoe en waarvoor zulk nieuws wordt gebruikt. Ook vanuit de wetenschap is weinig bekend over hoe mensen nieuws op WhatsApp ervaren en wat hun beweegredenen zijn voor het consumeren, delen en bediscussiëren van nieuws in privégesprekken en appgroepen.

In een recent onderzoek, gepubliceerd in New Media & Society en Digital Journalism, ondervroegen we daarom verschillende groepen mensen over het belang van nieuws en actualiteit in hun dagelijkse gesprekken op besloten sociale media platforms, zoals WhatsAppgroepen en besloten Facebookcommunities. Hiervoor spraken we in focusgroepen met collega’s, vrienden, buren, teamgenoten en vrijwilligers. Zij kenden elkaar persoonlijk en communiceerden daarnaast ten minste om de dag met elkaar via social media.

Nieuws op besloten sociale media

Onze groepsgesprekken bevestigen dat de meeste mensen Facebook op een passieve manier gebruiken. Facebook is een verzamelplaats waar verschillende stromen informatie samenkomen – van journalistiek tot politieke satire en entertainment – maar gebruikers zeggen zelf nauwelijks meer op hun tijdlijn te posten. Ook zien ze steeds minder bijdragen van vrienden en familie voorbijkomen.

Facebook is daarmee een nuttige bron voor het vínden van nieuws, maar voor het praten over en bediscussiëren van nieuws geven gebruikers de voorkeur aan meer besloten omgevingen, zoals privécommunities op Facebook of WhatsAppgroepen. Nieuws delen voelt hier veiliger, omdat gebruikers precies weten wie hun berichten kan zien.

Terwijl het geven van je mening over een nieuwsonderwerp op Facebook wordt gezien als een expliciet statement, dat voor altijd zichtbaar blijft voor anderen en niet terug te trekken valt, worden op WhatsApp-berichten al snel bedolven onder het grote aantal andere berichten. Daardoor zijn gesprekken over nieuws hier meer verkennend van aard.

Bij het delen van nieuws op WhatsApp gaat het bovendien vooral om achtergronden bij nieuws, waar groepsleden via andere nieuwsplatformen al mee in aanraking zijn gekomen. Belangrijk voor gebruikers zijn bijvoorbeeld nieuwsverhalen die het mogelijk maken een onderwerp vanuit meerdere perspectieven te benaderen of die verschillende aspecten van een probleem duiden. Zulke nieuwsverhalen helpen hen om verbanden tussen verschillende nieuwsgebeurtenissen te leggen en hun mening te vormen. Gebruikers geven daarbij de voorkeur aan nieuws van nieuwsorganisaties die ze kennen. Deze worden gezien als betrouwbaarder.

Het belang van de sociale context

De meeste gebruikers die we spraken waren onderdeel van verschillende WhatsApp- en Facebookgroepen. Wat gebruikers deden met nieuws verschilde echter sterk afhankelijk van de sociale context van de groep, zelfs al ging het om dezelfde persoon. Social media communities hebben over het algemeen een bepaald doel, met daaraan gekoppeld specifieke sociale normen over wat wel en niet hoort in de groep.

Sommige groepen gebruikten hun communities als curatietool: een bron voor nieuws over een specifieke gedeelde interesse, zonder hier verder op in te gaan of erover te discussiëren. Anderen gebruikten hun groep om actief te discussiëren over politieke onderwerpen, als manier om onderdeel te worden van de groep. In weer andere communities had nieuws geen duidelijke sociale functie en werd het delen of bediscussiëren van nieuws juist als not done ervaren.

Opvallend: naarmate sociale banden tussen mensen in WhatsApp groepen zwakker waren en de groepsleden minder gemeenschappelijke interesses hadden, speelden nieuws en actualiteiten een grotere rol. Dit benadrukt de sociale functie van journalistiek en de mogelijkheid voor nieuws om sociale verbondenheid tussen mensen te stimuleren.

Gevolgen

De verschuiving van gebruikers naar dark social media maakt het lastiger voor nieuwsorganisaties om nieuwsverhalen op grote schaal te verspreiden. Op een meer besloten platform als WhatsApp gaat een bericht minder snel viral dan bijvoorbeeld op Facebook.

Daarnaast kun je je afvragen wat de toenemende populariteit van dark social media betekent voor de democratische rol van de nieuwsmedia. Publiek debat stimuleren tussen verschillende groepen in de samenleving gaat immers een stuk lastiger als die discussies plaatsvinden achter gesloten deuren, in communities die niet toegankelijk zijn voor buitenstaanders. Het faciliteren van zo’n “publieke connectie” en tegelijkertijd garanderen dat gebruikers een begrip kunnen ontwikkelen van nieuwsonderwerpen in een omgeving die ze als veilig ervaren, is daarmee een belangrijke toekomstige uitdaging voor nieuwsorganisaties.

Dit artikel is gebaseerd op onderzoek gepubliceerd is in de wetenschappelijke tijdschriften Digital Journalism en New Media & Society.

Joëlle Swart, Chris Peters, Marcel Broersma

Het artikel Waarom messaging apps steeds belangrijker worden voor nieuws verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast

Deze week was in het nieuws dat het vooral ouderen zijn die nepnieuws op Facebook delen. De aanleiding was een wetenschappelijk onderzoek dat was verschenen. Maar hoe zeker weten we nu eigenlijk dat we voortaan ouderen de schuld kunnen geven van het verspreiden van nepnieuws?

Diverse media (onder meer NRC, NOS, Trouw, Bright) meldden deze week dat het vooral oudere Facebookgebruikers zijn die nepnieuws verspreiden. Ze baseren zich op een wetenschappelijk onderzoek van drie Amerikaanse politicologen, dat afgelopen week is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances.

De onderzoekers constateren inderdaad dat 65-plussers liefst zeven keer zo vaak nepnieuws delen dan dertigers. Wat dat betreft is er niks mis met de berichtgeving: de media melden wat de onderzoekers concluderen.

Politiek nepnieuws

Maar toch het is goed om een slag om de arm te houden. Allereerst ging het in dit onderzoek om een specifieke categorie nieuws, namelijk nieuws over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Politiek nieuws dus. Het zou best kunnen dat andere soorten nepnieuws juist door jongere mensen wordt verspreid.

Belangrijker nog is dat het aantal mensen dat nepnieuws deelt op Facebook behoorlijk klein is. Ruim 90% van de mensen doet dat niet, volgens dit onderzoek. Slechts 8,5% van de deelnemers aan het onderzoek had in de onderzoeksperiode nepnieuws gedeeld op Facebook.

Klein aantal mensen

Dat kleine percentages heeft belangrijke consequenties voor de conclusies die je kan trekken. Het betekent namelijk dat de conclusies zijn gebaseerd op een heel klein aantal mensen. Reken maar even mee.

In totaal deden 1191 mensen aan het onderzoek. 8,5% van hen deelde in de onderzoeksperiode nepnieuws op Facebook. Dat zijn dus 101 mensen. Die werden verdeeld over vier leeftijdscategorieën om te zien welke leeftijdsgroep het vaakst nepnieuws deelt. Dan houdt je dus gemiddeld maar 25 mensen per leeftijdscategorie over.

Dat zijn geen hele robuuste aantallen om hard te maken dat leeftijd van invloed is op de verspreiding van nepnieuws. Met zulke kleine aantallen is de kans best groot dat het gevonden verband tussen leeftijd en het verspreiden van nepnieuws toevallig is.

Om er zeker van te zijn dat het zo is, zul je dit beslist vaker moeten onderzoeken. Alleen dan kan je wetenschappelijk vaststellen of deze hypothese stand houdt. Nog maar even niet als waarheid op Facebook en in de media verspreiden dus.

Alexander Pleijter

Het artikel Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Welke rol spelen media in het succes van rechts-populistische partijen?

politiWaarom zijn rechts-populistische partijen succesvol in Nederland en Vlaanderen, maar niet in Wallonië en Luxemburg? Léonie de Jonge doet onderzoek naar deze vraag en kijkt onder meer naar de rol van de media. Uit haar interviews met hoofdredacteuren blijkt dat redacties in Vlaanderen en Nederland heel anders aankijken tegen berichten over rechts-populistische partijen dan redacties in Luxemburg en Wallonië.

Het rechts-populisme doet het momenteel heel goed in Europa. Ook landen die lang immuun leken voor deze stroming (bijvoorbeeld Duitsland en Zweden) zijn inmiddels getuige geworden van de opkomst van radicaal rechts-populistische partijen. Zelfs Spanje heeft sinds kort te maken met een nieuwe partij op rechts (genaamd ‘Vox’), die begin december 12 van de 109 zetels in het regionale parlement in Andalusië wist te behalen.

Toch zijn er nog steeds een paar landen en regio’s in Europa waar rechts-populistische partijen (tot op heden) niet hebben kunnen doorbreken. Het gaat dan met name om Ierland, Portugal, Luxemburg en Wallonië.

Hoe komt dat? De Benelux-landen zijn bij uitstek een relevante regio om deze vraag te beantwoorden: Waarom lijken rechts-populistische partijen meer succes te hebben in Nederland en Vlaanderen dan in Luxemburg en Wallonië?

Poortwachters van de politiek

In mijn proefschrift neem ik het partijlandschap en het medialandschap onder de loep. De gevestigde politieke partijen en de media fungeren samen namelijk als ‘poortwachters’ die bepalen wie de electorale arena mag betreden, en hebben daardoor invloed op zowel vraag als op aanbod.

Enerzijds kunnen zij de vraag naar rechts-populisme voeden (of dempen), bijvoorbeeld door veel aandacht te besteden aan thema’s die voor deze partijen centraal staan, zoals migratie en onzekerheid. Anderzijds (en dan hebben wij het over de ‘aanbodzijde’) kunnen de traditionele politieke partijen ruimte voor rechts-populistische partijen creëren, bijvoorbeeld door naar het midden op te schuiven. Op hun beurt kunnen media een platform bieden aan rechts-populistische politici, of deze juist boycotten.

De rol van de media

Over de rol die media zich toekennen in de berichtgeving over rechtspopulisme, verscheen deze maand een artikel in de International Journal of Press/Politics. Dat artikel gaat – net als dit artikel – uitsluitend in op de rol van de media.

Zo’n focus riskeert natuurlijk dat te veel waarde wordt gegeven aan de media. Daarom eerst even voor alle duidelijkheid: de media zijn slechts één van vele factoren die bijdragen aan de opkomst van rechts-populistische partijen, zij zijn op zichzelf niet doorslaggevend. Hoewel de invloed van de media niet mag worden overschat, spelen zij een belangrijke rol op het maatschappelijk toneel. Maar welke rol spelen de media precies in het succes van (rechts)populistische partijen? Hoe gaat de journalistiek om met rechts-populisme?

Om inzicht te krijgen in deze vraag, sprak ik bijna 50 hoofdredacteuren en journalisten in de Benelux. Daaruit blijkt dat de wijze waarop de media omgaan met rechts-populisme zeer verschillend is in deze drie landen. In Luxemburg en Wallonië worden rechts-populistische partijen totaal buitenspel gezet, terwijl Vlaamse en Nederlandse journalisten zich over het algemeen milder opstellen.

Luxemburg: verzuild medialandschap

In Luxemburg heerst er een consensus onder journalisten om het populisme en extremisme tegen te gaan. Journalisten vinden dat de media geen platform mogen bieden aan politici met radicale en extremistische overtuigingen. Een hoofdredacteur die ik sprak beweerde bijvoorbeeld dat zijn krant probeert om “de verschillende clichés en vooroordelen die door dit soort mensen worden verspreid te ontmaskeren” door deze met feiten te weerleggen.

Over het algemeen is het Luxemburgse medialandschap heel gematigd. Dat heeft er onder andere mee te maken dat de media minder gecommercialiseerd zijn dan in andere landen. Luxemburg heeft iets meer dan een half miljoen inwoners, en toch zijn er zes dagbladen. Dit verrassende grote aantal kranten kan worden verklaard doordat de pers wordt gesubsidieerd door de overheid. Doel van de publieke financieringsregeling is het mediapluralisme te beschermen, omdat er door marktwerking maar één krant zou kunnen overleven.

Een tweede bijzonderheid van het Luxemburgse medialandschap is de verzuiling. Het ‘Luxemburger Wort’ (het grootste dagblad) is eigendom van de katholieke kerk, terwijl het ‘Tageblatt’ (de nummer twee) gedeeltelijk in handen is van de socialistische vakbond. Er bestaat een nauwe band tussen journalisten en politici omdat Luxemburg een klein land is. Bovendien is er weinig sensatiezucht in de Luxemburgse media. Over het algemeen zijn de Luxemburgse media daarom niet heel vatbaar voor rechts-populisme.

Wallonië: cordon sanitaire médiatique

In Wallonië bestaat er een formele overeenkomst tussen journalisten om extreemrechtse partijen totaal buiten spel te zetten. Het cordon sanitaire médiatique werd door Franstalige journalisten opgezet als reactie op de opkomst van het Vlaams Belang in de jaren negentig. Het idee was om een ‘schutskring’ (cordon sanitaire) aan te leggen rond extremistische partijen. Het doel was niet om deze stromingen te negeren, maar om ze te isoleren.

Het bestuur van de RTBF (de Belgische Franstalige publieke omroep) besloot dat politici met ‘vrijheidsberovende’ overtuigingen nooit live worden geïnterviewd en zij worden dan ook nooit uitgenodigd om deel te nemen aan tv-debatten. Deze richtlijnen zijn later geformaliseerd. Door deze zelf opgelegde maatregelen mag de Waalse publieke omroep geen toegang verlenen aan vertegenwoordigers van partijen met racistische of xenofobe opvattingen.

De redacties van commerciële zenders en kranten houden zich hier ook aan – ook buiten verkiezingscampagnes. Volgens een vertegenwoordiger van de RTBF is het belangrijk dat media geen neutraal doorgeefluik worden: “wij zijn de waakhonden van de democratie en als waakhond moet je niet alleen blaffen, maar ook bijten”.

Vlaanderen: losser cordon

In Vlaanderen bestond er aanvankelijk ook een cordon sanitaire, maar dat kwam er pas nadat het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 in Antwerpen meer dan 17 procent van de stemmen behaalde. Het mediacordon werd echter nooit geformaliseerd en daardoor minder strikt toegepast dan in Wallonië.

Dit kan deels worden verklaard door de snelle groei van het Vlaams Blok. Het is namelijk heel lastig om een partij te isoleren die een kwart van de stemmen behaalt, wat in 2004 het geval was in Vlaanderen. Naarmate het Vlaams Blok meer invloed kreeg, werd de berichtgeving in de media steeds genuanceerder. Over het algemeen vinden Vlaamse journalisten dat het belangrijk is om alle geluiden in de samenleving te laten horen.

Nederland: podium voor botsende meningen

Deze opvatting kwam ik ook in Nederland veel tegen. De meeste hoofdredacteuren zien de media als een podium voor botsingen binnen het maatschappelijk debat. Daarom willen zij aan de volledige bandbreedte van opinies gehoor geven.

In tegenstelling tot hun collega’s in België en Luxemburg maken Nederlandse journalisten een duidelijk onderscheid tussen rechts-populisme en rechts-extremisme. Sinds de opkomst van Pim Fortuyn zijn journalisten ervan overtuigd dat zij veel te lang opgesloten zaten in hun eigen bastion en daardoor niet genoeg aandacht besteedden aan de angsten en zorgen van ‘het gewone volk’. Voortaan zouden journalisten daarom “de dingen durven te benoemen voor wat ze zijn” om te voorkomen dat er opnieuw taboes ontstaan. Daardoor staat ‘de gewone burger’ nu centraal in de Nederlandse media.

Daarna vond er echter een soort van overcompensatie plaats: “we zijn met zijn allen de volksbuurten ingegaan, op zoek gegaan naar de gewone burger”, vertelde een hoofdredacteur mij. Deze tendens is na het Brexit-referendum en de overwinning van Trump versterkt. Na afloop van de Amerikaanse verkiezingen schreef Shula Rijxman, bestuurslid van de NPO, dat de Nederlandse publieke omroep ging “leren van Trump”:

“Ook in Nederland speelt de vraag of de zogenaamde mainstream media wel weten wat er speelt op straat. […] Wij in Hilversum trekken ons die discussie aan. Want de publieke omroep is er voor iedereen. Het is onze taak om alle geluiden en visies in de samenleving serieus te nemen en te laten zien en horen.”

De opvatting van journalisten over hoe de media moeten omgaan met populistische en extremistische stromingen zijn dus enorm veranderd in de afgelopen twee decennia.

Politiek opportunisme of journalistieke keuzes?

Luxemburgse en Waalse journalisten vinden dat de media consequent geen ruimte mogen bieden aan radicaal rechts-populistische bewegingen. Het lijkt er dus op dat zij andere principes nastreven dan hun Nederlandse en Vlaamse collega’s: voor hen is het vooral belangrijk om aan alle geluiden in de samenleving gehoor te geven. Hoe zijn de verschillende benaderingswijzen van de media tegenover rechts-populisten in de Benelux te verklaren?

Het zou natuurlijk kunnen dat de houding van journalisten gekoppeld kan worden aan de electorale trajecten van rechts-populistische partijen. In Vlaanderen en Nederland redeneren journalisten dat het simpelweg ‘slechte journalistiek’ zou zijn om een succesvolle partij niet aan bod te laten komen. Luxemburg en Wallonië hebben nog niet te maken gehad met de opkomst van een succesvolle partij op rechts en het is ongetwijfeld veel gemakkelijker om een mediacordon te handhaven als er geen rechts-populisten aanwezig zijn.

Aan de andere kant is het inmiddels duidelijk dat de media wel degelijk een impact hebben. Het zou dus ook kunnen dat het gedrag van de media het juist moeilijker maakt voor rechts-populisten om voet aan de grond te krijgen. In Wallonië proberen journalisten resoluut elke bestaansmogelijkheid van rechts-populistische partijen te beperken. Daardoor worden deze bewegingen in de kiem gesmoord. Het lijkt er overigens op dat het tijdstip waarop een cordon vastgelegd wordt doorslaggevend is voor haar effectiviteit. Als er heel duidelijke en formele afspraken zijn over waar de grenzen zijn, dan is het voor partijen ook moeilijker om deze grenzen te overschrijden.

Of dit gezond is voor de ontwikkeling van een democratische samenleving is natuurlijk een andere vraag.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Stuk Rood Vlees.

de Jonge, L. (2018). The Populist Radical Right and the Media in the Benelux: Friend or Foe? The International Journal of Press/Politics.

Léonie de Jonge

Het artikel Welke rol spelen media in het succes van rechts-populistische partijen? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Doorgrond klantgedrag: 6 kritische vragen bij impliciet associatie-onderzoek

Een goede manier om het toekomstige gedrag van klanten te doorgronden is aan de hand van impliciet reactietijden-onderzoek. Deze methode meet voorkeur voor een product of advertentie, of het imago van een merk, op een onbewust niveau. Zaken waar we als consument zelf lang niet altijd met onze gedachten bij kunnen, laat staan erover praten. […]

Dit vinden nieuwsgebruikers van algoritmische nieuwsselectie

Onderzoek naar geautomatiseerde selectie van nieuws

Lange tijd was het vanzelfsprekend dat journalisten het nieuws voor je selecteerden. Nu hebben complexe aanbevelingssystemen en algoritmes deze taak overgenomen. Maar wat vinden lezers daar eigenlijk van? Een team onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam en LMU München nam het vraagstuk onder de loep. Het antwoord – een beetje kort door de bocht – is verrassend: de meeste lezers vinden het prima.

Vanavond Netflixen op de bank? Grote kans dat de algoritmes van Netflix mede bepalen welke film je kijkt. Even een muziekje opzetten tijdens het koken? Misschien is Discover weekly op Spotify één van je favoriete playlists. Er zijn dan ook goede redenen waarom algoritmes en recommender systems, aanbevelingssystemen, tegenwoordig overal te vinden zijn: ze kunnen ons helpen om de parels te vinden die we anders zouden missen.

Als het om nieuws gaat, lijkt het een ander verhaal. Nieuws gaat tenslotte over het maatschappelijk belang en de selectie van zoiets willen we liever aan een journalist dan aan een algoritme toevertrouwen. Althans, dat is de eerste reactie van velen die beroepsmatig met nieuws te maken hebben, zij het als journalist of als onderzoeker.

Nieuwsaanbevelingssystemen

Lange tijd was het duidelijk wie het nieuws voor je selecteerde: de journalisten op een redactie, van de krant of het journaal. Als je vond dat de redactie haar werk niet goed deed, kon je overstappen naar een andere krant.

Tegenwoordig bepalen niet uitsluitend journalisten welk nieuws bij de lezer terecht komt. Mensen klikken ook op links naar nieuwsberichten op sociale media, op sites zoals Blendle, of op Google Nieuws (hoewel het voortbestaan van het laatste onzeker lijkt). Al deze sites moeten uiteraard een selectie maken van wat ze laten zien – iets dat op deze schaal slechts met behulp van geautomatiseerde systemen mogelijk is. Ook nieuwssites experimenteren zelf met nieuwsaanbevelingssystemen, die gerelateerde of populaire artikelen aanraden.

Leesgedrag boven redactie

Wat vinden lezers er eigenlijk van als hun vrienden op sociale media en algoritmes het selectieproces overnemen? Het antwoord – een beetje kort door de bocht – is verrassend: de meeste lezers vinden het prima.

Dit blijkt tenminste uit het Reuters Digital News Report, een grootschalig vragenlijstonderzoek onder 53.314 respondenten in 26 landen. Samen met onze collega’s Neil Thurman (LMU München) en Natali Helberger (UvA) hebben we deze data geanalyseerd. De data maken het mogelijk om op gedetailleerd niveau te achterhalen wat verschillende groepen van verschillende vormen van nieuwsselectie vinden.

De vragenlijst bevatte een vraag in hoeverre de respondenten het eens waren met de stellingen dat de volgende drie selectiemechanismen een goede manier zijn om het nieuws te volgen:

  1. het automatisch selecteren van berichten op basis van je eerder leesgedrag;
  2. het selecteren van berichten door redacteuren en journalisten;
  3. het automatisch selecteren van berichten op basis van het leesgedrag van je vrienden.

Voor elke optie konden de respondenten kiezen tussen helemaal oneens, eerder oneens, oneens noch eens, eerder eens, en helemaal eens.

Wat blijkt? Gemiddeld gaven lezers het selecteren van nieuwsberichten op basis van hun eigen eerder leesgedrag een 2,98 op de bovengenoemde vijfpuntsschaal, en daarmee de voorkeur boven selectie door de redactie (gemiddeld 2,87). Selectie op basis van het leesgedrag van anderen (peer filtering) waarderen zij minder (gemiddeld 2,62). Onderstaand figuur laat zien dat het percentage mensen dat faliekant tegen algoritmische personalisatie is zeer laag is.

Bron: Thurman, N., Moeller, J., Helberger, N., & Trilling, D. (2018). My Friends, Editors, Algorithms, and I., Digital Journalism, https://doi.org/10.1080/21670811.2018.1493936

Hoe moet je deze cijfers interpreteren? Wat betekent 2,98 of 2,87 op deze schaal? Volgens ons is het meest opmerkelijke dat de verschillen vrij klein zijn. Mensen lijken vaak zeer kritisch te zijn over algoritmische nieuwsselectie (zie bijvoorbeeld de hele discussie rondom filterbubbels), maar zijn desondanks dus niet veel sceptischer over algoritmes dan over redacteuren. Met andere woorden: het algoritmisch selecteren van nieuws is door gebruikers al geaccepteerd.

Onbekend-maakt-onbemind-effect

Geldt dit voor iedereen? Met een multilevel-regressieanalyse hebben we geprobeerd dit te achterhalen. Niet geheel onverwacht zijn zij die zich zorgen maken over hun privacy relatief gezien sceptischer over algoritmes die hun leesgedrag analyseren.

Aan de andere kant zien we ook een onbekend-maakt-onbemind-effect. Naarmate mensen meer sociale media gebruiken (en dus, zo mogen we veronderstellen, meer gewend zijn aan algoritmische selectie), zijn zij in toenemende mate positiever over beide vormen van algoritmische selectie (op basis van eigen gedrag en dat van hun vrienden). Misschien is dit ook een verklaring voor onze bevinding dat jongeren minder sceptisch zijn dan ouderen.

Nederland

En in Nederland? Als we de resultaten uitsplitsen per land en alleen naar Nederlanders kijken, zien we in grote lijnen hetzelfde beeld. Ook in Nederland geven gebruikers aan dat zij het volgen van nieuws via aanbevelingen op basis van het leesgedrag van vrienden het minst geschikt ervaren (gemiddeld een 2,64).

Daarentegen scoren journalisten in Nederland met een 3,12 net iets beter dan de algoritmes die selecteren op basis van eerder leesgedrag (2,96). Misschien kunnen we dit verklaren door het – vergeleken met andere landen – nog steeds relatief hoge vertrouwen dat journalisten in Nederland genieten.

Het is dus niet zo dat Nederlanders algoritmes kritischer zien dan het gemiddelde van mensen in andere landen (de scores zijn immers nagenoeg identiek, 2,96 tegenover 2,98), maar ze zijn wel (iets) positiever over hun journalisten en redacteuren (3,12 tegenover 2,87). Nederland is hierin niet alleen. In aanvullende analyses hebben we gevonden dat juist in landen waar mensen aan de onafhankelijkheid van de pers twijfelen, zij algoritmische selectie meer waarderen. Waarschijnlijk lijkt hen de technologie neutraler dan de mens – wat feitelijk niet zo is, want menselijke bias kan door een algoritme ook juist versterkt worden.

Consequenties

Wat betekent dit voor de Nederlandse journalistiek?

Ten eerste is het belangrijk dat we ons realiseren dat de selecterende rol van journalisten geen vanzelfsprekendheid meer is voor het publiek. Het is dus voor journalistieke organisaties van groot belang om te benadrukken welke toegevoegde waarde hun keuzes en aanbevelingen ten opzichte van (volledig) geautomatiseerde systemen hebben.

Ten tweede is het noodzakelijk om een betere discussie erover te voeren of en hoe nieuwsorganisaties gebruik kunnen maken van nieuwsaanbevelingssystemen. Deze systemen zijn er al, of er wordt tenminste mee geëxperimenteerd, maar het is belangrijk om erover na te denken hoe zo’n systeem eruit zou moeten zien. We hebben in een ander onderzoek aangetoond dat algoritmische aanbevelingen niet noodzakelijkerwijs minder divers hoeven te zijn dan de keuzes die journalisten maken, het onderzoek dat we hier bespreken laat zien dat ook gebruikers het daarmee eens zijn.

Belangrijk in deze discussie is het besef dat algoritmes door mensen gemaakt zijn en de ‘keuzes’ van een aanbevelingssysteem uiteindelijk zodoende op menselijke keuzes gebaseerd zijn. Onze bevindingen laten zien dat het noodzakelijk is om de waarde van journalistieke selectie te benadrukken, want het staat het buiten kijf dat keuzes van journalisten en hun professioneel oordeel van toegevoegde waarde kunnen zijn.

De taak is daarom nu om uit te zoeken hoe we selecties door journalisten en door aanbevelingssystemen het beste kunnen combineren.

Dit artikel is gebaseerd op deze wetenschappelijke publicatie: 
Neil Thurman, Judith Moeller, Natali Helberger & Damian Trilling (2018) My Friends, Editors, Algorithms, and I: Examining audience attitudes to news selection, Digital Journalism, DOI: 10.1080/21670811.2018.1493936.

Damian Trilling, Judith Möller

Het artikel Dit vinden nieuwsgebruikers van algoritmische nieuwsselectie verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Micro-targeting, bots en algoritmes ondermijnen democratieën wereldwijd

Onderzoek naar de invloed van digitalisering

Digitalisering heeft verregaande gevolgen voor democratieën wereldwijd. Een onderzoekersteam van de TU Delft nam de invloed van digitale middelen op de parlementaire democratie in Nederland onder de loep. Een van de onderzoekers, Haye Hazenberg, vat de conclusies samen: digitalisering is gevaarlijk, maar biedt tegelijkertijd ook kansen.

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 heeft een team onderzoekers van de TUDelft de invloed van digitalisering op de Nederlandse parlementaire democratie onderzocht. Hierbij is gekeken naar de rol van politieke micro-targeting, naar bots en algoritmes, en naar het politieke debat op Twitter.

In vergelijking met andere landen gaat het in Nederland relatief goed. Er is weinig invloed van fake news of van Twitter-bots, en gebruikers gaan in gelijke mate interactie aan met alle politieke partijen. Vooral aan nieuwe partijen biedt dit voordelen. Dat is goed voor een democratie zoals de onze, waarin het vertrouwen in media internationaal gezien heel hoog is en nieuwe partijen door lage kiesdrempels makkelijk parlementen kunnen betreden. In tweepartijenstelsels zoals de VS werkt zulke interactie minder goed, en zet het juist grote traditionele politieke partijen onder ongekende druk.

Micro-targeting

Het gebruik van politieke micro-targeting is flink toegenomen. Commerciële bedrijven spelen de grootste rol in het faciliteren van politieke micro-targeting. Ze verzamelen persoonlijke data, bieden ongekende advertentiemogelijkheden aan en ontwikkelen modellen die kiesgedrag zeggen te kunnen voorspellen. Deze doorgeschoten technologische privatisering van onze publieke ruimte is voor alle landen zorgwekkend. Zo kan een situatie zich voordoen waarin verkiezingen niet door kiezers, maar door geld beslist worden, en kunnen de regels die we met elkaar afspreken over hoe eerlijke en evenwichtige debatten rondom verkiezingen te houden opgeslokt worden door ondoorzichtige private bedrijven.

In landen waar de rol van private technologiebedrijven in de media groter is, zien we dan ook dat het vertrouwen in democratie als bestuursvorm razendsnel afneemt. Het gebruik van big data-modellen, trackers en persoonlijke data door bedrijven kan democratie en autonomie zo ondermijnen, en maakt nu al politieke micro-targeting mogelijk die ver voorbijgaat aan wat burgers acceptabel vinden. De overheid zou het heft meer in handen kunnen nemen bij het faciliteren van de nieuwe GDPR-regels voor burgers, door bijvoorbeeld een portal te creëren waarin burgers zelf al hun online privacyvoorkeuren aan alle bedrijven door kunnen geven, en al hun verzamelde persoonlijke data centraal kunnen inzien.

Ondoorzichtige algoritemes

Ook in Nederland zijn er zorgen. Onderzoek naar het aanbevelingsalgoritme van YouTube heeft aangetoond aan dat video’s van de PVV en het Forum voor Democratie drie keer zo vaak worden aanbevolen dan video’s van alle andere politieke partijen tezamen. De weinige bots die er zijn richten zich voornamelijk op rechts-conservatieve partijen, en bedreigen dus vooral hún achterban. De bots richten zich vooral op de actoren die op dit moment online de meeste invloed hebben, om zo het debat maximaal te beïnvloeden.

Wanneer, net als in het publiek omroepbestel, waarde wordt gehecht aan een gebalanceerd media-aanbod, zijn zulke online vertekeningen zorgwekkend. In de afgelopen 10 jaar is er ongeveer 760 miljoen aan advertentie-inkomsten verdwenen uit Nederland, en het is op deze basis dat er dit jaar wederom 22 miljoen wordt bezuinigd op de publieke omroep. De Europese Commissie is gelukkig met een digitaal belastingplan gekomen om deze onbalans te corrigeren, maar deze kan pas op zijn vroegst in 2020 in werking treden.

Tot die tijd zijn democratieën overgeleverd aan de grillen van ondoorzichtige algoritmes, onverantwoordelijk journalistiek gedrag van commerciële platformen, en een journalistieke sector die druk ondervindt van almaar krimpende middelen. De rol van Facebook is daarnaast van groot belang. Ze is een spin het web, maar te ondoorzichtig.

Maatschappelijk verantwoorde innovaties

Het is van groot belang dat de kansen die digitalisering wel degelijk biedt voor democratie beter worden benut. Digitale platformen moeten meer verantwoordelijkheid nemen in het gebalanceerd aanbieden van politieke informatie, en traditionele mediaorganisaties zoals omroepen moeten zich meer online begeven. Deze twee zouden elkaar, ook financieel, moeten aanvullen.

Daarnaast moeten politieke partijen zich digitalisering toe-eigenen door zelf te werken aan digitale omgevingen, om hun afhankelijkheid van buitenlandse commerciële spelers te beperken. Ook journalistieke actoren zouden zich meer moeten toeleggen op zulke ‘maatschappelijk verantwoordelijk innovaties’, waarin de positieve aspecten van digitalisering, zoals de uitbreiding van de vrijheid van meningsuiting en de toegenomen participatie van burgers in meningsvormingsprocessen en feitenvinding, kunnen worden omarmd.

Wikipedia

Een ontwerp dat wel goed werkt is bijvoorbeeld het Wikipedia-model, waarin gebruikers samen hun inbreng tot een hoogwaardige vorm van kennis kunnen omzetten. Kranten en nieuws-websites zouden ook deze vorm van sociale participatie in het schrijven van artikelen kunnen aanmoedigen, door gebruikers onderdelen van stukken te laten flaggen, liken, redigeren of bevragen.

Deze veranderingen worden dan aan journalisten voorgelegd. Dat kan, zoals op Wikipedia, echt voor beter nieuws zorgen, en bij politieke partijen echt tot betere wetgevingsprocessen.

Lees het rapport

Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van de Staatscommissie Parlementair Stelsel.

Haye Hazenberg

Het artikel Micro-targeting, bots en algoritmes ondermijnen democratieën wereldwijd verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

In de meeste journalistieke virtual reality-producties ben je toeschouwer in plaats van participant

Onderzoek naar immersieve journalistiek

In hoeverre zijn journalistieke producties die de makers als immersief bestempelen nu echt immersief? Om die vraag te beantwoorden zijn 190 producties geanalyseerd. Wat blijkt? Echt immersief zijn er maar weinig: meestal is de gebruiker gewoon kijker.

In de huid kruipen van een man die enkele dagen voor de geboorte van zijn eerste zoon plotseling blind wordt. Met een VR-bril en koptelefoon kun je in de film Notes on Blindness ervaren hoe dat is. Met virtual reality kom je in gebieden waar je ‘in het echt’ nooit zal komen. Zo brengt VR-film We Who Remain van The New York Times de kijker naar het vergeten conflict in de Nuba-bergen van Sudan.

Journalisten maken steeds vaker gebruik van nieuwe technologieën zoals VR, AR en 360-gradenvideo. Dit soort producties worden ook wel aangeduid als ‘immersive journalism’ : een vorm van digitale journalistiek die het publiek onderdompelt in een virtuele wereld. Filmmaker Chris Milk stelde al in 2015 dat virtual reality de “ultimate empathy machine” zou zijn, omdat de kijker emotioneel betrokken wordt in een verhaal of situatie.

Het lectoraat Crossmediale Journalistiek aan de Hogeschool Utrecht doet samen met onderzoekers aan de Universtieit van Amsterdam en de Universiteit van Wenen en journalisten van KRO-NCRV, VPRO, NOS, NTR en Instituut voor Beeld en Geluid onderzoek naar deze geavanceerde vorm van journalistiek.

Drie elementen van immersie

Wat maakt een journalistiek verhaal eigenlijk immersief? Volgens de wetenschappelijke literatuur zijn er drie elementen die daaraan bijdragen: het gebruik van technologie, de interactiemogelijkheden en het narratief van de productie.

In hoeverre zorgt de technologie dat je uitgesloten bent van de werkelijke wereld? Wat is je blikveld? Kun je overal rondkijken? En wat is de kwaliteit van het beeld of geluid? Hoor je een bom ook daadwerkelijk áchter je vallen als die daar landt?

Naast de technologische aspecten, is voor immersie het narratief van belang. Welke rol speelt de gebruiker bijvoorbeeld? Hoe ontvouwt het verhaal zich?

Interactie zit verweven in zowel de technologie als het narratief. Op technologisch gebied gaat het bijvoorbeeld om de manier waarop de gebruiker zich kan bewegen in de virtuele wereld. De mate waarin de gebruiker invloed heeft op de ontvouwing van het verhaal, is een narratief aspect van interactie. Kan de gebruiker bijvoorbeeld zelf het tempo van het verhaal bepalen of zijn er meer verhaallijnen waaruit de gebruiker kan kiezen?

Analyse van immersieve producties

Maar in hoeverre zijn producties die de makers als immersief bestempelen nu echt immersief? Om die vraag te beantwoorden analyseerden wij 190 producties, een selectie van verhalen, waarbij ten minste één journalistieke organisatie betrokken is en die door de makers zelf als immersief worden bestempeld. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen, hebben we producties uit dertien landen wereldwijd betrokken: Finland, België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Engeland, Spanje, Canada, de Verenigde Staten, Japan, Rusland, Brazilië en Qatar.

Om de meeste producties te bekijken is niet meer nodig dan een mobiel, koptelefoon of een VR-cardboard. Slechts dertig procent van de producties vereisen full gear zoals een VR- of AR-bril. De producties maken gebruik van verschillende modaliteiten (een combinatie van tekst, beeld en geluid), 87% van de producties gebruikt real footage.

Voor verhalen die niet of moeilijk te filmen zijn, worden vaak illustraties of computeranimaties gebruikt. Denk aan Kiya van Emblematic Group over huiselijk geweld, De Verwarde Man van KRO-NCRV over het ervaren van een psychose, of My trip to the DMZ, een productie over de muur tussen Noord en Zuid-Korea waar door journalisten niet gefilmd mag worden. Maar de meeste geanimeerde producties gaan over natuurvraagstukken, zoals deze productie van AP over de opwarming van de aarde. Het zijn onderwerpen waarmee je niet dagelijks wordt geconfronteerd, die de maker het publiek wil laten ervaren.

Onderdompelen

Interessant is de rol die audio kan spelen in immersieve verhalen. Geluid kan de ervaring ‘waarachtiger’ laten lijken. Zo geven achtergrondgeluiden de sfeer van de omgeving weer en kan achtergrondmuziek spanning of emoties oproepen. Ook kan audio ervoor zorgen dat de gebruiker niet slechts een toeschouwer is, maar daadwerkelijk een rol gaat spelen in het verhaal. Zo kunnen karakters bijvoorbeeld rechtstreeks tegen je praten of volg je de uitgesproken gedachten van het personage dat jij speelt. Bekijk een voorbeeld waarin je je in het hoofd van de autistische Laylah bevindt. Als gebruiker volg je de gedachten van Laylah. De andere karakters praten direct tegen de ‘gebruiker’.

De resultaten van onze inhoudsanalyse laten zien dat vrijwel iedere immersieve productie gebruik maakt van audio (98%). Hiervan gebruikt meer dan de helft drie of meer soorten geluid. De meest gebruikte soorten zijn achtergrondgeluiden (87%), gevolgd door vertelling door personen die voorkomen in het verhaal (64%) – dit in tegenstelling tot een voice-over (33%) – en achtergrondmuziek (55%).

Niet alleen het type audio is van belang. De kwaliteit ervan is dat ook. Nog weinig journalistieke producties gebruiken spatial audio, waarbij het geluid in 360 graden om de gebruiker heen klinkt. Spatial audio geeft geluid weer zoals wij het in het echte leven horen, niet alleen van links of rechts, maar ook van voor, achter, boven of onder ons, en dichtbij of ver weg. Spatial audio lijkt dus meer op hoe we horen in het echt en kan de luisteraar dieper onderdompelen in het verhaal dan standaard audio. Slechts 3% van de producties in onze steekproef gebruikt echter spatial sound.

De gebruiker als toeschouwer

In de meeste gevallen is de gebruiker slechts een toeschouwer. Slechts in 7% van de producties speel je actief een rol in het verhaal. Dit heeft geen relatie met de gebruikte technologieën. Het is dus niet zo dat producties voor VR-gear per definitie de mogelijkheid bieden om een rol in het verhaal te spelen. Bij slechts 3% van de producties kan de gebruiker zichzelf echt als avatar zien, zoals bij De Verwarde Man waarin je zelf in de schoenen kruipt van een man die een psychose ervaart

Immersieve producties bieden de gebruiker over het algemeen weinig interactiemogelijkheden. De enige mogelijkheid die alle producties bieden is het veranderen van gezichtspunt, wat mogelijk is in 360-gradenvideo’s en VR-producties. Verder zijn het controleren van het tempo van het verhaal (6%) tot het wisselen tussen audio, tekst en beeld (5%) de meest voorkomende interactiemogelijkheden.

Nonny de la Peña, een van de eerste makers van immersieve journalistieke producties, stelt dat hun kracht is, dat je als gebruiker onderdeel uitmaakt van het verhaal. Je beleeft een first-person experience. Ons onderzoek toont echter aan, dat de meeste producties op dit moment toch third-person experiences zijn, waar je toeschouwer bent in plaats van participant.

Vanaf januari gaan we experimenten doen om te onderzoeken hoe de gebruiker immersieve producties ervaart en of empathie invloed heeft op hoe goed de gebruiker het verhaal onthoudt en begrijpt.

Yael de Haan

Het artikel In de meeste journalistieke virtual reality-producties ben je toeschouwer in plaats van participant verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

The next level of customer experience: van transactie naar relatie [onderzoek]

Wil je de customer experience verbeteren? Hoeveel aandacht besteed je dan aan het soort relatie dat je organisatie heeft met de klant? Uit onderzoek blijkt dat dit juist een belangrijke beïnvloeder is van klantbeleving. In dit artikel lees je meer over de effecten van de klant-leverancierrelatie. De laatste jaren is er zowel binnen organisaties als […]

Voor correspondenten is hun journalistieke werk a way of life: “Je staat altijd aan”

Een studie naar werkdruk van buitenlandcorrespondenten

Het werk van buitenlandcorrespondenten is interessant en avontuurlijk: reizen door de wereld en journalistieke verhalen maken. Maar het is ook een druk bestaan, vol deadlines en stress. Hoe gaan correspondenten daarmee om? Daar deden Marlou van den Broek en Bernadette Kester onderzoek naar. “Je bent heel veel tijd kwijt aan allerlei gedoe.”

In de digitale werkomgeving met een continue behoefte aan updates moeten journalisten 24/7 bereikbaar en inzetbaar zijn. Geldt dit al voor ‘gewone’ journalisten, buitenlandcorrespondenten, die zo’n beetje alles wat nieuwswaardig is moeten coveren, zijn continue bezig. Sterk op zichzelf aangewezen, in een vreemde en soms gevaarlijke omgeving maken deze journalisten zeer lange werkdagen.

Hoeveel moois dit beroep ook brengt, sommigen ervaren het alsof ze geleefd worden. Dan kan het voorkomen dat je fouten gaat maken, figuurlijke bochten wilt afsnijden door bijvoorbeeld niet voldoende te checken of door verhalen of bronnen te gaan bedenken. De meeste correspondenten houden zich staande, maar sommigen dus niet.

Vooraanstaand China-correspondent Oscar Garschagen verzon verhalen of bronnen om maar aan de dagelijkse behoefte aan artikelen tegemoet te komen. Oud-Japan-correspondent Wouter van Cleef beëindigde zijn correspondentschap omdat hij alleen nog maar met journalistiek bezig was en de druk hem te hoog werd. Het probleem van de werkdruk was ook het onderwerp tijdens de NOS-correspondentdagen in 2017. Correspondenten vallen namelijk niet alleen uit door de stress die het werk met zich meebrengt, maar ook door de gevaren waar zij soms mee te maken krijgen.

Gelukkig is uitval een uitzondering, ondanks de werkdruk weet de meerderheid zich staande te houden. Hoe doen ze dit? Marlou van den Broek, masterstudent Journalistiek & Media (Erasmus Universiteit) werd begeleid door docent Bernadette Kester en onderzocht deze vraag. Zij ontdekten dat buitenlandcorrespondenten vooral effectief zijn doordat ze (moeilijke) situaties makkelijk kunnen relativeren en doordat ze veel steun ontvangen van collega’s.

Meer nieuws met minder journalisten

De grens tussen een acceptabele werkdruk en een te hoge werkdruk is voor journalisten in het huidige medialandschap steeds meer aan het vervagen. Onderzoek wijst uit dat veel journalisten te lijden hebben van een te hoge werkdruk.

De vraag of de werkdruk ook hoger is geworden binnen het beroepsveld van de buitenlandjournalistiek, is niet eerder onderzocht. Daarnaast wilden we weten hoe correspondenten zelf reflecteren op hun werkdruk, omdat uit eerder onderzoek bleek dat er een taboe heerst op werkdruk onder journalisten – journalisten horen immers stressbestendig te zijn. Vandaar de open onderzoeksvraag:

Hoe ervaren huidige buitenlandcorrespondenten hun werkdruk?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn in het voorjaar van 2018 zeventien buitenlandcorrespondenten geïnterviewd.

Altijd beschikbaar

De meeste stress ervaren correspondenten door de onvoorspelbaarheid van het nieuwsritme. Zij zijn doorgaans de enige die voor hun nieuwsorganisatie(s) op een bepaalde locatie verantwoordelijk zijn voor het coveren van nieuws en achtergronden.

Wat onderwerpen betreft moet een correspondent all round zijn en zowel over politieke als economische en culturele ontwikkelingen berichten. Een correspondent werkzaam in een Europees land verwoordt een algemeen gedeelde ervaring:

“Ik sta gewoon zeven dagen per week, 24 uur per dag aan. Het correspondentschap is niet gewoon een baan. Het is een soort way of life. Bijna alles staat in dienst van het correspondentschap.”

Dat dus ook het privéleven van correspondenten lijdt onder de mentale belasting die deze arbeidsomstandigheden met zich meebrengen, spreekt bijna voor zich. Altijd beschikbaar moeten zijn maakt deze journalisten ‘onbetrouwbaar’. Dat wil zeggen, het thuisfront weet nooit wanneer er op ze gerekend kan worden. Bovendien maakt men zich zorgen wanneer hij of zij onder gevaarlijke omstandigheden werkt. Deze spanningen slaan ook over op de correspondent zelf. Thuis is op die manier niet meer echt een plek om te ontspannen.

Vooral correspondenten die werkzaam zijn in westerse landen en grote wereldmachten zien het onvoorspelbare nieuwsritme als een bepalende factor voor de werkdruk. Immers, omdat deze (elite)landen nieuwswaardiger zijn dan de perifere regio’s worden deze journalisten vaker geacht nieuws aan te leveren. Dit betekent onregelmatige werktijden, meer deadlines en lange werkdagen.

Daarbij komt nog dat correspondenten in de Amerika’s in een andere tijdzone leven. Het nieuws in Nederland loopt minstens vijf uur voor. Hierdoor hebben zij vaak minder tijd hebben om hun verhaal rond te krijgen. Sommigen moeten voor 6.00 uur ’s morgens uit de veren:

“Je loopt hier een beetje achter de feiten aan.”

Deadlines

Een correspondentschap krijg je niet zomaar in de schoot geworpen en veel journalisten hebben dan ook een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Dit leidt bij sommigen tot psychische druk. Ze geven hun werk liever niet uit handen en nemen daardoor soms teveel hooi op hun vork. Niet op tijd leveren is taboe. Toch ondervinden zij ook vaak steun aan elkaar:

“Je kunt behoorlijk met elkaar samenwerken, je hebt elkaar soms ook gewoon heel erg nodig. Dat maakt die lijndruk ook wel wat minder.”

Het werken in onrustige gebieden veroorzaakt wel vaak extra stress. Een correspondent uit het Midden-Oosten vertelt over een periode met veel aanslagen en bombardementen:

“Je (wist) gewoon niet wat er de volgende minuut ging gebeuren, ook niet ’s nachts. En onder die omstandigheden moest ik wel werken, want ik moest die deadlines halen.”

Onzekerheid

Correspondenten geven aan dat de recente veranderingen in hun vak veel onzekerheid met zich meebrengen. Vooral degenen die al langer journalist zijn, voelen zich niet altijd zeker van hun zaak. Een correspondent in Kenia vertelt:

“Ik ben vaak nog steeds verward over wat er nu wel en niet in de krant moet. Stukken die ik vroeger feilloos in de krant zou krijgen – misschien wel op de voorpagina – krijg ik er nu niet meer in. Die stukken zijn nu blijkbaar te ingewikkeld.”

Veel correspondenten denken dan ook dat de interesse voor buitenlands nieuws is veranderd, zeker wanneer het gaat om landen in de periferie. Correspondenten die in deze zogenaamd minder nieuwswaardige landen werken, ervaren die onzekerheid als extra stress. Zij moeten immers meer moeite doen om een artikel gepubliceerd te krijgen. Overigens blijkt uit de interviews dat freelancers vaker stress en onzekerheid ervaren dan correspondenten in vaste dienst.

Een extra obstakel waar freelance buitenlandcorrespondenten tegenaan lopen is dat ze logistieke zaken zelf moeten regelen. Correspondenten moeten voor hun nieuws vaak afstanden afleggen in soms moeilijk begaanbaar gebied. Deze logistieke zaken worden voor vaste correspondenten beter geregeld dan voor freelancers. Freelancers kunnen zo in tijdnood komen. Een correspondent in Oeganda vertelt:

“Je bent heel veel tijd kwijt aan allerlei gedoe. Soms moet ik wel tien keer naar de ambassade voordat ik een keer het land in mag.”

Wanneer is de grens bereikt?

Omdat de werkdruk voor correspondenten zo hoog ligt, kun je de vraag stellen hoe ze het eigenlijk volhouden. Uit de interviews blijkt dat de grens van correspondenten qua werkdruk pas is bereikt wanneer zij fysiek last ervaren of wanneer persoonlijke factoren een rol gaan spelen.

Correspondenten kennen door hun gedrevenheid namelijk geen mentale rem, maar intussen raakt hun lichaam wel vermoeid. Door lichamelijke signalen zoals hartkloppingen beseften sommigen dat ze nu echt rust moesten nemen. Een correspondent zegt:

“Het is niet vol te houden om op ieder verzoek van de opdrachtgever in te gaan, maar in het begin wilde ik dat wel. Totdat er iets in mijn hartstreek begon te trillen. Pas toen heb ik mezelf vrij gegund.”

Bij degenen die zich het meest geleefd voelen door het nieuwsritme is het moeilijker te ontdekken waar hun (mentale) grens ligt. Door de adrenaline denderen ze maar door en ontdekken vaak te laat wanneer de druk ook psychisch te zwaar wordt. Ondanks dat een groot deel van de geïnterviewden tegen hun grenzen aanliepen, willen ze nog niet stoppen. Daarvoor zijn ze te zeer gehecht aan hun vrijheid en de flexibele werkomstandigheden.

Om de werkdruk toch acceptabel te houden, suggereren correspondenten zelf dat je ontspanning moet zoeken, bij tijdgebrek je taken moet uitbesteden, duidelijker je grenzen moet aangeven en dat je moet stoppen als het niet meer lukt. Opvallend is dat zij niet erg geneigd zijn hun eigen suggesties op te volgen. Ook al liepen sommigen tegen hun grenzen aan, stoppen is meestal geen optie.

Ze zijn dus behoorlijk streng voor zichzelf. De werkdruk op zich blijkt geen reden om hun correspondentschap te beëindigen. Wel is uitputting bij sommigen meerdere keren de reden is geweest om tijdelijk te stoppen. Onze conclusie is dat op dit punt correspondenten een gebrek hebben aan professionele zelfreflectie…

“Gewoon geen gelul”

Een Nederlandse journalist in Latijns Amerika vatte het correspondentschap als volgt samen:

“Je wordt geacht alles te kunnen: je moet alle onderwerpen kunnen dekken, je moet technisch zijn, je moet je talen spreken, je moet stressbestendig zijn, flexibel, creatief, georganiseerd, goed op de hoogte, en je moet weten hoe je een verhaal vertelt”.

Correspondenten houden zich in dit beroepsveld staande doordat ze (moeilijke) situaties goed kunnen relativeren en doordat ze veel steun ontvangen van collega’s. Hun positieve, wilskrachtige en nuchtere instelling maakt dat ze niet snel opgeven. De soms moeilijke omstandigheden waaronder zij moeten werken “horen bij het vak”. Of, zoals een andere correspondent zegt:

“Gewoon geen gelul, over het algemeen is het alleen maar leuk. Je mag overal binnenkijken en je mag overal heen. Het is echt te gek”.

Marlou van den Broek, Bernadette Kester

Het artikel Voor correspondenten is hun journalistieke werk <em>a way of life</em>: “Je staat altijd aan” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Papierloos werken: managers geven niet het goede voorbeeld

Eens in de twee jaar voert Viadesk een onderzoek uit naar papierloos werken bij bedrijven in Nederland, België en Duitsland. Medewerkers op alle niveaus in organisaties krijgen vragen over wat zij van werken zonder papier vinden en in hoeverre ze dit al in de praktijk brengen. Uit de ‘Papierloos Werken Monitor 2018’ blijkt dat vooral […]

Voorkom deze 6 fouten bij het gebruiken van surveys

Waar lopen bedrijven tegenaan bij het inzetten van surveys (oftewel: enquêtes)? Ik maakte een shortlist van de zes meest voorkomende fouten. Een veelgebruikte onderzoeksmethode is het uitsturen van surveys. Ik spot successen, maar zie ook waar nog mee geworsteld wordt. Waar lopen bedrijven tegenaan? En welke fouten worden er vaak gemaakt? Oftewel: wat zijn de lessons […]

Van zakelijk DNA naar contentstrategie [4 stappen]

Het DNA van je organisatie zou het vertrekpunt moeten zijn bij het opstellen van je contentstrategie. Maar hoe doe je dat? Een stappenplan. Het boek Content vanuit je zakelijke DNA (aff.) is voor communicatieprofessionals die een contentstrategie willen opzetten. Het belangrijkste daarbij is dat je het DNA van de organisatie vastlegt, zodat er vanuit het […]

Page generated in 1,093 seconds. Stats plugin by www.blog.ca