Vier aanbevelingen voor de toekomst van de universiteitskrant

Zoals de Metro voor het oprapen ligt bij de OV-poortjes van elk station, zo staan van oudsher bij de ingang van iedere faculteit bakken met gratis universiteitskranten.  Maar het voortbestaan van deze bladen staat onder druk. Op enkele universiteiten is de papieren versie al verdwenen. Onderzoekers van de Universiteit Leiden geven vier tips waarmee universiteitsbladen de uitdagingen van deze tijd effectief kunnen trotseren.

Je vindt ‘m in de bakken voor de universiteit of online: het universiteitsblad. Bijna iedere universiteit wordt kritisch gevolgd door zo’n journalistiek medium, dat onafhankelijk bericht over het reilen en zeilen op de instelling.

De afgelopen jaren worstelen deze redacties echter met hun voortbestaan. De oplages van universiteitsmedia dalen eerder dan dat ze stijgen en redacties worden geconfronteerd met een groeiende internationale doelgroep die zij vooralsnog niet optimaal kunnen bedienen. Daarnaast heeft de universiteitskrant geen monopolie op de informatievoorziening over de universiteit (de concurrentie van talrijke interne nieuwsdiensten groeit), wordt in sommige situaties de redactionele onafhankelijkheid ondermijnd en kampen veel redacties met een voortdurende dreiging van bezuinigingen.

Reden voor ons om de levensvatbaarheid van de universiteitskrant te bestuderen. Met hulp van vier studenten Journalistiek en Nieuwe Media interviewden wij in het voorjaar van 2015 bijna alle hoofdredacteuren van universiteitsmedia over hun toekomstvisie. Daarnaast interviewden we experts om tot nieuwe inzichten en ideeën te komen.

De kernvraag van dit onderzoek is: welke kansen zien betrokkenen en experts – gegeven de geschetste bedreigingen – voor een toekomstbestendige universitaire pers in Nederland voor de komende tien jaar? Hoewel de momentopname uit 2015 iets minder representatief kan zijn voor de hedendaagse universitaire journalistiek, formuleren wij aan de hand van deze verkenning een aantal aanbevelingen. Die kunnen redacties wellicht gebruiken als zij nadenken over de vraagstukken waar zij dagelijks voor staan.

1. Stel kritische journalistiek centraal

Nieuws over alle onderwerpen en geledingen – ook als dat niet direct positief is voor de betrokkenen en de universiteit – blijft volgens de hoofdredacteuren het bestaansrecht voor de universitaire pers. Als kritische waakhond van de universiteit moet de redactie het ontdekken, checken en brengen als een bestuurder fraudeert of een wetenschapper verzinsels publiceert. Ook als onderzoeksjournalistiek veel tijd kost. Zo onderscheidt de universiteitskrant zich van interne nieuwsdiensten.

2. Verbind de studenten en medewerkers via het nieuws met elkaar en vergeet daarbij de internationale academici (in opleiding) niet

Hoofdredacteuren benadrukken dat ze het belangrijk vinden dat studenten en medewerkers van de universiteit over dat muurtje van hun eigen discipline durven te kijken (uit de filterbubbel komen). Zodat “de rechtenstudenten weten wat er bij de bèta’s gebeurt en dat de hoogleraren ook weten wat een eerstejaars op een vereniging uitspookt.” Dat kan enerzijds door te berichten over lokale kwesties. De universiteit als gemeenschap en academische vrijplaats waar eenieder onderdeel van is.

Het binden van die internationale, vaak Engelstalig sprekende, studenten en medewerkers aan de universiteitskrant is hierbij mogelijk nog de grootste uitdaging. Redacties zoeken manieren om die groep te kunnen bedienen, maar hebben de oplossing voor dit complexe vraagstuk nog niet gevonden. Een Engelstalige pagina in de krant of een geheel Engelstalig magazine? Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat het beste werkt.

3. Versterk het debatpodium

De universiteitskrant is in principe een van de beste podia voor debat binnen de universiteit. Daarin zijn ze een essentiële aanvulling op de universitaire nieuwsdiensten, die vooral informeren en zich niet profileren als debatpodium. Regelmatig worden discussies over het bindend studieadvies of ontgroeningen weer aangewakkerd door een ingezonden brief of scherp opiniestuk van een student of medewerker van de universiteit. Dat debat draagt bij aan een open academische cultuur waarin van studenten en medewerkers wordt verwacht dat zij kritisch kunnen nadenken en schrijven over (vakgerelateerde) thema’s.

Een interessante samenwerking zou die met de afdeling Studium Generale kunnen zijn. Via het organiseren van spraakmakende debatten (op de opiniepagina, via ingezonden brieven, online via sociale media of offline in een debatbijeenkomst) kan de redactie een onderwerp agenderen en in leven houden dat anders gemakkelijk van de radar verdwijnt.

4. Online heeft de toekomst, maar papier is nog steeds functioneel

Redacties willen natuurlijk online vindbaar zijn. Waar een daling van de printoplage een trend is als het gaat over nieuwsmedia, zit de digitale oplage in de lift (zie hier en hier). Interactie met de doelgroep gebeurt grotendeels via sociale media.

Dat betekent niet dat het papier ten dode opgeschreven is. Nog lang niet iedere universiteitskrant durft de stap naar online only te wagen. Uit de interviews met de hoofdredacteuren blijkt dat zij hechten aan de printuitgave. Sommige van hen benadrukken de verbindende functie van een papieren blad: “omdat je dan ook nog ziet wat ze bij de buren allemaal doen of wat studenten bij de andere vereniging nog bezighoudt.”

Een universiteitskrant is een middel om mensen verder te laten kijken dan hun eigen leefwereld. Studenten en docenten moeten dus ook geconfronteerd worden met de universiteitskrant. Die moet zichtbaar zijn. In bakken op de campus. Of via een nieuwsbrief die naar de hele universitaire gemeenschap gaat. Dat laatste is een struikelblok, want sommige redacties mogen dat niet doen.

Daarnaast zorgt een krant of magazine voor fysieke zichtbaarheid op de campus. Een expert oppert de mogelijkheid van “vloeibare content” waar het bericht zelf het medium is. “Als dat goed in elkaar zit, verspreidt het zichzelf wel.” En zo is het. Durf te innoveren en te dromen.

Bovenstaand artikel is een beknopte weergave van het onderzoek ‘De universiteitskrant: bedreigingen en kansen voor de toekomst’, dat is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap.

Jaap de Jong, Joline Cramer, Frank Nuijens

Het artikel Vier aanbevelingen voor de toekomst van de universiteitskrant verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Gemeenten opgelet! Zo zet je online burgerpanels vaker en slimmer in

Heeft jouw gemeente een online burgerpanel? En maak je daar als communicatieprofessional weleens gebruik van? Bij veel gemeenten is het panel een instrument van team Onderzoek en Statistiek. Beleidsafdelingen zetten het maar zo’n vier tot vijf keer per jaar in voor een ‘groot’ onderzoek. Een gemiste kans. Want als je het online burgerpanel beschouwt als een […]

De strijd om het sterkste frame. Of: hoe komen mediaframes tot stand?

Op 8 en 9 februari presenteerden Nederlandse communicatiewetenschappers hun recentste onderzoeken op het jaarlijkse Etmaal van de Communicatiewetenschap in Nijmegen. De Nieuwe Reporter vroeg enkele onderzoekers om verslag te doen van hun methoden en bevindingen. In dit artikel geeft Lisanne Wichgers (UvA) ons een voorproefje van haar studie naar de totstandkoming van mediaframes. Hoe onderzoek je zoiets en wat zijn de verwachtingen?

Politieke berichtgeving is zelden neutraal. Wanneer journalisten over een onderwerp schrijven, doen zij dit vaak vanuit een bepaald perspectief. Zij richten zich op bepaalde aspecten van het nieuws, bijvoorbeeld door specifieke argumenten aan te halen. Een gevolg daarvan is echter, dat andere perspectieven onderbelicht blijven. Dit gebeurt zowel in de zogenaamde ‘kwaliteitskranten’ als in de ‘sensatiepers’, en lijkt dus haast onvermijdelijk in de journalistiek. In de communicatiewetenschap wordt deze praktijk ook wel framing genoemd.

Uit tal van onderzoek blijkt dat nieuwsframes attituden en gedrag kunnen beïnvloeden. De manier waarop een journalist over het onderwerp immigratie schrijft (positief dan wel negatief) blijkt de steun van burgers voor bepaalde politieke partijen te kunnen beïnvloeden. Door middel van frames bieden journalisten als het ware richtlijnen over hoe een (politiek) onderwerp zou kunnen worden geïnterpreteerd.

De onderzoeksvraag

Hoewel er inmiddels veel overtuigend bewijs is voor de effecten van framing, is er minder bekend over hoe deze frames tot stand komen. Wat bepaalt hoe een journalist over een (politiek) onderwerp bericht?

Verschillende zaken kunnen een rol spelen. Wanneer kranten zich in een sterk gecommercialiseerde omgeving bevinden, kan de concurrentie tussen kranten journalisten ertoe aanzetten om op een bepaalde manier te schrijven, omdat zij het lezerspubliek voor zich willen winnen. Maar ook iemands eigen normen en waarden of bepaalde werkroutines kunnen meespelen.

In deze studie kijken wij specifiek naar de rol van externe actoren op de totstandkoming van frames. Bij de meeste politieke zaken zijn meerdere individuen en groeperingen betrokken, die vaak verschillende kanten van het debat vertegenwoordigen. Dit zijn voornamelijk politici, staatsambtenaren, (minderheids)organisaties, experts en burgers. Om het publiek aan hun kant te krijgen, hebben zij er belang bij dat hun standpunten op een zo positief mogelijke manier naar voren worden gebracht in het nieuws.

In plaats van de journalist alleen van feiten te voorzien, proberen ze dus vaak een bepaald frame naar voren te schuiven, in de hoop dat journalisten dit overnemen. In het vluchtelingendebat zullen sommige politici bijvoorbeeld de nadruk leggen op de mogelijke negatieve gevolgen voor de Nederlandse samenleving, terwijl minderheidsorganisaties zich waarschijnlijk meer focussen op de noodzaak van universele mensenrechten.

Maar hoeveel invloed hebben deze actoren nou daadwerkelijk op de manier waarop journalisten over een politiek onderwerp berichten? En als journalisten al besluiten om de frames van de betrokken actoren over te nemen, wat bepaalt dan welke frames zij overnemen?

Hoe gaan we dit onderzoeken?

Om deze vragen te beantwoorden, bestuderen we de twee rechtszaken tegen Geert Wilders voor groepsbelediging, haatzaaien en aanzetten tot discriminatie (de eerste zaak liep van 2009 tot 2012, de tweede begon in 2014 en loopt nog steeds). We gebruiken deze zaken als voorbeeld omdat hier verschillende partijen bij betrokken zijn geweest die verschillende standpunten vertegenwoordigden. Denk hierbij aan politici (waaronder vanzelfsprekend Geert Wilders zelf), de openbaar aanklager en verschillende anti-racisme-organisaties. Beide rechtszaken hebben bovendien veel media-aandacht gekregen.

We bestuderen alle nieuwsartikelen die door negen traditionele en digitale kranten zijn geschreven in de eerdergenoemde periode. Daarnaast kijken we hoe de betrokken actoren zelf over dit onderwerp hebben bericht. Door dit met elkaar te vergelijken, kunnen we onderzoeken in hoeverre actoren een bepaalde mate van controle hebben over het nieuws.

Wat verwachten we te vinden?

Onze verwachting is allereerst dat ieder van deze actoren een beperkt aantal frames creëert en promoot. Less is more: zowel journalisten als het publiek kunnen maar een beperkt aantal frames oppikken en verwerken. Een groot aantal frames produceren lijkt geen verstandig middel om het publiek te beïnvloeden.

Less is more: zowel journalisten als het publiek kunnen maar een beperkt aantal frames oppikken en verwerken.

Hard aan de slag

Hoewel we vermoeden dat journalisten de door actoren gepromote frames wel degelijk overnemen in hun berichtgeving, denken we ook dat zij een zekere mate van agentschap behouden. Dit heeft te maken met het medialandschap van Nederland, waarin journalisten over het algemeen een redelijk kritische en assertieve rol aannemen.

Naast het bestuderen van het samenspel tussen actoren en journalisten kijken we ook naar de “strijd” tussen de verschillende frames. Is een bepaald frame sterker dan anderen, en zo ja, waarom? We verwachten dat frames die aansluiten bij belangrijke nieuwswaarden (bijvoorbeeld conflict of moraliteit) vaker worden overgenomen door journalisten dan frames die geen belangrijke nieuwswaarden bevatten.

Ook verwachten we dat frames van politici en staatsambtenaren (bijvoorbeeld de openbaar aanklager, in de door ons onderzochte case) meer door journalisten worden gebruikt dan frames van bijvoorbeeld anti-racisme organisaties. Dit heeft ermee te maken dat journalisten vaker vertrouwen op “elite” bronnen, omdat die vaak betere toegang hebben tot de media en meer autoriteit (lijken) uit (te) stralen.

Als laatste onderzoeken we hoe actoren op elkaar reageren. Hoewel zij waarschijnlijk voornamelijk hun eigen frame promoten, reageren ze vermoedelijk ook op elkaars frame. Ze kunnen bijvoorbeeld elkaars argumenten proberen te weerleggen. Eén van de redenen om dit te doen, is wanneer hun eigen frames niet genoeg worden overgenomen door journalisten.

De komende maanden gaan wij hard aan de slag om antwoorden te krijgen op bovenstaande vragen en verwachtingen (daarover in een later artikel meer!). Hiermee hopen we meer inzicht te krijgen in de processen die nieuwsframes tot stand brengen, en de controle die actoren hebben over de berichtgeving van politieke onderwerpen. Gezien de effecten die frames lijken te hebben op attituden en gedrag, is meer kennis hierover van groot belang.

Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met dr. Laura Jacobs en dr. Joost van Spanje. Het onderzoek maakt deel uit van een onderzoeksproject over de effecten van juridische vervolging van anti-immigratie politici en politieke partijen, gefinancieerd door het NWO.

Lisanne Wichgers

Het artikel De strijd om het sterkste frame. Of: hoe komen mediaframes tot stand? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Hoe maken journalisten hun liveblogs geloofwaardig? Door zichzelf deskundig en neutraal te presenteren

Op 8 en 9 februari presenteerden Nederlandse communicatiewetenschappers hun recentste onderzoeken op het jaarlijkse Etmaal van de Communicatiewetenschap in Nijmegen. De Nieuwe Reporter vroeg enkele onderzoekers om verslag te doen van hun bevindingen. Vandaag een artikel van Sebastiaan van der Lubben, die onderzoek doet naar de geloofwaardigheid van liveblogs.

Journalisten die livebloggen doen twee ding tegelijkertijd: ze verslaan een gebeurtenis onmiddellijk en ze willen het publiek overtuigen dat hun versie geloofwaardig is. Simultaanjournalistiek avant la lettre, dus.

De vraag rijst nu hoe journalisten dat doen: hoe werken zij aan de geloofwaardigheid van hun liveblog terwijl ze op de perstribune bijvoorbeeld een debat verslaan?

De klassieke retorica biedt de journalist drie middelen om in te zetten: ethos, logos en pathos, ofwel:

  1. de indruk die een journalist maakt,
  2. de argumentatie in het verslag, en
  3. de inzet van emotie.

Eén van deze stijlmiddelen – ethos – werd aangetroffen in een onderzoek naar ruim 200 posts in twee liveblogs van NU.nl en het Algemeen Dagblad over de eerste dag van de Algemene Beschouwingen van 2018. Daarin benadrukten journalisten ethos op twee manieren:

  1. door het bieden van context, en
  2. het organiseren van hun eigen neutraliteit.

Deskundigheid door context te bieden

Een liveblog is een semi-live verslag van een bepaalde gebeurtenis, in deze studie een politiek debat. Het is zaak om op te blijven letten en de realiteit, die zich zichtbaar voltrekt, zo geloofwaardig mogelijk te representeren.

Persoonlijke deskundigheid van journalisten werd in beide liveblogs vooral door middel van context opgevoerd – context hier in de betekenis van informatie die wordt opgevoerd, maar niet in dat debat wordt genoemd. De context komt dus van journalisten zelf af. Dat kan op drie manieren gebeuren:

  1. Ten eerste, door te verwijzen naar standpunten of opmerkingen van politici uit het verleden. Als tijdens een debat een opmerking wordt gemaakt, kunnen journalisten deze ‘verdiepen’ of ‘verbreden’ door naar het (recente) verleden te verwijzen.
  2. Een tweede indicator van deskundigheid is de timing waarop die context wordt geboden: namelijk op het moment dat die context relevant is en daadwerkelijk verdiept en verbreedt (en niet pas veel later).
  3. Ten slotte kunnen journalisten hun deskundigheid tonen door te verwijzen naar de toekomst en consequenties van wat politici beweren, bijvoorbeeld hoe groot de kans is dat een voorstel het haalt.

Neutraliteit en afstand

Journalisten kunnen hun neutraliteit actief organiseren door afstand te nemen van een claim. Hoe kleiner de afstand tussen claim en journalist, hoe groter het risico om aan neutraliteit in te boeten.

Bij een journalist die zijn kritiek direct op een persoon of zaak richt is bijvoorbeeld sprake van een kleinere afstand tot de claim dan bij een journalist die kritiek kenbaar maakt via een citaat/parafrase van een ander. In de onderzochte liveblogs zijn zes verschillende niveaus van afstand aangetroffen:

Ten eerste selecteren journalisten zelf wat wel en wat niet wordt meegenomen in een liveblog. Tussen beide liveblogs zaten zo grote verschillen in de verslaggeving over de Algemene Beschouwingen: AD en NU.nl kozen beide voor eigen accenten.

Ten tweede geven journalisten op persoonlijke titel beschrijvingen van een gebeurtenis (in dezen: het debat) en richten zich direct tot hun lezerspubliek met een kwalificatie van een situatie.

Ten derde kunnen de livebloggers ervoor kiezen om te parafraseren. Met name complex beleid wordt dan in eigen woorden samengevat.

Als bronnen negatieve kwalificaties gebruiken, kiezen journalisten ten vierde veelal voor scary quotes door de kwalificatie wél, maar de rest niet tussen aanhalingstekens te zetten. Zo nemen ze geen verantwoordelijkheid voor de kwalificatie, maar wel voor de context.

De grootste afstand tussen een claim en henzelf scheppen journalisten door het toevoegen van volledige quotes  en het binnenhalen van een stem van buiten (het embedden van een tweet, bijvoorbeeld). Met name de laatste strategie – het binnenhalen van een stem van buiten – gebeurde met name in het liveblog van het Algemeen Dagblad via tweets van collegae en een tweet van een CDA-kamerlid. In het blog van NU.nl gebeurde dit niet.

Conclusie

Bij het live verslaan van gebeurtenissen door middel van liveblogs is het zaak dat journalisten geloofwaardig overkomen. Nederlandse journalisten doen dat door middel van hun ethos – de indruk die ze maken. Zij proberen deskundig en neutraal over te komen, wat de geloofwaardigheid van hun blogs ten goede komt.

Dit onderzoek naar liveblogs van het AD en nu.nl over de Algemene Beschouwingen van 2018 heeft uitgewezen dat journalisten hun deskundigheid organiseren door het live nieuws direct van verdiepende en verbredende context te voorzien.

Neutraliteit bereiken journalisten door zoveel mogelijk afstand te nemen van een bepaalde claim, bijvoorbeeld door volledige quotes te gebruiken in plaats van eigen bewoordingen.

Dit onderzoek maakt deel uit van het promotieonderzoek Realisatie en receptie van geloofwaardigheid onder onmiddellijke omstandigheden – liveblogs in Nederlandse media.

Sebastiaan van der Lubben

Het artikel Hoe maken journalisten hun liveblogs geloofwaardig? Door zichzelf deskundig en neutraal te presenteren verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Amerikanen zijn wiet in de loop der jaren steeds meer gaan accepteren. Door veranderingen in de mediaberichtgeving

Het aantal Amerikanen dat voorstander is van legalisering van wiet, is sinds de jaren ’90 bijna verviervoudigd. Onderzoekers van drie Amerikaanse universiteiten ontdekten dat de oorzaak van deze liberaliseringsslag nogal merkwaardig is: de media.

In 1988 voelde nog geen kwart van de Amerikanen iets voor de legalisering van marihuana. Nu, dertig jaar later, ziet maar liefst twee derde van de bevolking een soepelere wetgeving eigenlijk wel zitten. Langzaamaan verandert de legalisering van het befaamde plantje van een liberaal sprookje naar een realistisch scenario.

En dat is te zien: in de afgelopen 25 jaar hebben 22 staten medicinaal wietgebruik gelegaliseerd en in nog eens 10 staten mag zelfs een recreatieve joint gerookt worden.

Meerdere Amerikaanse onderzoeken laten toenemende steun voor de legalisering van marihuana zien. Bron data: Social Science Research (2019)

Drie Amerikaanse wetenschappers – Amy Adamczyk van City University of New York, Christopher Thomas van John Jay College of Criminal Justice en Jacob Felson van William Paterson University – namen deze opmerkelijke omslag onder de loep. Ze onderzochten de invloed van verschillende factoren om antwoord te krijgen op die ene vraag: waarom is de publieke opinie over wietlegalisering zo drastisch veranderd?

De voor de hand liggende opties

De Amerikaanse onderzoekers hebben drie oorzaken uitgesloten:

1. Het ligt niet aan een toename van het marihuanagebruik.  Het gebruik van marihuana in de VS is weliswaar toegenomen, maar die toename is te klein om de verandering in de publieke opinie te verklaren.

2. Aan demografische veranderingen ligt het ook niet. Bij zowel progressieve jongeren als bij de conservatieve, oudere bevolking is een zelfde stijgende lijn ontdekt.

3. Ook sluit de studie uit dat geografische veranderingen de oorzaak zijn. Het is niet zo dat Amerikanen die in een staat (zijn gaan) wonen waar wietgebruik gelegaliseerd is, hun opvatting over legalisering hebben veranderd.

Opvallend is dat het onderzoek laat zien dat de stijgende steun voor legalisering hetzelfde is voor verschillende politieke, religieuze en etnische groepen en educatieniveaus. De politieke polarisatie in de VS speelt in deze kwestie dus geen rol:  als het op marihuana aankomt, veranderen Amerikanen hun opinie over de hele linie (zie de grafiek hieronder).

Standpunten van Democraten, Republikeinen en onafhankelijken: bij alledrie is een toenemende steun voor legalisering zichtbaar. Bron data: Social Science Research (2019).

Medicinale framing

Maar wat is er dan wél aan de hand? Waarom is de animo voor legalisering zo toegenomen?

Het zijn de (nieuws)media en de manier waarop zij het onderwerp ‘wiet’ presenteren, die de verandering in publieke opinie teweeg hebben gebracht. Het framen van marihuana als gezondheidsissue in de media zou gepaard gaan met toenemende steun voor legalisering.

Verschillende frames door de jaren heen: gebruik van het ‘medicinal frame’ neemt toe. Bron data: Social Science Research (2019).

De onderzoekers analyseerden de berichtgeving van The New York Times en keken hierbij naar artikelen over marihuana, gepubliceerd tussen 1983 en 2015. Van al die berichten is het frame vastgesteld. De resultaten daarvan staan in de grafiek hierboven.

In de jaren ’80 had de grote meerderheid van de artikelen over wiet in The New York Times betrekking op drugsmisbruik, drugshandel en andere drugs. De krant leek wiet over een kam te scheren met harddrugs als heroïne en cocaïne in verhitte discussies over drugshandel en -dealers. Het decennium daarop werden dergelijke horrorverhalen minder overheersend. Tegen het einde van de jaren ’90 was deze negatieve frame zo goed als verdwenen.

Daar stond een toename van artikelen over medicinale wiet tegenover. Net voordat begin jaren ‘90 de steun voor legalisering begon toe te nemen, is er sprake geweest van een opvallende stijging in artikelen waarin de medische baten van marihuana worden besproken. Zo veranderde de stereotiepe wietgebruiker langzaam van een slonzige, stonede junkie naar een babyboomer van middelbare leeftijd, op zoek naar pijnverlichting.

Uiteraard lezen niet alle Amerikanen de New York Times, dus gegarandeerd generaliseerbaar zijn de resultaten niet. Een analyse als deze zorgt echter wel voor nieuwe inzichten over verandering die de framing van marihuana in kranten heeft ondergaan, voornamelijk in een tijdperk waarin kranten nog steeds het belangrijkste nieuwsmedium waren.

Onverbiddelijk strafrecht

De acceptatie van marihuana is gepaard gegaan met een toenemende scepsis over de het functioneren van het strafrechtelijke systeem, zien de onderzoekers. Steeds meer Amerikanen zijn ervan overtuigd geraakt dat dit te streng is.

Steun voor legalisering en verontrusting over het strafrecht lopen ongeveer gelijk. Bron data: Social Science Research (2019)

Eind jaren ’80 belandden veel jonge mannen, vaak Latino’s en zwarten, als gevolg van de ‘war on drugs’ achter de tralies. Zodra Amerikanen de sociale en economische effecten van deze tough-on-crime-initiatieven begonnen te voelen, erkenden ze ook de problemen van criminalisering van wietgebruik.

Omdat beide bovenstaande ontwikkelingen ongeveer gelijktijdig plaatsvonden, is het moeilijk te bepalen wat het causale verband is. Hebben zorgen over de onverbiddelijkheid van het strafrecht tot de liberaliseringsslag geleid – of is het andersom?

Het effect van de media-framing is daarentegen overduidelijk. Kort nadat de nieuwsmedia marihuana als geneeskundig middel zijn gaan framen, veranderde de publieke opinie. Daarom is een causaal verband volgens de onderzoekers aannemelijk.

Dit artikel is een vrije vertaling van het Engelstalige artikel van de onderzoekers dat is verschenen op The Conversation.

Het onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Social Science Research: How and why have attitudes about cannabis legalization changed so much?

Sarah Sramota

Het artikel Amerikanen zijn wiet in de loop der jaren steeds meer gaan accepteren. Door veranderingen in de mediaberichtgeving verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Onderzoek: ’87 procent van de Nederlanders heeft een smartphone’

Maar liefst 87 procent van de Nederlanders heeft een smartphone, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Daarmee gaat Nederland aan kop in Europa. Maar slechts twee derde van de gebruikers beveiligt de persoonlijke data die op de smartphone staan. Op dat punt scoort Nederland een stuk minder goed ten opzichte van andere landen.

Het artikel Onderzoek: ’87 procent van de Nederlanders heeft een smartphone’ verscheen voor het eerst op iCulture

Fact-checks helpen tegen desinformatie! Maar dan moeten ze wel gezien worden

Nepnieuws, desinformatie en misinformatie zijn volop aanwezig op internet. Gelukkig zijn er ook steeds meer fact-checkers die al die onjuiste informatie proberen te weerleggen. Maar heeft dat eigenlijk wel zin? Laten mensen zich overtuigen door fact-checks? Jazeker, zo blijkt uit recent onderzoek.

De toenemende verspreiding van (online) mis- en desinformatie is een potentiële bedreiging voor onze democratie. Als er veel onjuiste informatie circuleert, beschikken burgers niet over de juiste kennis om accurate politieke beslissingen te nemen. Hoe kunnen kiezers stemmen op de partij die hun belangen het beste vertegenwoordigd, als onduidelijk is of zij de waarheid vertellen? Hoe kunnen burgers de juiste partijen verantwoordelijk houden als politici elkaar onterecht de schuld geven van diverse maatschappelijke problemen?

De online mediaomgeving en desinformatie

Het probleem van desinformatie wordt versterkt doordat ons mediagebruik zich steeds meer verplaatst naar internet. Online kunnen burgers zelf een selectie maken in de schijnbaar onbeperkte stroom aan informatie van diverse bronnen. Burgers kiezen niet langer uit een selectie van geverifieerd nieuws dat volgens journalistieke standaarden wordt geproduceerd, maar zien steeds vaker nieuws van online vrienden, volstrekt onbekende bronnen, of nieuws dat hen via algoritmen tegemoet komt.

Belangrijk is hierbij dat mensen bij voorkeur informatie kiezen die hun opvattingen bevestigt.  Dit is ook een belangrijke reden waarom nepnieuws kan overleven: mensen zijn gemotiveerd om hun bestaande (politieke) overtuigingen te bevestigen, wat vaak zelfs zwaarder weegt dan over de meest accurate kennis te beschikken.

Tegelijkertijd zijn er tegenwoordig steeds meer fact-checkers actief, die proberen om onjuiste informatie te bestrijden. De grote vraag is: helpt dat?

Experiment

Om die vraag te onderzoek hebben we twee online experimenten in de Verenigde Staten uitgevoerd. Deelnemers aan het onderzoek werden allereerst aan desinformatie blootgesteld. In de eerste studie zagen zij nepnieuws over immigratie, en in de tweede studie ging het over de klimaatproblematiek.

Vervolgens kwamen participanten aan bij stap twee van het experiment: sommigen kregen de keuze om vrijwillig een fact-check te lezen (deze fact-check weerlegde de standpunten van het artikel dat ze net gelezen hadden), terwijl anderen werden gedwongen om een dergelijke fact-check te lezen (een voorbeeld van zo’n fact-check staat hieronder).

Tot slot moesten de deelnemers aan het onderzoek een aantal vragen beantwoorden over de inhoud van het artikel.

De belangrijkste vragen voor dit onderzoek waren:

  1. in hoeverre zijn mensen bereid om een fact-check te kiezen?
  2. in hoeverre kan een fact-check helpen om de negatieve consequenties van desinformatie tegen te gaan?

Wel of niet kiezen voor een fact-check

Allereerst blijkt dat de kans op het lezen van een fact-check groter is als het nieuwsbericht dat mensen gelezen hebben, niet strookt met hun eigen opvattingen.

Dat is vooral duidelijk als het gaat om nieuws over de komst van vluchtelingen naar de VS. Mensen kiezen vooral voor het lezen van een fact-check als ze nepnieuws over immigratie hebben gelezen waar ze het niet mee eens zijn. Mensen vermijden fact-checks als ze het eens zijn met het nepnieuws.

Dit kan negatieve politieke gevolgen hebben: mensen staan niet volledig open voor een aanval op hun bestaande overtuigingen door een fact-check die laat zien dat ze ongelijk hebben.

Bij nieuws over klimaatverandering zien we iets anders. Hier zijn het juist de hoger opgeleiden en de mensen met minder vertrouwen in de media die ervoor kiezen om een fact-check te lezen.

Dus, als het gaat om klimaatverandering is de motivatie om een fact-check te lezen: het hebben van feitelijk correcte opvattingen. Bij immigratienieuws  is het bevestigen van bestaande overtuigingen de belangrijkste motivatie.

Gedwongen fact-checks lezen

Maar als mensen ervoor kiezen of gedwongen worden om een fact-check te lezen, helpt dat tegen nepnieuws? Oftewel, kunnen fact-checks een halt toeroepen aan desinformatie?

Het antwoord is bevestigend.

Uit de resultaten van onze studie kunnen we opmaken dat fact-checks een belangrijk verschil kunnen maken. Als mensen een fact-check hebben gelezen die de desinformtie weerlegt, zijn mensen het ook minder eens met die desinformatie. Oftewel, als mensen geen fact-check hebben gelezen, zijn ze meer geneigd om de desinformatie te geloven. Politieke voorkeuren spelen hierbij geen rol.

Gepolariseerde groepen die totaal andere opvattingen hebben over klimaatverandering en immigratie, komen zelfs dichter bij elkaar na het lezen van fact-checks. Mensen die een fact-check lezen die aangeeft dat ze gelijk hebben, veranderen hun mening niet, en mensen die een fact-check lezen die hun ongelijk aantoont, passen hun meningen aan – waardoor het gat tussen mensen met tegengestelde opinies kleiner wordt.

Aanbeveling: maak fact-checks aantrekkelijk

Onze bevindingen hebben belangrijke implicaties voor de journalistiek. Allereerst tonen we aan dat fact-checks een belangrijk middel zijn om misvattingen veroorzaakt door desinformatie te corrigeren.

Daarnaast laten de bevindingen zien dat het, zeker voor gevoelige issues als immigratie, belangrijk is dat fact-checks die indruisen tegen de bestaande politieke opvattingen van mensen, toch gezien worden door die personen.

Het is dus cruciaal dat fact-checks in een format worden gegoten dat aantrekkelijk is voor mensen met verschillende meningen. Want op internet kunnen mensen immers heel makkelijk voorbij gaan aan fact-checks als ze geen zin hebben om gecorrigeerd te worden.

Het bedenken van aansprekende formats voor het presenteren van fact-checks is een belangrijke opdracht aan fact-checkers . Want fact-checks kunnen er voor zorgen dat verschillende groepen in de samenleving het tenminste eens worden over de feitelijke basis van kennis.

Michael Hameleers, Toni van der Meer (2019). Misinformation and Polarization in a High-Choice Media Environment: How Effective Are Political Fact-Checkers? Communication Research.

Michael Hameleers, Toni van der Meer

Het artikel Fact-checks helpen tegen desinformatie! Maar dan moeten ze wel gezien worden verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Burgers vinden een woedende politicus ongepast – behalve als ze het eens zijn met de politicus

Een politicus die woedend in de media reageert op een beleidsmaatregel – wat vinden burgers daar eigenlijk van? Jonathan van ’t Riet en Gabi Schaap, onderzoekers van de Radboud Universiteit in Nijmegen, deden hier onderzoek naar. En concluderen dat het uitmaakt welke opvatting mensen hebben over het onderwerp.

Vetes, fittie’s en woede zijn niet meer weg te denken uit de politiek. In Nederland trekt Geert Wilders op rechts ten strijde en Lilian Marijnissen op links, maar meestal op dezelfde manier: verongelijkt, getergd, woedend.

Hoewel op social media en in de pers de discussie over het waarom van de boze burger en de woedende politicus welig tiert, is er nog te weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar deze politiek van de woede. Daarom zijn wij, onderzoekers van het Behavioural Science Institute aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, begonnen met onderzoek naar het fenomeen. Met als eerste vraag: wat is het effect van boze polititieke communicatie op ontvangers?

Woede is ongepast

De onderzoekers deden vier experimenten, waarin ze de deelnemers een politieke boodschap lieten lezen. Daarbij las de helft van de deelnemers een boodschap waarin een politicus ‘woedend’ was over een beleidsvoornemen, terwijl de andere helft een boodschap las waarin dezelfde politicus het er ‘niet mee eens’ was. In alle vier de experimenten bleek dat de deelnemers de woedende boodschap als ongepast zagen. Daarnaast vonden ze de woedende politicus minder aardig en minder competent dan de niet-emotionele politicus.

Onderzoekspublicatie:

Jonathan Van’t Riet, Gabi Schaap & Mariska Kleemans (2018). Fret not thyself: The persuasive effect of anger expression and the role of perceived appropriateness.  Motivation and Emotion.

Deze resultaten waren moeilijk te verklaren. Als de burger woede ongepast vindt, waarom zijn politici dan zo boos? De onderzoekers redeneerden dat verschillende mensen misschien wel heel erg verschillen in wat ze passend en niet passend vinden. Het uiten van woede zal hoogstwaarschijnlijk vooral aanslaan bij de eigen aanhang. En misschien wordt woede niet zozeer gebruikt om neutrale kiezers te overtuigen, maar vooral om de eigen aanhang op te zwepen.

Energizing the base

Een recenter onderzoek leverde voorzichtige steun voor deze hypothese op. De deelnemers kregen een (fictief) nieuwsbericht te lezen waarin een politicus zich uitsprak tegen een vrijhandelsakkoord tussen de EU en de VS. Net als in eerder onderzoek was het nieuwsbericht zodanig gemanipuleerd dat de helft van de deelnemers een bericht las waarin de politicus woedend was, terwijl de desbetreffende politicus het voor de andere helft van de deelnemers slechts oneens was met het verdrag.

De resultaten lieten zien dat ook nu de woedende boodschap als minder gepast werd gezien dan de niet-emotionele boodschap, maar deze keer alleen voor diegenen die een positieve houding ten opzichte van de EU hadden. Deelnemers met een negatieve houding ten opzichte van de EU vonden de woedende boodschap wel gepast. Sterker nog: zij vonden de niet-emotionele boodschap ongepast.

Onderzoekspublicatie:

Jonathan Van ’t Riet, Gabi Schaap, Mariska Kleemans, Harm Veling & Sophie Lecheler (2018). On Different Sides: Investigating the Persuasive Effects of Anger Expression in Political News Messages. Political Psychology.

Woede in politieke communicatie kan dus vaak als ongepast worden gezien, maar niet door diegenen die het met de boodschap eens zijn, of zelf ook boos zijn. Het lijkt er dus inderdaad op dat politici woede niet gebruiken om neutrale kiezers over de streep te trekken, maar vooral om hun eigen achterban te mobiliseren. ‘Driving up the rage’, zoals men in Amerika zegt, is een goede strategie als het gaat om ‘energizing the base’.

Voorzichtig koorddansen

Tegelijkertijd was uit de eerste serie onderzoeken gebleken dat woede als ongepast gezien kan worden. Daardoor bestaat veel politieke communicatie anno 2019 uit een uiterst voorzichtig koorddansen, waarin politici woede gebruiken om hun achterban te mobiliseren, maar willen voorkomen dat ze zo ver over de schreef gaan dat teveel neutrale kiezers op ze afknappen.

De wisselende resultaten van de partijen van Wilders en Marijnissen op verkiezingsavonden suggereren dat ze deze kunst nog niet tot in de perfectie beheersen.

Jonathan van ’t Riet, Gabi Schaap

Het artikel Burgers vinden een woedende politicus ongepast – behalve als ze het eens zijn met de politicus verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

De staat van social in 2019 [onderzoek]

Hoe staat social media ervoor, zo aan het begin van 2019? Waar besteden marketeers wereldwijd hun tijd aan en waar worstelen ze mee? In dit artikel deel ik de opvallendste resultaten uit het nieuwste Buffer-onderzoek met je. Buffer (bekend van de socialmedia-tool) doet elk jaar onderzoek naar social media. Het bedrijf vraagt zich af hoe […]

Waarom messaging apps steeds belangrijker worden voor nieuws

Een gebrek aan privacy, polariserende online discussies en toenemende commercialisering: Facebookgebruikers posten steeds minder op hun tijdlijn. In plaats daarvan nemen zij in toenemende mate hun toevlucht tot meer private social media, zoals WhatsApp. Ook voor het volgen en delen van nieuws worden messaging apps steeds belangrijker, zo blijkt uit survey-onderzoek. Maar welk nieuws delen gebruikers precies in die appgroepen en wat doen ze ermee?

Met tools als Chartbeat en Google Analytics kunnen nieuwsorganisaties nauwgezet analyseren welk nieuws wanneer de meeste traffic oplevert op Twitter, of welk verhaal het populairst is op Facebook. Voor WhatsApp ontbreken die gegevens. Waar veel social media platformen standaard een zogeheten referrer meegeven als iemand op een link klikt, is dat bij WhatsApp – net als bij Facebook Messenger en andere “dark social media” – niet het geval.

Het gevolg: nieuwsorganisaties hebben weinig zicht op welk nieuws binnen messaging-apps wordt gedeeld en hoe en waarvoor zulk nieuws wordt gebruikt. Ook vanuit de wetenschap is weinig bekend over hoe mensen nieuws op WhatsApp ervaren en wat hun beweegredenen zijn voor het consumeren, delen en bediscussiëren van nieuws in privégesprekken en appgroepen.

In een recent onderzoek, gepubliceerd in New Media & Society en Digital Journalism, ondervroegen we daarom verschillende groepen mensen over het belang van nieuws en actualiteit in hun dagelijkse gesprekken op besloten sociale media platforms, zoals WhatsAppgroepen en besloten Facebookcommunities. Hiervoor spraken we in focusgroepen met collega’s, vrienden, buren, teamgenoten en vrijwilligers. Zij kenden elkaar persoonlijk en communiceerden daarnaast ten minste om de dag met elkaar via social media.

Nieuws op besloten sociale media

Onze groepsgesprekken bevestigen dat de meeste mensen Facebook op een passieve manier gebruiken. Facebook is een verzamelplaats waar verschillende stromen informatie samenkomen – van journalistiek tot politieke satire en entertainment – maar gebruikers zeggen zelf nauwelijks meer op hun tijdlijn te posten. Ook zien ze steeds minder bijdragen van vrienden en familie voorbijkomen.

Facebook is daarmee een nuttige bron voor het vínden van nieuws, maar voor het praten over en bediscussiëren van nieuws geven gebruikers de voorkeur aan meer besloten omgevingen, zoals privécommunities op Facebook of WhatsAppgroepen. Nieuws delen voelt hier veiliger, omdat gebruikers precies weten wie hun berichten kan zien.

Terwijl het geven van je mening over een nieuwsonderwerp op Facebook wordt gezien als een expliciet statement, dat voor altijd zichtbaar blijft voor anderen en niet terug te trekken valt, worden op WhatsApp-berichten al snel bedolven onder het grote aantal andere berichten. Daardoor zijn gesprekken over nieuws hier meer verkennend van aard.

Bij het delen van nieuws op WhatsApp gaat het bovendien vooral om achtergronden bij nieuws, waar groepsleden via andere nieuwsplatformen al mee in aanraking zijn gekomen. Belangrijk voor gebruikers zijn bijvoorbeeld nieuwsverhalen die het mogelijk maken een onderwerp vanuit meerdere perspectieven te benaderen of die verschillende aspecten van een probleem duiden. Zulke nieuwsverhalen helpen hen om verbanden tussen verschillende nieuwsgebeurtenissen te leggen en hun mening te vormen. Gebruikers geven daarbij de voorkeur aan nieuws van nieuwsorganisaties die ze kennen. Deze worden gezien als betrouwbaarder.

Het belang van de sociale context

De meeste gebruikers die we spraken waren onderdeel van verschillende WhatsApp- en Facebookgroepen. Wat gebruikers deden met nieuws verschilde echter sterk afhankelijk van de sociale context van de groep, zelfs al ging het om dezelfde persoon. Social media communities hebben over het algemeen een bepaald doel, met daaraan gekoppeld specifieke sociale normen over wat wel en niet hoort in de groep.

Sommige groepen gebruikten hun communities als curatietool: een bron voor nieuws over een specifieke gedeelde interesse, zonder hier verder op in te gaan of erover te discussiëren. Anderen gebruikten hun groep om actief te discussiëren over politieke onderwerpen, als manier om onderdeel te worden van de groep. In weer andere communities had nieuws geen duidelijke sociale functie en werd het delen of bediscussiëren van nieuws juist als not done ervaren.

Opvallend: naarmate sociale banden tussen mensen in WhatsApp groepen zwakker waren en de groepsleden minder gemeenschappelijke interesses hadden, speelden nieuws en actualiteiten een grotere rol. Dit benadrukt de sociale functie van journalistiek en de mogelijkheid voor nieuws om sociale verbondenheid tussen mensen te stimuleren.

Gevolgen

De verschuiving van gebruikers naar dark social media maakt het lastiger voor nieuwsorganisaties om nieuwsverhalen op grote schaal te verspreiden. Op een meer besloten platform als WhatsApp gaat een bericht minder snel viral dan bijvoorbeeld op Facebook.

Daarnaast kun je je afvragen wat de toenemende populariteit van dark social media betekent voor de democratische rol van de nieuwsmedia. Publiek debat stimuleren tussen verschillende groepen in de samenleving gaat immers een stuk lastiger als die discussies plaatsvinden achter gesloten deuren, in communities die niet toegankelijk zijn voor buitenstaanders. Het faciliteren van zo’n “publieke connectie” en tegelijkertijd garanderen dat gebruikers een begrip kunnen ontwikkelen van nieuwsonderwerpen in een omgeving die ze als veilig ervaren, is daarmee een belangrijke toekomstige uitdaging voor nieuwsorganisaties.

Dit artikel is gebaseerd op onderzoek gepubliceerd is in de wetenschappelijke tijdschriften Digital Journalism en New Media & Society.

Joëlle Swart, Chris Peters, Marcel Broersma

Het artikel Waarom messaging apps steeds belangrijker worden voor nieuws verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast

Deze week was in het nieuws dat het vooral ouderen zijn die nepnieuws op Facebook delen. De aanleiding was een wetenschappelijk onderzoek dat was verschenen. Maar hoe zeker weten we nu eigenlijk dat we voortaan ouderen de schuld kunnen geven van het verspreiden van nepnieuws?

Diverse media (onder meer NRC, NOS, Trouw, Bright) meldden deze week dat het vooral oudere Facebookgebruikers zijn die nepnieuws verspreiden. Ze baseren zich op een wetenschappelijk onderzoek van drie Amerikaanse politicologen, dat afgelopen week is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science Advances.

De onderzoekers constateren inderdaad dat 65-plussers liefst zeven keer zo vaak nepnieuws delen dan dertigers. Wat dat betreft is er niks mis met de berichtgeving: de media melden wat de onderzoekers concluderen.

Politiek nepnieuws

Maar toch het is goed om een slag om de arm te houden. Allereerst ging het in dit onderzoek om een specifieke categorie nieuws, namelijk nieuws over de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Politiek nieuws dus. Het zou best kunnen dat andere soorten nepnieuws juist door jongere mensen wordt verspreid.

Belangrijker nog is dat het aantal mensen dat nepnieuws deelt op Facebook behoorlijk klein is. Ruim 90% van de mensen doet dat niet, volgens dit onderzoek. Slechts 8,5% van de deelnemers aan het onderzoek had in de onderzoeksperiode nepnieuws gedeeld op Facebook.

Klein aantal mensen

Dat kleine percentages heeft belangrijke consequenties voor de conclusies die je kan trekken. Het betekent namelijk dat de conclusies zijn gebaseerd op een heel klein aantal mensen. Reken maar even mee.

In totaal deden 1191 mensen aan het onderzoek. 8,5% van hen deelde in de onderzoeksperiode nepnieuws op Facebook. Dat zijn dus 101 mensen. Die werden verdeeld over vier leeftijdscategorieën om te zien welke leeftijdsgroep het vaakst nepnieuws deelt. Dan houdt je dus gemiddeld maar 25 mensen per leeftijdscategorie over.

Dat zijn geen hele robuuste aantallen om hard te maken dat leeftijd van invloed is op de verspreiding van nepnieuws. Met zulke kleine aantallen is de kans best groot dat het gevonden verband tussen leeftijd en het verspreiden van nepnieuws toevallig is.

Om er zeker van te zijn dat het zo is, zul je dit beslist vaker moeten onderzoeken. Alleen dan kan je wetenschappelijk vaststellen of deze hypothese stand houdt. Nog maar even niet als waarheid op Facebook en in de media verspreiden dus.

Alexander Pleijter

Het artikel Dat vooral ouderen nepnieuws verspreiden staat helemaal nog niet vast verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Welke rol spelen media in het succes van rechts-populistische partijen?

politiWaarom zijn rechts-populistische partijen succesvol in Nederland en Vlaanderen, maar niet in Wallonië en Luxemburg? Léonie de Jonge doet onderzoek naar deze vraag en kijkt onder meer naar de rol van de media. Uit haar interviews met hoofdredacteuren blijkt dat redacties in Vlaanderen en Nederland heel anders aankijken tegen berichten over rechts-populistische partijen dan redacties in Luxemburg en Wallonië.

Het rechts-populisme doet het momenteel heel goed in Europa. Ook landen die lang immuun leken voor deze stroming (bijvoorbeeld Duitsland en Zweden) zijn inmiddels getuige geworden van de opkomst van radicaal rechts-populistische partijen. Zelfs Spanje heeft sinds kort te maken met een nieuwe partij op rechts (genaamd ‘Vox’), die begin december 12 van de 109 zetels in het regionale parlement in Andalusië wist te behalen.

Toch zijn er nog steeds een paar landen en regio’s in Europa waar rechts-populistische partijen (tot op heden) niet hebben kunnen doorbreken. Het gaat dan met name om Ierland, Portugal, Luxemburg en Wallonië.

Hoe komt dat? De Benelux-landen zijn bij uitstek een relevante regio om deze vraag te beantwoorden: Waarom lijken rechts-populistische partijen meer succes te hebben in Nederland en Vlaanderen dan in Luxemburg en Wallonië?

Poortwachters van de politiek

In mijn proefschrift neem ik het partijlandschap en het medialandschap onder de loep. De gevestigde politieke partijen en de media fungeren samen namelijk als ‘poortwachters’ die bepalen wie de electorale arena mag betreden, en hebben daardoor invloed op zowel vraag als op aanbod.

Enerzijds kunnen zij de vraag naar rechts-populisme voeden (of dempen), bijvoorbeeld door veel aandacht te besteden aan thema’s die voor deze partijen centraal staan, zoals migratie en onzekerheid. Anderzijds (en dan hebben wij het over de ‘aanbodzijde’) kunnen de traditionele politieke partijen ruimte voor rechts-populistische partijen creëren, bijvoorbeeld door naar het midden op te schuiven. Op hun beurt kunnen media een platform bieden aan rechts-populistische politici, of deze juist boycotten.

De rol van de media

Over de rol die media zich toekennen in de berichtgeving over rechtspopulisme, verscheen deze maand een artikel in de International Journal of Press/Politics. Dat artikel gaat – net als dit artikel – uitsluitend in op de rol van de media.

Zo’n focus riskeert natuurlijk dat te veel waarde wordt gegeven aan de media. Daarom eerst even voor alle duidelijkheid: de media zijn slechts één van vele factoren die bijdragen aan de opkomst van rechts-populistische partijen, zij zijn op zichzelf niet doorslaggevend. Hoewel de invloed van de media niet mag worden overschat, spelen zij een belangrijke rol op het maatschappelijk toneel. Maar welke rol spelen de media precies in het succes van (rechts)populistische partijen? Hoe gaat de journalistiek om met rechts-populisme?

Om inzicht te krijgen in deze vraag, sprak ik bijna 50 hoofdredacteuren en journalisten in de Benelux. Daaruit blijkt dat de wijze waarop de media omgaan met rechts-populisme zeer verschillend is in deze drie landen. In Luxemburg en Wallonië worden rechts-populistische partijen totaal buitenspel gezet, terwijl Vlaamse en Nederlandse journalisten zich over het algemeen milder opstellen.

Luxemburg: verzuild medialandschap

In Luxemburg heerst er een consensus onder journalisten om het populisme en extremisme tegen te gaan. Journalisten vinden dat de media geen platform mogen bieden aan politici met radicale en extremistische overtuigingen. Een hoofdredacteur die ik sprak beweerde bijvoorbeeld dat zijn krant probeert om “de verschillende clichés en vooroordelen die door dit soort mensen worden verspreid te ontmaskeren” door deze met feiten te weerleggen.

Over het algemeen is het Luxemburgse medialandschap heel gematigd. Dat heeft er onder andere mee te maken dat de media minder gecommercialiseerd zijn dan in andere landen. Luxemburg heeft iets meer dan een half miljoen inwoners, en toch zijn er zes dagbladen. Dit verrassende grote aantal kranten kan worden verklaard doordat de pers wordt gesubsidieerd door de overheid. Doel van de publieke financieringsregeling is het mediapluralisme te beschermen, omdat er door marktwerking maar één krant zou kunnen overleven.

Een tweede bijzonderheid van het Luxemburgse medialandschap is de verzuiling. Het ‘Luxemburger Wort’ (het grootste dagblad) is eigendom van de katholieke kerk, terwijl het ‘Tageblatt’ (de nummer twee) gedeeltelijk in handen is van de socialistische vakbond. Er bestaat een nauwe band tussen journalisten en politici omdat Luxemburg een klein land is. Bovendien is er weinig sensatiezucht in de Luxemburgse media. Over het algemeen zijn de Luxemburgse media daarom niet heel vatbaar voor rechts-populisme.

Wallonië: cordon sanitaire médiatique

In Wallonië bestaat er een formele overeenkomst tussen journalisten om extreemrechtse partijen totaal buiten spel te zetten. Het cordon sanitaire médiatique werd door Franstalige journalisten opgezet als reactie op de opkomst van het Vlaams Belang in de jaren negentig. Het idee was om een ‘schutskring’ (cordon sanitaire) aan te leggen rond extremistische partijen. Het doel was niet om deze stromingen te negeren, maar om ze te isoleren.

Het bestuur van de RTBF (de Belgische Franstalige publieke omroep) besloot dat politici met ‘vrijheidsberovende’ overtuigingen nooit live worden geïnterviewd en zij worden dan ook nooit uitgenodigd om deel te nemen aan tv-debatten. Deze richtlijnen zijn later geformaliseerd. Door deze zelf opgelegde maatregelen mag de Waalse publieke omroep geen toegang verlenen aan vertegenwoordigers van partijen met racistische of xenofobe opvattingen.

De redacties van commerciële zenders en kranten houden zich hier ook aan – ook buiten verkiezingscampagnes. Volgens een vertegenwoordiger van de RTBF is het belangrijk dat media geen neutraal doorgeefluik worden: “wij zijn de waakhonden van de democratie en als waakhond moet je niet alleen blaffen, maar ook bijten”.

Vlaanderen: losser cordon

In Vlaanderen bestond er aanvankelijk ook een cordon sanitaire, maar dat kwam er pas nadat het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 in Antwerpen meer dan 17 procent van de stemmen behaalde. Het mediacordon werd echter nooit geformaliseerd en daardoor minder strikt toegepast dan in Wallonië.

Dit kan deels worden verklaard door de snelle groei van het Vlaams Blok. Het is namelijk heel lastig om een partij te isoleren die een kwart van de stemmen behaalt, wat in 2004 het geval was in Vlaanderen. Naarmate het Vlaams Blok meer invloed kreeg, werd de berichtgeving in de media steeds genuanceerder. Over het algemeen vinden Vlaamse journalisten dat het belangrijk is om alle geluiden in de samenleving te laten horen.

Nederland: podium voor botsende meningen

Deze opvatting kwam ik ook in Nederland veel tegen. De meeste hoofdredacteuren zien de media als een podium voor botsingen binnen het maatschappelijk debat. Daarom willen zij aan de volledige bandbreedte van opinies gehoor geven.

In tegenstelling tot hun collega’s in België en Luxemburg maken Nederlandse journalisten een duidelijk onderscheid tussen rechts-populisme en rechts-extremisme. Sinds de opkomst van Pim Fortuyn zijn journalisten ervan overtuigd dat zij veel te lang opgesloten zaten in hun eigen bastion en daardoor niet genoeg aandacht besteedden aan de angsten en zorgen van ‘het gewone volk’. Voortaan zouden journalisten daarom “de dingen durven te benoemen voor wat ze zijn” om te voorkomen dat er opnieuw taboes ontstaan. Daardoor staat ‘de gewone burger’ nu centraal in de Nederlandse media.

Daarna vond er echter een soort van overcompensatie plaats: “we zijn met zijn allen de volksbuurten ingegaan, op zoek gegaan naar de gewone burger”, vertelde een hoofdredacteur mij. Deze tendens is na het Brexit-referendum en de overwinning van Trump versterkt. Na afloop van de Amerikaanse verkiezingen schreef Shula Rijxman, bestuurslid van de NPO, dat de Nederlandse publieke omroep ging “leren van Trump”:

“Ook in Nederland speelt de vraag of de zogenaamde mainstream media wel weten wat er speelt op straat. […] Wij in Hilversum trekken ons die discussie aan. Want de publieke omroep is er voor iedereen. Het is onze taak om alle geluiden en visies in de samenleving serieus te nemen en te laten zien en horen.”

De opvatting van journalisten over hoe de media moeten omgaan met populistische en extremistische stromingen zijn dus enorm veranderd in de afgelopen twee decennia.

Politiek opportunisme of journalistieke keuzes?

Luxemburgse en Waalse journalisten vinden dat de media consequent geen ruimte mogen bieden aan radicaal rechts-populistische bewegingen. Het lijkt er dus op dat zij andere principes nastreven dan hun Nederlandse en Vlaamse collega’s: voor hen is het vooral belangrijk om aan alle geluiden in de samenleving gehoor te geven. Hoe zijn de verschillende benaderingswijzen van de media tegenover rechts-populisten in de Benelux te verklaren?

Het zou natuurlijk kunnen dat de houding van journalisten gekoppeld kan worden aan de electorale trajecten van rechts-populistische partijen. In Vlaanderen en Nederland redeneren journalisten dat het simpelweg ‘slechte journalistiek’ zou zijn om een succesvolle partij niet aan bod te laten komen. Luxemburg en Wallonië hebben nog niet te maken gehad met de opkomst van een succesvolle partij op rechts en het is ongetwijfeld veel gemakkelijker om een mediacordon te handhaven als er geen rechts-populisten aanwezig zijn.

Aan de andere kant is het inmiddels duidelijk dat de media wel degelijk een impact hebben. Het zou dus ook kunnen dat het gedrag van de media het juist moeilijker maakt voor rechts-populisten om voet aan de grond te krijgen. In Wallonië proberen journalisten resoluut elke bestaansmogelijkheid van rechts-populistische partijen te beperken. Daardoor worden deze bewegingen in de kiem gesmoord. Het lijkt er overigens op dat het tijdstip waarop een cordon vastgelegd wordt doorslaggevend is voor haar effectiviteit. Als er heel duidelijke en formele afspraken zijn over waar de grenzen zijn, dan is het voor partijen ook moeilijker om deze grenzen te overschrijden.

Of dit gezond is voor de ontwikkeling van een democratische samenleving is natuurlijk een andere vraag.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Stuk Rood Vlees.

de Jonge, L. (2018). The Populist Radical Right and the Media in the Benelux: Friend or Foe? The International Journal of Press/Politics.

Léonie de Jonge

Het artikel Welke rol spelen media in het succes van rechts-populistische partijen? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Doorgrond klantgedrag: 6 kritische vragen bij impliciet associatie-onderzoek

Een goede manier om het toekomstige gedrag van klanten te doorgronden is aan de hand van impliciet reactietijden-onderzoek. Deze methode meet voorkeur voor een product of advertentie, of het imago van een merk, op een onbewust niveau. Zaken waar we als consument zelf lang niet altijd met onze gedachten bij kunnen, laat staan erover praten. […]

Page generated in 2,079 seconds. Stats plugin by www.blog.ca