Personalised nutrition werkt pas echt goed op basis van leefstijl en omgeving

Hoe groot is de kans dat je gevoelig bent voor gluten? Ben je drager van het obesitasgen? En in hoeverre ben je meer duurloper of sprinter? Veel mensen zijn er nieuwsgierig naar. Wetenschappers ontdekken steeds meer verbanden tussen genetische aanleg en bepaalde eigenschappen. Door het DNA te analyseren kun je achterhalen wat voor jou specifiek wel of geen goede voeding is of welke sport het best bij je past. Maar voor wie gezonder wil leven, zit de grootste winst nog altijd in een verandering van leefstijl, ongeacht je genenpakket.

De jonge gezondheidsbewuste vrouw die wil weten hoe ze zo gezond mogelijk kan eten. De mannelijke veertiger die al jaren last heeft van vage buikklachten en duidelijkheid wil of het met lactose of gluten te maken kan hebben. De fanatieke sporter of ambitieuze carrièretijger die hun prestaties willen verbeteren. De oudere die nog zo lang mogelijk gezond wil leven of de jongere die het gewoon cool vindt. Allemaal mensen die Sander Bast de laatste jaren als klant heeft gehad bij zijn bedrijf Analyse Me om duidelijkheid te krijgen over hun DNA. Aan de hand van wat wangslijm op een wattenstaafje kan dit bedrijf dertig genetische eigenschappen bepalen, waarop je dan je leefstijl kunt aanpassen.

Personalised nutrition, of personalised health, is de toekomst. Althans, daar gaan veel wetenschappers nu vanuit. Richtlijnen zoals de Richtlijn Goede Voeding zijn opgesteld voor grote groepen mensen. Maar niet iedereen reageert hetzelfde op verschillende voedingsmiddelen. Als je diabetes hebt of hart- en vaatziekten, is er juist een aangepast voedingspatroon nodig. Bij een 18-jarige past een andere leefstijl dan bij een 70-jarige, en ga zo maar door. Dat zijn punten waar personalised health op inspeelt.

Genen of leefstijl

Nard Clabbers van TNO en het consortium Personalised Nutrition and Health, ziet ook zeker toekomst in gezondheidsadvies op basis van genen, maar denkt dat de grootste winst zit in adviezen op basis van leefstijl en fenotype. “Stel dat ik een tweelingbroer heb die iedere avond dineert met chips en drop, overgewicht heeft en niet sport. Die zou op basis van zijn genen hetzelfde advies krijgen als ik, terwijl ik veel sport, een goed gewicht heb en over het algemeen een gezond eet. Je kunt het meest bereiken door leefstijladviezen, en pas daarna komt je genetische aanleg om de hoek kijken.”

Het consortium, een samenwerking tussen TNO en Wageningen Research, doet veel onderzoek naar de technologische ontwikkelingen op het gebied van persoonlijke data, maar ook naar de gedragsverandering die nodig is om gezonder te leven. De technologische ontwikkelingen gaan heel hard. Via fitbits, apps, health trackers en allerlei andere apparatuur is het mogelijk om allerlei gezondheidsdata te verzamelen. Dat gebied ontwikkelt zich snel verder; van de genetische testen zoals Analyse Me die doet en glucosemetingen uit traanvocht, tot bloedtesten die je gewoon thuis kunt doen. Een gebrek aan data is er niet. De uitdaging zit in het vertalen van die uitkomsten naar de praktijk, hoe je die kennis goed kan combineren dat het waarde toevoegt voor de individuele consument.

Kennis leidt niet automatisch tot ander gedrag

“Je ziet dat de gedragscomponent groot is,” vertelt Clabbers. “Ook al hebben mensen de kennis over wat wel en niet goed voor ze is, het is toch lastig in te passen in de praktijk. Wij onderzoeken nu hoe je echt iets toevoegt voor mensen, zonder iets weg te nemen. Sommige mensen zijn wat huiverig over personalised nutrition. Ze zien het als de big brother, die je ervan weerhoudt om chocola te eten of bier te drinken. Dat moet personalised nutrition niet zijn. Het moet iets toevoegen, waardoor het mensen helpt de keuze te maken waarbij ze zich prettig voelen. Het moet mensen ontzorgen en helpen. Daarbij gaat het niet over het maken van nieuwe producten, maar om te helpen bij het maken van keuzes. Als je online boodschappen doet, is het nu ook al een stukje gepersonaliseerd. De app kent je favoriete producten, kan aanbevelingen doen gebaseerd op jouw boodschappenlijstje. Als je bijvoorbeeld aan je profiel kunt toevoegen dat je diabetes hebt, dan kan de app je daarvoor ook suggesties doen, waardoor de gezonde keuze de makkelijke keuze wordt. Zo zijn er talloze ontwikkelingen en koppelingen mogelijk.”

Ook voor Analyse Me is die gedragsverandering een aandachtspunt. “Onze klanten krijgen nu kennis over hun genetische aanleg voor bepaalde leefstijlpunten”, vertelt Bast. “We stellen er wel een paar interactieve vragen bij, zoals ‘hoeveel zuivel gebruik je nu?’ en geven de aanbevolen hoeveelheden op basis van geslacht, leeftijd en gewicht, maar er ontbreken nog veel gegevens. Hoe zit het met de huidige leefstijl, de doelen, de motivatie. Dat weten we nu niet, maar daar willen we wel naartoe. Dat je dan uiteindelijk met die gegevens, eventueel in combinatie met bloedwaarden en data uit wearables, begeleiding van een coach kunt krijgen om echt je leefstijl aan te passen op een manier die bij jou past.”

Wat kunnen we verwachten van personalised health in de toekomst?

Bast en Clabbers zijn er beiden van overtuigd dat personalised health alleen maar groter zal worden. Hoe snel dat gaat is de vraag. Clabbers denkt dat het niet zo heel snel zal gaan. “De veranderingen op het gebied van voeding gaan langzaam. Daar is meer sprake van evolutie dan revolutie. Maar de technologische ontwikkelingen gaan zo snel. Twintig jaar geleden hadden we er ook geen idee van hoe groot de rol van internet en sociale media nu zou zijn. We zien wel dat grotere bedrijven zich ook meer gaan interesseren voor personalised nutrition: cateraars, supermarkten, restaurantketens, voedingsbedrijven zijn er allemaal mee bezig. Gezondheidsdata van bijvoorbeeld fitbits zijn makkelijk te integreren in bestaande programma’s en dat zal ook snel gaan gebeuren. Dan kan iedereen ervan profiteren, onafhankelijk van inkomen of opleidingsniveau.”

Bast verwacht dat er over 5 à 10 jaar wel best veel veranderd zal zijn. “De ontwikkelingen gaan snel en de wetenschap wordt steeds beter. Het zou me niet verbazen als over een paar jaar mensen thuis hun DNA zelf kunnen onderzoeken en van daaruit een gepersonaliseerd advies krijgen. Maar we moeten wel transparant en eerlijk blijven in wat we doen.” Hiermee refereert hij aan een recente uitzending van ‘Opgelicht’ waaruit bleek dat mensen een willekeurig DNA-rapport opgestuurd kregen. “Het DNA-onderzoek gaat groter worden en ik zou graag met allerlei partijen in overleg om gezamenlijk afspraken te maken waaraan deze bedrijven moeten voldoen. Betrouwbaarheid, nauwkeurigheid en transparantie zijn heel belangrijk hierin. Als dat goed gaat, ligt er een grote toekomst voor personal health. De ontwikkelingen op dit gebied zijn niet tegen te houden.”

‘Iedereen een persoonlijke digitale gezondheidsomgeving’

Minister Bruno Bruins (Medische Zorg) heeft een regeling aangekondigd, waarmee het voor iedere Nederlander mogelijk wordt om de komende jaren kosteloos gebruik te maken van een digitale persoonlijke gezondheidsomgeving. Hiermee kun je als patiënt zelf bepalen of en met welke zorgverleners je jouw medische gegevens deelt.

Een PGO is een digitaal hulpmiddel, bijvoorbeeld een website of app, waarmee je toegang hebt tot je eigen gezondheidsgegevens. Met een PGO krijgen patiënten meer regie over de eigen gezondheidsgegevens. In een gezondheidsomgeving kan iedereen dus straks de gegevens zien die bijvoorbeeld jouw huisarts, apotheek en ziekenhuis over jou hebben verzameld. Daarnaast bieden de PGO’s allerlei mogelijkheden tot ondersteuning van een gezonde leefstijl, zoals bijvoorbeeld het thuis meten en vastleggen van je hartslag.

De gebruikersregeling is een tijdelijke financieringsregeling voor de leveranciers van de persoonlijke gezondheidsomgeving. De gebruikersregeling is geen subsidie, iedere leverancier kan zich inschrijven en er zit geen limiet aan het aantal gebruikers. De leveranciers dienen te voldoen aan het MedMij-label waardoor gezondheidsgegevens veilig uitgewisseld kunnen worden.

Derk Arts (Castor): ‘Beter ontsluiten van data moet medisch onderzoek verbeteren’

Welk medicijn een dokter voorschrijft wordt onder meer bepaald door medisch onderzoek. ‘Wij faciliteren elke medische onderzoeker in de wereld om hele hoge kwaliteit data te verzamelen die ze dan kunnen analyseren en daar dan een paper over kunnen schrijven. Dat leidt dan uiteindelijk tot de richtlijn van de huisarts, zodat patiënten de juiste behandeling krijgen. Wij zijn één van de weinige systemen in de wereld die professionele kwaliteit bieden tegen een betaalbare prijs”, aldus Derk Arts oprichter en CEO van Castor EDC bij Top Names.

Basic-Fit: hoe technologie 1,8 miljoen leden helpt

Het concept van Basic-Fit lijkt bedrieglijk eenvoudig: digitaliseer zoveel mogelijk processen en diensten zodat je de kosten laag en de klanttevredenheid hoog houdt. Daarachter schuilt bijna een technologiebedrijf dat leden hyperefficiënt bedient.

Basic-Fit is Europees marktleider in het budgetfitnesssegment. Het bedrijf is actief in Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Spanje. Het heeft meer dan 600 clubs, 1,8 miljoen leden en zo’n 5000 medewerkers. Alle landen worden aangestuurd vanuit het hoofdkantoor in Hoofddorp, onder andere door Erica Hahn, International Marketing Manager en Pierre Coolen, International Customer Care Manager. Zij vertellen hoe ze Basic-Fit-leden werven en behouden.

Offline en digitaal gaan hand in hand

Basic-Fit staat open voor iedereen. In de praktijk blijkt dat het concept met name goed aansluit bij de wensen van millennials. Een groot deel van de leden is millennial of jonger. “Fitness is sowieso iets wat jongeren veel doen. En als we deze doelgroep nu aantrekken, blijven ze als ze ouder zijn bij ons sporten. We zien ook dat de acquisitiekosten van oudere doelgroepen veel hoger liggen, maar we vinden het belangrijk om een goede leeftijdsmix te hebben in onze clubs. Jongeren zijn over het algemeen veel geïnteresseerder in fitness en hebben minder overtuiging nodig om ermee te beginnen dan ouderen.”

Daarbij is personalisatie in de gehele mediamix heel belangrijk. Van elke advertentie wordt een aantal varianten gemaakt en getest op de verschillende segmenten.. Door in Salesforce Advertising Studio onze database realtime te koppelen aan het advertentiesysteem kunnen we mensen die net lid zijn geworden uitsluiten van campagnes. Dan vermijd je dus dat bestaande leden met berichten worden geconfronteerd die niet relevant voor hen zijn. Ook kunnen we de journeys beter managen over de verschillende platformen en afhankelijk van de boodschap het kanaal kiezen.”

De eerste weken zijn cruciaal

Vervolgens is het natuurlijk zaak om de nieuwe leden zo goed mogelijk van dienst te zijn. “Als het gaat om retentie werken we nauw samen met marketing,” zegt Pierre. “We willen een verandering bewerkstelligen, van niet naar wel sporten. Om een nieuw lid zo goed mogelijk op weg te helpen, bieden we digitale ondersteuning. De eerste weken zijn cruciaal bij het veranderen van gewoontes. We willen onze leden helpen om hun fitnessreis zo goed mogelijk te starten.”

Voor wie zonder plan gaat fitnessen en dus niet weet hoe je moet trainen, waar de apparaten voor dienen, enzovoorts, is het begin moeilijker dan voor iemand die wel goed is geïnformeerd en een plan heeft, stelt Pierre. Leden kunnen ervoor kiezen om fysieke begeleiding te krijgen door met een personal trainer te werken. Een lid dat hier niet voor kiest, krijgt op een andere manier persoonlijke begeleiding. “We doen dan alles digitaal om je zo goed mogelijk te helpen. Als je je hebt aangemeld, ontvang je een mail met je gegevens en een link naar de landingspagina waar Ruby, de virtuele assistent, je een aantal vragen stelt om een persoonlijk trainingsplan voor je samen te stellen.”

Efficiency en schaalbaarheid

Bij het automatiseren van de processen en diensten staat voorop dat de verandering waarde moet toevoegen en weinig handwerk moet kosten. Om die reden is er bijvoorbeeld een chatbot gelanceerd, vertelt Pierre. “Die helpt om het juiste lidmaatschap te kiezen en verwijst bij vragen door naar de juiste selfservice kanalen. Het doel is om klantvriendelijk te zijn en onze leden echt goed te ondersteunen. Tegelijkertijd hebben we live chat, zodat een medewerker kan ingrijpen als de bot de vraag van de klant niet herkent.”

Belang van technologie

Bij alles wat Basic-Fit doet, is technologie ‘superbelangrijk’, aldus Erica. “Juist omdat we een budgetketen zijn kunnen we door slim gebruik van technologie voor een lage prijs de hele ervaring bieden. Met technologie is alles mogelijk, aan ons de taak om het zo in te zetten dat het de consument toegevoegde waarde biedt.”

Voor Pierre zit het grote voordeel in de schaalbaarheid van het callcenter. “We hebben nu zeshonderd clubs, maar dankzij de tools die we gebruiken kunnen we gemakkelijk opschalen. In Salesforce Service Cloud loggen we alle cases – hoelang staat een vraag open en moet iemand wachten op antwoord? Met die informatie kunnen we efficiënt werken. En we sturen zoals gezegd aan op selfservice. Onze doelgroep verwacht dat ze met drie muisklikken hun adres kunnen wijzigen of een vraag kunnen stellen over een nieuw trainingsschema. Technologie maakt dat mogelijk.”

Rabo Ventures investeert in medische AI

Rabo Ventures, het investeringsinitiatief van Rabobank, investeert in de medische Artificial Intelligence (AI) start-up Aidence. Het Nederlandse bedrijf probeert medische diagnostiek te verbeteren aan de hand van Deep Learning.

Rabo Ventures nam deel in de door Inkef Capital geleide series A-financieringsronde van 10 miljoen euro. Andere bestaande investeerders in Aidence zijn Northzone, HenQ en Health Innovations. Daarmee bereikt de totale door Aidence opgehaalde financiering op 12,5 miljoen euro.

Aidence is opgericht in 2015 en heeft naam gemaakt met medische beeldvorming op basis van de AI software Veye Chest. Aidence Veye Chest assisteert radiologen in detectie en rapportage van longnodules op CT Thorax beelden. De technologie is al in meer dan 10 ziekenhuizen in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Scandinavië geïnstalleerd.

Essilor bevestigt overname Brille24

Lenzenfabrikant Essilor bevestigt dat het de Europees werkende brillenwinkel Brille24 wil kopen. Tegelijkertijd maakt het concern bekend een online partij in Zuid-Europa en twee in Zuid-Amerika te acquireren.

De overnames moeten verder gestalte geven aan het digitale b2c-kanaal van Essilor. Met de aangekondigde transacties bouwt het zijn aantal verkoopkanalen uit in veertien markten, waaronder Nederland met Brillen24.nl.

Brille24 realiseerde afgelopen jaar een omzet van 25 miljoen euro in Duitsland. Alle gekochte partijen bij elkaar leveren een omzetbijdrage van 48 miljoen euro.

Foto: James MacKintosh (cc)

Otolift: één platform, één kans op verkoop

Een product van duizenden euro’s dat vanaf een plaatje eenmalig wordt gekocht – dat is de unieke marketingfunnel waar Otolift mee te maken heeft. “Zodra iemand in de markt is voor een traplift, moeten wij er zijn, anders is onze kans voorgoed verkeken,” zeggen Boy Stoops en Jeroen Wolf van Otolift.

Koninklijke Otolift Trapliften werd in 1891 opgericht en begon in de jaren zestig van de vorige eeuw met het ontwikkelen van trapliften. Boy Stoops is marketingmanager bij het familiebedrijf, Jeroen Wolf commercieel directeur. Zij hebben drieënhalf jaar geleden samen de marketing van Otolift opgezet. “Dat was nodig door veranderingen in de markt,” zegt Jeroen. “Voorheen was 80 procent van onze omzet afkomstig van aanbestedingen en 20 procent van consumenten. Dit betekende dat bijvoorbeeld de gemeente Den Haag een aanbesteding uitschreef voor het installeren van alle trapliften bij mensen die onder de WMO-regeling vielen.”

Hierin staat dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn. Door aanscherping van die wet in 2015 worden er nog nauwelijks vergoedingen voor trapliften gegeven. “De consument moet zo’n aanschaf dus zelf bekostigen. Dat betekent dat wij op een andere manier de markt moeten bewerken en in-house met B2C-marketing zijn gestart, in plaats van het uit te besteden aan externe partijen.”

Doel daarvan is om zoveel mogelijk leads en naamsbekendheid te genereren. Otolift was heel bekend bij gemeenten maar een kleine speler op de particuliere markt. “Onze grootste concurrent was al eerder gestopt met de aanbestedingen. Toch zijn we erin geslaagd om marktleider te worden in het consumentensegment,” zegt Jeroen.

“Dat hebben we bereikt door zichtbaar te zijn en de kanalen efficiënt in te zetten,” vult Boy aan. “Vroeger deden we vooral print, maar online wordt steeds belangrijker, zowel organisch als betaald. Mensen komen tegenwoordig met een tablet in de hand de showroom inlopen. Met name Google Ads en Facebook zijn voor ons interessant.”

Snelle besluitvorming

Wat marketing uitdagend maakt, is het feit dat mensen zich pas gaan oriënteren op een traplift als ze er echt eentje nodig hebben. Het is daardoor lastig om naamsbekendheid op te bouwen. Jeroen: “De advertenties worden niet gelezen zolang iemand de trap nog op kan komen. Daar komt bij dat het een eenmalige aanschaf is. Als er morgen een nieuwe trapliftfabrikant op de markt komt, dan concurreert die meteen mee. Er is geen merkbeleving, we moeten het hebben van leads en er zijn op het moment dat mensen een traplift nodig hebben. De besluitvorming gaat snel – je hebt het eerder over uren dan dagen.”

Doordat een traplift wordt gezien als medisch product, omdat het iets zegt over je fysieke gesteldheid, is de mogelijkheid tot retargeting beperkt. “We mogen bijvoorbeeld geen custom audiences creëren. Er zijn wel platformen die het toestaan, maar Google bijvoorbeeld niet. Facebook is milder maar daar halen we veel lagere volumes dan op Google. We moeten onze leads dus echt uit search halen en uit targeting op basis van demografische kenmerken. Dat is voor ons een grote uitdaging.”

Nederlandse trappen zijn steil

Otolift moet het dus vooral van de verkoopargumenten hebben. Zo is de traplift 100 procent herbruikbaar, waardoor er ook tweedehands trapliften aangeboden kunnen worden. Verder is het design toegespitst op de Nederlandse markt. “Nederlandse trappen zijn vaak krap of steil en Nederlanders zijn lang,” legt Jeroen uit. “Onze producten zijn daarop ingesteld. En we kunnen als het product op voorraad is binnen 48 uur of sneller een traplift plaatsen. Nog een pluspunt is dat de rail die we gebruiken een doorsnede heeft van 6 centimeter, zo’n 25 procent minder dan de concurrenten. Dat lijkt een detail maar mensen willen zo min mogelijk zien van de traplift, dus hoe dunner de rail, des te beter. We besteden ook veel aandacht aan het design – je koopt zo’n traplift niet voor je plezier, dan is het fijn als je niet een lelijk ding in je huis krijgt. Tot slot is de prijs natuurlijk een belangrijk verkoopargument.”

Internationale expansie

Otolift is zoals gezegd een familiebedrijf. Drie jaar geleden heeft de nieuwe generatie het overgenomen. Met een ambitieus doel: wereldmarktleider worden. “De deuren naar de export zijn geopend en we zetten er gas op. Wat prettig is, is dat er naar de lange termijn wordt gekeken. Hoe staan we er over vijf jaar voor en wat is er nu nodig om dat te bereiken? Waarin moeten we investeren om de concurrent voor te blijven?”

Om die groeiambities waar te maken, moest het IT-landschap worden vernieuwd. “We hadden geen CRM – er was een aantal platformen aan elkaar gekoppeld en daar haalden we onze informatie uit. Dat werkte niet goed. De cost per lead konden we er nog wel uithalen, maar we hadden niet inzichtelijk wat zo’n lead echt doet,” zegt Boy. “Nu maken we gebruik van één platform inclusief Salesforce Sales en Service Cloud, Salesforce Field Service, Pardot en Einstein Analytics. Met dit totaalpakket zetten we een behoorlijke stap in de goede richting. We gebruiken op dit moment misschien 20 procent van wat er mogelijk is maar we gaan steeds meer automatiseren.”

“We willen snel en gemakkelijk rapportages draaien over de Nederlandse markt en van onze dochterondernemingen in Frankrijk, België, Italië, Spanje en Engeland. Bij gebrek aan een CRM-pakket werd in Frankrijk zelfs gebruikgemaakt van Excel-bestandjes en mappen met orders. Nu is Salesforce Field Service live gegaan en verloopt de planning veel beter. Bovendien is live inzichtelijk wat er qua verkopen gebeurt en kunnen we bijsturen als dat nodig is. We hebben veel meer controle over de opvolging van leads. Dat is heel belangrijk voor onze groeiplannen.”

Instrumenteel voor de beoogde internationale expansie zijn, naast de eigen verkoopkanalen, de dealers waar Otolift in veertig landen mee samenwerkt. Zij moesten vroeger handmatig hun orders plaatsen en belden op als ze de voortgang wilden checken. “Nu komt er een portal voor dealers, waar ze orders in kunnen zetten en inzicht hebben in de voortgang daarvan. Dit is allemaal mogelijk doordat we voor één platform hebben gekozen.”

‘Essilor wil Brille24 voor tientallen miljoenen’

Lenzenfabrikant Essilor staat op het punt om webshop Brille24 te kopen van Nucom Group, de venturetak van het Europese mediabedrijf ProSiebenSat.1.

Het overnamebedrag zou ergens in de tientallen miljoenen euro’s bedragen, zo weet de Duitse krant Handelblatt. De transactie kan in het tweede kwartaal worden afgerond. Het gaat om honderd procent van de aandelen. Sinds 2017 wordt door de eigenaar al gekeken naar een mogelijke exit uit de brillenwinkel.

Brille24 is behalve in Duitsland ook actief in België, Frankrijk, Portugal en Spanje. In Nederland is het bedrijf actief onder de naam Brillen24.nl.

Op thuismarkt Duitsland legt Brille24 het qua online marktpositie af tegen Mister Spex. Dat zou een omzet van rond de honderd mijoen euro draaien, Brille24 rond de dertig miljoen. In Nederland treft het Ace & Tate en Charlie Temple als concurrenten met een primaire online focus.

Essilor kocht in 2016 het Britse MyOptique Group, ook een Europese exploitant van brillenwinkels.

De lenzenfabrikant, een miljardenbedrijf, boekt rond de tien procent van de omzet via online kanalen. Nadere specificaties daarover worden niet gegeven in de kwartaalberichten. Het meldt enkel dat ‘online sterk groeit’.

Foto: bowwowbeach (cc)

Ingestibles: meten is weten in healthmarkt

Wearables, Ingestibles en Embeddables. Het zijn trendy buzzwoorden die de komende jaren steeds meer deel uit zullen maken van ons dagelijkse leven. Met smartwatches controleren we de hartslag (wearable) en diabetici kunnen door middel van een sensor vlak onder de huid de bloedsuikerspiegel controleren (embeddable). Maar met name op het gebied van slimme pillen is de laatste jaren vooruitgang geboekt. Deze ingestibles zullen steeds gangbaarder worden in de gezondheidszorg.

Steeds meer krijgt de patiënt controle over de eigen gezondheid. Maar het mes snijdt aan twee kanten. Niet alleen is dit een groot voordeel vanuit het oogpunt van de zorggebruiker, maar ook voor de zorgverlener. Medische zorg kan op afstand worden verleend. Voorbeelden te over. De Rotterdamse start-up testalize.me digitaliseert SOA diagnostiek in samenwerking met laboratoria, Thales Nederland monitort hartproblemen met apps en sensoren in samenwerking met ziekenhuizen en glucosemetingen worden steeds vaker realtime gedeeld met apps of platformen waarop artsen kunnen meekijken.

Het diagnosticeren gebeurt dus steeds vaker op afstand. In de VS wordt gesproken over remote diagnostics. Hiermee worden barrières weggenomen en zou de patiënt eerder gebruik gaan maken van diagnostiek. Tot zover gaat het goed. Maar wat als de patient medicatie gaan innemen? Dit gebeurt zonder toezicht. Wanneer men naar huis wordt gestuurd met voorgeschreven medicijnen, is vaak niet duidelijk hoe en wanneer het medicijngebruik wordt toegepast. Een aderlating voor de arts.

Smart pills

Eind 2017 werd in de VS de eerste smart pill voor commercieel gebruik goedgekeurd door de FDA. Dit agentschap controleert medische producten op kwaliteit. De pillen bevatten een sensor (ter grootte van een zandkorrel), die een signaal verstuurd naar een ontvanger wanneer er contact is gemaakt met de maag. Vervolgens wordt de data door de ontvanger verstuurd naar de smartphone van de patiënt. In de vorm van waarschuwingen weet de patiënt wanneer er te laat of gewoonweg niet een medicijn is geslikt. Deze informatie kan vervolgens ook worden gedeeld met een arts of het kan worden geüpload in een patientenportaal. De sensor zal vervolgens via de stoelgang uit het lichaam verdwijnen.

Opzwellen in de maag

In een vroeg stadium werden smart pills ontwikkeld voor hartpatiënten en mensen die kampten met mentale problemen. Voor deze aandoeningen kon vrij snel worden gemeten of de smart pills daadwerkelijk het medicijngebruik verbeterden en of het een positieve invloed had op het herstelproces van de patiënt. Inmiddels zijn er pillen ontwikkeld die worden ingezet tijdens een chemokuur. Ook zijn er recent pillen ontwikkeld die in de maag opzwellen naar de grootte van een pingpong balletje. Deze zachte bal kan vervolgens een maand lang de maag monitoren op het gebied van lichaamstemperatuur en de aanwezigheid van verschillende soorten virussen en bacteriën. Na een maand drinkt de patiënt een calcium oplossing die de bal weer doet krimpen, waarna het verteerd wordt.

Nanosensoren

Het opent de deuren voor meer innovatieve pillen die onze gezondheid nog beter kunnen monitoren. Niet alleen kan er sneller worden gediagnosticeerd, ook worden moeilijk bereikbare plekken toegankelijk gemaakt. Op verschillende plekken in het lichaam kunnen aandoeningen worden gedetecteerd. Bloedwaardes kunnen worden gecheckt met nanosensoren, de lichaamstemperatuur kan continu worden onderzocht en over een aantal jaar zal het gangbaar zijn om een pil te slikken die een camera bevat. Dat scheelt een vervelende behandeling met een endoscoop die in de vorm van een slang richting de maag verdwijnt. Ook zullen onze hersenen bereikbaar zijn en kunnen we hybride gaan denken. Nanosensoren kunnen een gedeelte van onze hersenen verbinden met de cloud, waardoor we ons denkvermogen kunnen uitbreiden. Kijk maar eens naar de lezing van Ray Kurzweil.

De keerzijde

Maar we weten niet wat we precies slikken. We moeten ervan uitgaan dat er niet een sensor in het lichaam achterblijft die continu mijn locatie doorgeeft of op bepaalde momenten contact kan maken met een ontvanger zonder mijn toestemming. Door middel van een slimme pil houdt de patiënt thuis beter de eigen gezondheid in de gaten. Meer eigen controle zou je denken, maar het tegenovergestelde is waar. Wat slikken we nu precies? Kunnen we de arts geloven op zijn of haar blauwe ogen?

Het kan zomaar zo zijn dat we niet alleen een specifieke sensor inslikken, die het medicijngebruik monitort, maar die tevens DNA informatie analyseert en deelt met derden. Een ander punt van kritiek is de afstand die ontstaat tussen ‘resister’ en ‘adapter’. Patiënten die niet wensen gebruik te maken van smart pills kunnen gestraft in de vorm van duurdere zorg. En degenen die wel gebruikmaken van deze nieuwe technologieën kunnen juist worden beloond met goedkopere zorgpremies. Feit is dat verzettende patiënten een achterstand zullen oplopen. Ze worden minder goed gediagnosticeerd en de aandacht van de zorgverlener zal verschuiven naar de zorggebruiker die deze vormen van eHealth omarmt. Met andere woorden, hebben we überhaupt een keuze?

Nursing wint LOFonderscheiding voor Vakinformatie

Het magazine Nursing voor verpleegkundigen heeft de jaarprijs voor vaktitel van het jaar gewonnen, de LOFonderscheiding voor Vakinformatie.

Gisteren ontving de uitgave van Bohn Stafleu van Loghum de LOF-prijs in Amsterdam.

De jury zegt over Nursing: “De voortdurende innovatie en waardetoevoeging aan het inmiddels crossmediale merk staat volledig in dienst van behoud en conversie, waardoor de fanbase blijft groeien en het marktleiderschap wordt gevoed. In 2017 werd ‘online first’ uitgangspunt en is er een serieus begin gemaakt met data driven werken. Het platform biedt noodzakelijke premium content naast aandacht voor persoonlijke professionele ontwikkeling, maar ook workflow tools en apps, digitale nieuwsbrieven en congressen. Rond het merk is een florerende social community gecreëerd.”

Over de ontwikkeling van het uitgeven van vaktitels zeggen ze: “In de afgelopen twee jaar schoof de sector een heel eind op in digitale richting: steeds vaker vormen technologie en data het hart van de uitgeefoperatie. Daardoor is het mogelijk om steeds meer de klant centraal te stellen. Content wordt gepersonaliseerde relevante context en aangepast aan en gedistribueerd via een veelheid van sociale kanalen en platformen. Online video, e-learning en face-to-face activiteiten zijn in de meeste marktsegmenten onontbeerlijke ingrediënten in de uitgeefportfolio. Afhankelijk van marktsegment en doelgroep bevinden vakinformatieve en wetenschappelijke uitgeefmedia zich in verschillende stadia van geavanceerdheid.” ”

Was print in 2017 nog een substantieel onderdeel van branding en verdienmodel, in 2019 staan online en mobiele content centraal en is print daarvan een afgeleide. Abonne- menten worden steeds vaker omgezet in package deals, lidmaatschappen en licenties. Advertenties worden ingeruild voor commerciële partnering, samenwerkingen en branded contentmarketing en de commerciële partner is voorzien van dashboards om de customer journey te kunnen volgen via de inzet van marketing automation.”

In de jury zitten Michiel Bicker Caarten, Bart Brouwers, Jeroen van Erp, Valerie Frissen, Dries van Ingen, Kitty Koelemeijer, Sandra Kroon en Geert Noorman. Annemarie Jorritsma is de voorzitter van het LOF College.

Digitalisering bij farmaceuten zet in: vernieuwde rol richting arts

Met bijna 71.000 artsen in Nederland is het voor de farmaceutische industrie ondoenlijk iedereen persoonlijk te spreken en informeren over behandelopties en geneesmiddelen. De digitalisering die zich binnen de gezondheidszorg heeft ingezet, druppelt daarom ook door in de ‘farma’. Welke ontwikkelingen zijn hierin te zien?

Onder invloed van de digitalisering verandert de communicatie van de farmaceut. Decennialang zijn artsen op een vrij traditionele manier geïnformeerd over behandelopties en beschikbare medicijnen. Via onderzoekspublicaties en accountmanagers die met de arts het gesprek aangingen is er informatie gedeeld. Die rol wordt langzaamaan aangevuld. Als farmaceutische industrie hebben we namelijk te maken met de toenemende tijdsdruk waaronder artsen werken. De informatie- en communicatiebehoeften wijzigen daardoor. Nieuwe inzichten doen ze bijvoorbeeld zelf wel op via allerlei andere kanalen. Voorzichtig wordt er nu duidelijk hoe de functie van farmaceutische bedrijven eruit kan zien: met digitale middelen kunnen we bijzonder goed interesses in kaart brengen en als gids de overkill aan informatie filteren.

Denken in funnels

Met name de laatste vijf jaar is er bij de meeste bedrijven enorm geïnvesteerd in digitale kanalen. Er is geëxperimenteerd met ‘single shops’ en websites zijn opgetuigd om de artsen die face-to-face niet werden bereikt te informeren. Daarbij is er vaak vanuit de technologie en de gebruiken in de consumentenmarketing geredeneerd. CRM- en andere softwaresystemen zijn daardoor ingericht zonder goed te kijken naar wat de doelen waren. Terwijl farmaceutische bedrijven in feite de heilige graal in huis hebben: ze weten exact wie er tot hun doelgroep behoort en wat de interesses zijn. Daardoor kunnen artsen worden voorzien van één-op-één relevante content.

Bij Takeda zetten we hier samen met Burst flinke stappen in. In plaats van de artsen als één doelgroep te zien, zijn diverse conversiefunnels ingericht. Daarbij wordt er uitgegaan van Googles See Think Do Care-model om in iedere fase de juiste content aan te bieden. Nog veel meer dan voorheen willen we ons verdiepen in de context van de arts. Wat houdt ze zoal bezig? Welke overwegingen spelen een rol om voor een bepaald geneesmiddel te kiezen? Zo is daarin meer dan alleen het medische aspect van invloed. Het ziekenhuisbudget is daarin ook een factor.

Die informatie wordt ingezet om tot relevantere content te komen. Daarbij wordt verder gekeken dan de informatie en het standpunt van de producent zelf. Zogeheten peer-to-peer informatie van andere artsen wordt benut om de werking of relevantie van een bepaalde behandeling te verduidelijken. Hoe zijn de ervaringen en wat kunnen anderen daarvan leren? De waarde van informatie die collega’s geven, is vele malen groter. Het gaat immers over hun dagelijks werk.

Farmaceuten zullen artsen dus veel beter gaan faciliteren in het filteren van informatie en het uitwisselen van kennis bij collega’s onderling. Daarmee worden kanalen meer een onderdeel van de strategie en maakt de set aan losse contactpunten plaats voor een samenhangende klantreis. Een uitdaging van deze aanpak is dat het meten van de uiteindelijke conversie lastig is. Omdat de arts niet degene is die het geneesmiddel uiteindelijk koopt, is er geen datapunt om de conversie te meten. Met tussenconversies die passen bij de fase in de funnel, is toch de voortgang te meten. Zo kan het een doel zijn om de arts een webinar te laten volgen dat over de brede ontwikkeling gaat binnen een ziektebeeld. Door te kijken naar de gehele omzet, vormt zich uiteindelijk toch een beeld van het effect.

Nieuwe rol mens in proces

Maar wat betekent die digitalisering voor de mens in dit proces? Anders dan weleens gedacht, wordt die zeker niet vervangen. Er ontstaat als het ware een hybride model. Hierin is de marketing automation er om de accountmanagers te ondersteunen. Door hun kennis van de klant te gebruiken zijn kanalen beter in te zetten en kunnen zij meer waarde uit de klantrelatie halen.

Liepen accountmanagers vroeger nog op een medisch congres rond om zoveel mogelijk productgesprekken te voeren, bij Takeda brengen ze vooral menselijke informatie mee terug. Een contact is vooral een haakje om de klantreis te beginnen of een volgend kanaal in te zetten. Bijvoorbeeld de e-mailmarketing die inspeelt op het eerste contactmoment. In plaats van de marketing en voorbedachte campagnes centraal te stellen in het proces, draait het nog veel vaker om de relatie. Informatie en tools zijn hierin ondersteunend.

Daarmee ontstaat voor accountmanagers ook de ruimte om projecten op te starten met klanten waarbij men veel verder denkt dan alleen de geneesmiddelen. Een concreet voorbeeld is de Zorgatlas die is ontwikkeld. Omdat er is vastgesteld dat tachtig procent van de informatie die tijdens een consult met de patiënt wordt gedeeld niet beklijft, is een applicatie ontwikkeld. Met de Zorgatlas is de behandelinfo na thuiskomst nog eens na te lezen. Een geneesmiddel wordt er niet ineens vaker door voorgeschreven, maar zowel de arts als de patiënt voert hierdoor een kwalitatiever gesprek. Die waardeverhoging heeft een langetermijneffect op de relatie.

Zoeken naar kennis en kunde

Deze verandering in de relatie met de arts, heeft voor elke farmaceut organisatorische gevolgen. Er zal nieuwe kennis in huis moeten komen over hoe marketeers en accountmanagers artsen kunnen ondersteunen. Daarvoor zijn intern aanjagers nodig die weten om te gaan met data en de kanalen met een veel grotere variatie aan content kunnen toespitsen. De inzichten die ze daarmee opdoen moeten vervolgens weer terugvloeien naar de al bestaande ‘brand teams’ als input voor de strategie.

Het brengt al met al een behoorlijke uitdaging met zich mee. Bedrijven zullen dan ook moeten zoeken naar marketeers die binnen de – soms beperkende – omstandigheden van deze industrie creatief zijn en de data die nu al aanwezig zijn, goed weten in te zetten. Zo zullen we in staat zijn om in de nieuwe digitale adviesrol te groeien.

Dit artikel is geschreven in samenwerking met Hans Maltha, CEO van Burst.

Tech start-up BI/OND maakt organ-on-chips voor betere geneesmiddelen

Cinzia Silvestri is medeoprichter van BI/OND, dat orgaancellen nabootst op computerchips. Daarmee helpt BI/OND de zoektocht naar medicijnen tegen hart- en hersenaandoeningen en borstkanker te versnellen.

“We bieden biologen een testomgeving die gelijk is aan het menselijk lichaam.” De Accenture Innovation Award in de categorie Health ging naar BI/OND, en daarbij tekende de jury aan dat het team wetenschap inzet voor een technologie die het verschil kan maken.

Wat is BI/OND?
“Een bedrijf dat een innovatie creёert voor betere geneesmiddelen. Wij doen dat eenvoudig gezegd door miniaturen van menselijke organen te maken en die op computerchips te zetten. Zulke organ-on-chips ofwel OOC’s helpen biologen om het verloop van een ziekte te onderzoeken en sneller tot oplossingen voor genezing te komen.”

Hoe werkt het precies?
“Onze OOC is gebaseerd op silicium, hetzelfde materiaal waarvan het brein van apparaten is gemaakt, zoals het moederbord van je pc of telefoon. BI/OND kan met het silicium de omgeving van menselijke organen nabootsen. Stel dat biologen op zoek zijn naar een geneesmiddel voor een hartziekte, dan kunnen ze hartcellen op de chip laden. Die cellen gedragen zich dan net alsof ze deel uitmaken van een echt orgaan.”

Welke voordelen heeft dat?
“Bij reguliere medicijntests is het in het begin lastig om aan de hand van laboratorium- en dierproeven te voorspellen wat de gevolgen zijn voor het menselijk lichaam. Met de innovatie van BI/OND ben je daarin als onderzoeker vrijer en voer je tests sneller uit. Het is een goed alternatief voor standaard en statische in-vitrotests. Je hebt geen reageerbuisjes nodig en je vindt sneller de ingrediënten voor betere medicijnen.”

Waarom ben je ermee begonnen? En hoe is het ontstaan?
Nikolas Gaio, William Quiros Solano en ik hebben BI/OND opgericht. We werken alle drie al bijna vijf jaar in hetzelfde lab. William ontwikkelt vooral sensors en elektrodes. Op een dag maakte hij een fout tijdens het fabricageproces. Zoals dat vaker gaat in de wetenschap was die misser de aanleiding tot een vernieuwende technologie.”

Wanneer wist je dat BI/OND levensvatbaar was?
“Toen biologen om ons heen belangstelling toonden voor het prototype. We hebben het samen met hen doorontwikkeld, vooral op gebruiksniveau van de chip. Alle kennis die we opdeden, is samengekomen in BI/OND. Het is nu een marktwaardige technologie waarmee biologen sneller kunnen doen waar ze goed in zijn.”

Waarom besloot je je in te schrijven voor de AIA18?
“Om te laten zien dat je van wetenschapper kunt uitgroeien tot ondernemer. Door, met enige nervositeit, het podium van de Accenture Innovation Awards te bestijgen, daagden we onszelf uit om ons succesverhaal op een meer populaire manier te delen met een groot publiek. Het is wetenschap die levens kan redden, door medicijnen tijdiger beschikbaar te maken. Dat is het verschil dat we maken. De AIA bood ons daarvoor het perfecte netwerk en publiciteit.”

Wat heeft de AIA je tot nu toe opgeleverd?
“In het netwerk hebben we durfkapitalisten en farmaceutische bedrijven ontmoet. En na de prijsuitreiking zijn we benaderd door biologen die graag proefprojecten met ons willen draaien. Het zijn stuk voor stuk waardevolle contacten voor het moment waarop we klaar zijn om ons product naar de markt te brengen. ”

Wat zijn nu de uitdagingen voor BI/OND, waar loop je tegenaan?
“Alles wat we doen kost veel tijd, inzet en geld. Het BI/OND-team bestaat nu uit ons drieën en drie stagiairs. We willen groeien en meer proefprojecten doen, en meer publiciteit rond de chip. Nu eist de samenwerking met partners op gebied van onderzoek en ontwikkeling veel aandacht op.”

Waarom is BI/OND gevestigd in Nederland?
“We werken in een conservatief vakgebied. We zijn verplicht strenge werkwijzen aan te houden. Nederland vind ik het beste land voor onze productontwikkeling omdat de academische wereld zeer ruimdenkend is. Er is veel aandacht voor OOC, ook van de overheid. Biologen zijn bereid om een risico te lopen bij het testen van een nieuwe technologie.”

Wat kunnen we verwachten van BI/OND de komende jaren?
“Binnen vijf jaar hebben we een groter team dat onze technologie op de Nederlandse en Europese markt presenteert. We gaan de samenwerking zoeken met een farmaceutisch bedrijf omdat zij echt een verandering teweeg kunnen brengen op het gebied van verbeterde medicatie. Tot slot behouden we met elkaar wat goed is en dat is vooral ons enthousiasme over BI/OND.”

Wat is jouw gouden tip voor innovators?
“Laat je idee zien aan de buitenwereld en potentiële klanten. Onderhoud een netwerk van klanten en early adopters. Zij kunnen goede feedback geven. Ga de uitdaging aan om je product verder te ontwikkelen en betrek altijd je klanten bij het proces.”

*) BI/OND is winnaar van de Accenture Innovation Awards 2018 in het thema Health.

Hoe samenwerking digitale innovatie in de zorg versnelt

Om de gezondheidszorg te innoveren, is samenwerking nodig. In de praktijk blijkt dat behoorlijk ingewikkeld. Waar moet je op letten om met partners een succesvol eHealth-product te kunnen lanceren?

In de gezondheidszorg kijken alle partijen naar de mogelijkheden van digitalisering en nieuwe technologie. Maar hoe vertaal je die naar een commercieel levensvatbaar én bruikbaar product voor de patiënt of medewerker? Uit eigen onderzoek onder decisionmakers en investeerders in de medische sector blijkt dat 83 procent denkt dat innovatie in de gezondheidszorg tot stand zal komen door samenwerking. Dat kan in de vorm van een joint venture, partnerschap of alliantie zijn. Toch bereikt slechts 11 procent van de samenwerkingsvoorstellen de ‘due diligence’-fase. En een magere 4 procent van de projecten wordt daadwerkelijk geïmplementeerd.

Hoe vergroot je de kans op een succesvolle samenwerking? Door van tevoren na te denken over mogelijke barrières en hoe je die weg kunt nemen. Wij zien drie aandachtsgebieden: organisatorisch, technologisch en juridisch.

Organisatorisch

Uit het onderzoek blijkt dat veel organisaties niet helder hebben wat de doelstelling is van het partnerschap en wat ze eruit willen halen. Ze kunnen potentiële investeerders of partners niet voorzien van de juiste informatie.

Naast dit gebrek aan focus zien we ook dat er nog te veel in silo’s wordt gedacht. De beste eHealth-innovaties komen voort uit een diep inzicht in wat de patiënt wil of nodig heeft in combinatie met de beste technologie. Toch willen medische instellingen en technologiebedrijven niet altijd met elkaar samenwerken. Dat leidt enerzijds tot technische oplossingen die geen problemen oplossen voor de patiënt of medewerker. Anderzijds zie je dat medische instellingen enorm veel investeren in het ontwikkelen van digitale oplossingen waar ze de knowhow niet voor in huis hebben.

Wat de samenwerking eveneens kan hinderen, is wanneer de partners verschillende doelstellingen hebben. Medische instellingen zijn op zoek naar innovaties waarbij de patiënt centraal staat, of dat nu in de vorm van efficiëntere processen of een betere beleving is. Technologiebedrijven vinden het vooral belangrijk dat partners de ontwikkeling van de technologie ondersteunen of toegang geven tot nieuwe producten. Dit verschil in motivatie hoeft niet tot problemen te leiden, maar het is wel handig als je van tevoren weet waarom je partners meedoen aan het project.

In het verlengde hiervan liggen cultuurverschillen als barrière voor een succesvolle samenwerking. Dit zit hem vooral in de bereidheid om risico’s te nemen. Technologiebedrijven willen snel ontwikkelen, medische instanties zijn wat bedachtzamer. Wees je hiervan bewust bent en manage vanaf het begin de wederzijdse verwachtingen.

Technologisch

De gezondheidszorg is regelmatig het slachtoffer van hacks. Cybersecurity wordt dan ook als een van de uitdagingen genoemd die samenwerking in de weg staan. Maar liefst 68 procent van de ondervraagde bedrijven worstelt met het vinden van partners met een adequaat cybersecuritybeleid. Als je vervolgens data gaat uitwisselen binnen het project, moet daar natuurlijk ook een goed framework voor worden opgesteld, zodat er geen gevoelige gegevens op straat komen te liggen.

Juridisch

Een belangrijke juridische kwestie is hoe het intellectuele eigendom is geregeld. Ten eerste wil je als bedrijf je intellectuele eigendom dat wordt ingebracht in het project beschermen. Ten tweede moet er worden vastgesteld wie de rechten heeft op het intellectuele eigendom dat uit het project voortkomt. Dit zijn ingewikkelde vraagstukken.

Tweede punt is dat bedrijven onderschatten wat ervoor nodig is om producten en diensten op de streng gereguleerde gezondheidszorgmarkt te brengen. De wetgeving houdt geen gelijke tred met de technologische ontwikkelingen, dus wat mogelijk is en wat mag zijn twee totaal verschillende zaken. Tegelijkertijd realiseren commerciële bedrijven zich niet altijd wat het betekent om een medisch product te lanceren. Het oplossen van kwesties rond regelgeving en compliance is dan ook een groot obstakel.

Ten derde is aansprakelijkheid een belangrijk discussiepunt in de samenwerking. Het product moet doen wat het belooft maar er kan altijd wat misgaan. Dan moet duidelijk zijn wie daarvoor verantwoordelijk is. We merken ook dat er niet goed wordt nagedacht over de situatie waarin het product weliswaar goed werkt maar de technologie eromheen faalt. Stel, internet valt uit waardoor je product het niet meer doet. Dan heb je niet alleen een probleem vanuit de continuïteit maar ook vanuit aansprakelijkheid.

Digitale innovatie is nodig

De kosten van de zorg stijgen en patiënten zijn steeds beter geïnformeerd en daardoor veeleisender geworden. Om hier goed op in te kunnen spelen is digitale innovatie nodig. Tegelijkertijd is de gezondheidszorg een sector waar veel regels gelden en waar je te maken hebt met leven en dood. Dat maakt innovatie complex. De meeste digitale toepassingen die je nu ziet, zijn dan ook gericht op consumenten, zoals het meten van je hartslag met een wearable. Er zijn echter nog geen toepassingen die die gegevens vervolgens medisch verantwoord interpreteren. Bedrijven zien de mogelijkheden van eHealth wel, maar waar het naartoe gaat is niet duidelijk. En het is lastig om het financiële gewin duidelijk te krijgen.

In Medisch Contact stond een artikel over een app die de patiënt thuis voorbereidt op een operatie. De app voorziet duidelijk in een behoefte, maar hoe krijg je het gefinancierd? Verzekeraars betalen alleen voor bewezen zorg. Om dat te bewijzen is een groter bedrijf nodig dat tests kan doen en de resultaten vertaalt naar een businesscase. Kortom, samenwerking is noodzakelijk om dit soort innovaties daadwerkelijk te introduceren, maar staat nog in de kinderschoenen. Er zijn genoeg kansen voor slimme samenwerkingsverbanden, mits je van tevoren goed nadenkt over hoe je die samenwerking vormgeeft. Zo voorkom je dat je tijd en geld investeert in een project dat niet levensvatbaar is en vergroot je je kans op succes.

Meer weten over het onderzoek naar succesvol samenwerken in eHealth? Download het rapport Digital Fusion – How smart collaborations will drive the healthcare revolution.

Nederlander zoekt steeds vaker online informatie over gezondheid

Nederlanders zoeken steeds vaker informatie over gezondheid en leefstijl op internet. Ook wordt internet steeds vaker gebruikt om afspraken te maken met medisch specialisten of huisartsen, of om medicijnen te kopen. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers van het onderzoek ICT-gebruik huishoudens en personen van CBS.

Van de Nederlanders van 12 jaar of ouder zocht 67 procent in 2018 online naar informatie over gezondheid en leefstijl. In 2012 was dit nog niet de helft. Het gaat vooral om informatie over ziekten, voeding of beweging.

Het percentage vrouwen dat op internet op zoek is naar dit soort informatie was hoger (71 procent) dan het percentage mannen (63). Het zijn vooral 25- tot 45-jarigen die online zochten naar informatie over gezondheid; 80 procent van de personen in deze leeftijdsgroep had dit in 2018 gedaan. Van de Nederlanders in de leeftijdscategorieën van 45 tot 65 jaar en 65 jaar of ouder gaf 70 procent en 52 procent aan online op zoek te zijn geweest naar informatie over gezondheid.

Verder geldt dat het aandeel hoogopgeleide Nederlanders dat deze informatie zocht (81 procent) groter is dan het aandeel middelbaaropgeleiden (73 procent). Onder middelbaaropgeleiden was dat weer hoger dan onder laagopgeleiden (49 procent).

Nederland heeft van alle EU-28 landen het hoogste percentage mensen van 16 tot 74 jaar dat informatie opzoekt over gezondheid op internet. Het gemiddelde van de Europese Unie was 52 procent.

Een kwart van de Nederlanders van 12 jaar of ouder maakte in 2018 ook gebruik van het internet om een afspraak te maken met een huisarts of medisch specialist. In 2012 was dit 10 procent. Het percentage hoogopgeleiden (34) dat online actief is om afspraken te maken is ook hier groter dan het percentage laagopgeleiden (16). Middelbaaropgeleiden zaten hier met 26 procent weer tussenin. Nederland staat op de vierde plaats als het gaat om online afspraken maken.

Niet alleen zijn Nederlanders steeds vaker op internet op zoek naar informatie over gezondheid en leefstijl, ook kopen ze vaker medicijnen online. Kocht in 2012 nog geen 3 procent medicijnen via internet, in 2018 was dit gestegen naar 10 procent.

Online medicijnen kopen is een minder gangbare online activiteit. 9 procent van de EU-burgers doet dit. Nederland staat in Europa op de vijfde plaats met 11 procent. In Duitsland (24 procent), Zweden (23 procent) en Denemarken (17 procent) worden medicijnen vaker online aangeschaft.

90 miljoen voor inzet technologie bij zorg thuis

Om de inzet van e-health toepassingen voor ouderen toe te laten nemen, investeert het kabinet de komende jaren 90 miljoen euro via een stimuleringsregeling. Aanbieders van zorg en ondersteuning kunnen dit voorjaar samen met inkopers dit voorjaar daarvoor plannen indienen.

Ondanks de toegevoegde waarde en de toename van het aantal innovatieve toepassingen, blijken in de praktijk barrières te bestaan voor ouderen, professionals, aanbieders van ondersteuning en zorg en inkopers om op grotere schaal met e-health toepassingen te gaan werken. Ouderen en professionals hebben soms training nodig om te leren hoe ze de e-health toepassing gebruiken. Werkprocessen en inkoopcontracten vragen vaak aanpassing.

Met de Stimuleringsregeling E-Health Thuis wordt een stevige impuls gegeven aan innovatieve en digitale zorg thuis, die ouderen zelfredzamer maken en eraan bijdragen dat ouderen langer veilig en verantwoord thuis kunnen wonen.

Minister De Jonge wil graag dat deze technologie voor meer mensen beschikbaar komt als onderdeel van de reguliere ondersteuning en zorg. De komende drie jaar is er jaarlijks 30 miljoen beschikbaar om op grotere schaal en structureel e-health in te zetten in de reguliere zorg en ondersteuning van ouderen en mensen met een (risico op) chronische ziekte of beperking die thuis wonen. Vanuit de regeling kunnen in totaal ongeveer 280 initiatieven bekostigd worden. Aanbieders van Wmo-ondersteuning, Zvw- of Wlz- zorg thuis kunnen samen met één (of meer) inkopers van ondersteuning en zorg een aanvraag indienen. Vanaf 1 maart 2019 staat de regeling open voor aanvragers.

Page generated in 1,394 seconds. Stats plugin by www.blog.ca