Interview: Sebastiaan de With over het succes van Halide

In het rijtje van bekende appmakers is Sebastiaan de With een opvallende naam. Sebastiaan is niet alleen de designer van de enorm succesvolle fotografie-app Halide, maar blijkt gewoon uit Nederland te komen. Wij spraken hem na afloop van zijn presentatie op AppDevCon 2018, waar Sebastiaan de afsluitende keynote verzorgde.

Het artikel Interview: Sebastiaan de With over het succes van Halide verscheen voor het eerst op iCulture

“Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken.”

Jaap van ginneken

Communicatiewetenschapper Jaap van Ginneken was tijdens zijn carrière een luis in de pels van de journalistiek. Deze maand publiceerde hij een boek over Kurt Baschwitz, de man die als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land. Eric van Beek sprak met Van Ginneken. “Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.”

Psycholoog dr. Jaap van Ginneken is een vreemde eend in de bijt van de communicatiewetenschap. Waar de meesten van zijn generatiegenoten hun ‘systeemkritiek’ op de nieuwsmedia afzwoeren, bleef Van Ginneken een luis in de pels van de journalistiek. Zijn in 1996 verschenen boek, De schepping van de wereld in het nieuws, waarin hij ‘101 vertekeningen van het nieuws’ uiteenzette, werd tot leerboek aan scholen voor journalistiek in tal van landen, waaronder laatst zelfs in nog China.

Het omvangrijke oeuvre van Van Ginneken beperkt zich niet tot de nieuwsmedia. De twee dozijn boeken die hij schreef gaan over uiteenlopende onderwerpen als de waanzin van personen op hoge posities (Verleidingen aan de top); de invloed van geld op menselijk gedrag (Gek met geld); zelfsturende organisaties (De kracht van de zwerm); massahysterie en rages (Brein-bevingen); de verbeelding van andere culturen in speelfilms (Exotisch Hollywood) en de verborgen trauma’s van Asterix, Donald Duck, Kuifje, Superman en Babar (Striphelden op de divan).

Biografie over Kurt Baschwitz

Deze maand verscheen van Van Ginneken een biografie over het bewogen leven van de joodse Duitser Kurt Baschwitz, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als correspondent naar het neutrale Nederland kwam, terug in de Weimar Republiek opklom tot hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad voor krantenuitgevers, in 1933 terugkeerde naar Nederland op de vlucht voor de nazi’s, tijdens de Duitse bezetting zat ondergedoken, korte tijd in kamp Westerbork zat opgesloten, na de bevrijding als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land.

JvGinneken_KB_voorplat_KL

De 74-jarige Van Ginneken gaat nu met pensioen. De Baschwitz-biografie is zijn laatste boek. Eerder, in 2004, stopte hij al met het doceren aan de vakgroep communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Een gesprek over het commerciële en propagandistische karakter van de nieuwsmedia, de actualiteit van Kurt Baschwitz – en de bijzondere loopbaan van Jaap van Ginneken, die, hoewel hij in 1989 cum laude promoveerde, een professoraat werd onthouden omdat hij ideologisch te bevlogen zou zijn geweest.

In de jaren zestig studeerde je psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, met als bijvakken massapsychologie en persstudies. In de jaren zeventig vestigde je je in Parijs. Hoe belandde je daar? Was dat de Parijse Studentenrevolte van 1968?

“Ja. Ik was er alleen net niet bij. Ik studeerde af in 1970 en kreeg aansluitend een vaste baan aan de universiteit. Maar ik ervoer de universiteit te veel als een kantoorbestaan. Zeker tegen de achtergrond van wat er toen in de wereld gebeurde. Mijn toenmalige vriendin die fotografe was kon in Parijs een baantje krijgen bij fotopersbureau KIPA. Ik liep even college aan de École Pratique des Hautes Études en Sciences Sociales, een derde fase-instelling voor promovendi, en ook aan het Collège de France, waar college werd gegeven door grote denkers van die tijd, zoals Michel Foucault.”

In Parijs stortte je je op de journalistiek. Artikelen van jou verschenen in de Groene Amsterdammer, en ook incidenteel in Engelstalige en Franstalige media als The Guardian en Le Monde. Je noemt de journalist die je toen was een ‘radical third worldist’ en zelfs een ‘fellow traveller’.

“Ik was erg begaan met de ellende in de Derde Wereld. Ik was daarom geïnteresseerd in bevrijdingsbewegingen en revoluties. Ik heb in die tijd veel ontwikkelingslanden bezocht, in Afrika, Azië en Latijns-Amerika, en heb daarover geschreven.”

Waar ging het mis?

“Ik had met eigen ogen de westerse ontwikkelingshulp zien falen. En ik dacht: Er moet een alternatief zijn voor het neokoloniale ontwikkelingsmodel. Een professor aan de Universiteit van Amsterdam, W.F. Wertheim, organiseerde een groepsreis naar China voor een paar van zijn medewerkers en studenten. Wertheim meende dat het vervolg op de Grote Sprong Voorwaarts, ondanks gemaakte fouten, wel kon werken. Dat was in 1971. Wij waren de eerste Nederlanders die China binnenkwamen, met uitzondering van de Rode Jeugd die we daar een keer tegenkwamen, de echte, harde maoïsten.

Ik heb geschreven over mijn ervaringen daar, en omdat er in die tijd weinig was over China, kon ik mijn artikelen slijten bij de kranten. Zo ben ik in de jaren zeventig in de China-watching beland. Maar in het voetspoor van professor Wertheim schreef ik redelijk positief, en dacht ik ook echt dat de Chinese aanpak een alternatief vormde voor het westerse ontwikkelingsmodel. Pas geleidelijk kwam ik er achter wat een ellende er achter schuil ging en dat ik teveel met een roze bril naar China had gekeken. Eind jaren zeventig dacht ik: Ik moet hier mee stoppen. Ik zit op het verkeerde spoor.”

Terug in Nederland, in 1981, pakte je de draad weer op van de wetenschap. Aan de Universiteit van Amsterdam was je jarenlang parttime senior docent aan de afdeling communicatiewetenschap. Tegelijk volgde je een parallelle carrière als onafhankelijk onderzoeker, schrijver, spreker en adviseur.

“Ik heb mij in het vervolg van mijn loopbaan alleen nog bezig gehouden met onderwerpen die aansloten op mijn academische specialiteit, de sociale, politieke en massapsychologie.”

Toch ben je altijd een geëngageerde persoon gebleven. In jouw latere werk zijn westers etnocentrisme en imperialisme, en oorlogen en armoede in de Derde Wereld terugkerende thema’s.

“Ja. Maar ik ben daar wel voorzichtiger in geworden. Ik heb geleerd dat het het verstandigst is jezelf te positioneren in het maatschappelijke midden, en vandaaruit je kritiek te uiten, in termen van common sense, en vooral nooit woorden te laten vallen als ‘het kapitaal’ en ‘monopolie’.”

Jij bent stiekem nog steeds een marxist?

“In een aantal opzichten wel. Ik geloof dat Karl Marx een groot sociaal-wetenschapper was. Veel van zijn redeneringen en begrippen zijn ten onrechte weggepoetst uit de economische wetenschap. Zo geloof ik nog steeds in het idee van ‘ongelijke ruil’. Er was in de jaren zeventig een hele literatuur van alternatieve economen die zei: ‘Ontwikkelingslanden zitten gevangen in ongelijke ruil in het neo-koloniale systeem, waardoor ze gedwongen zijn te lage prijzen voor hun grondstoffen te aanvaarden en te hoge prijzen te betalen voor westerse industriële producten. Ook al zitten ze officieel op een vrije wereldmarkt, ze worden er niet beter van, althans in de mate waarin ze er beter van zouden moeten worden.’ Ik geloof nog steeds dat daar een kern van waarheid in zit. Maar de mainstream-economen denken daar anders over. Zij zeggen: De markt werkt op zo’n manier dat prijzen altijd perfect op elkaar zijn afgestemd.”

Cees Hamelink en jij zijn misschien de enigen van jullie generatie communicatiewetenschappers die geprobeerd hebben de systematische kritiek op de nieuwsindustrie levend te houden?

“Wij waren radicale systeemcritici, en er zijn er niet veel over. Later heb je mensen gekregen als Joris Luyendijk die vanuit een heel ander temperament, een andere sociale positie en een andere invalshoek radicale dingen hebben gezegd. Over het functioneren van de parlementaire, financiële en Midden-Oosten berichtgeving. Maar hij voelt zich niet een radicale systeemcriticus zoals wij dat waren, en hij zou waarschijnlijk het liefst zo weinig mogelijk met ons geassocieerd willen worden.”

In de jaren zeventig was er vanuit de Nederlandse communicatiewetenschap veel kritiek op het ‘kapitalistische’ karakter van de pers. Sindsdien is de invloed van adverteerders alleen maar toegenomen en is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden. Maar de kritiek daarop vanuit de communicatiewetenschap lijkt verstomd. Hoe zie jij dat?

“Die is inderdaad afgestorven, maar daar zitten twee kanten aan. De systeemkritiek van de jaren zeventig was te primair en te simpel. Die had in die zin geen bestaansrecht meer. Mijn boek De schepping van de wereld in het nieuws is een poging geweest om te laten zien de commerciële invloeden op de nieuwsmedia complexer zijn dan tot dan toe werd gedacht.”

Je hebt het geprobeerd, maar het is niet gelukt?

“De schepping van de wereld in het nieuws heeft jarenlang aan de scholen voor journalistiek als leerboek gegolden, wereldwijd. Maar toch is het type kritiek in onbruik geraakt. Misschien ook omdat het voor de doorsnee lezer te ingewikkeld is.”

Zijn het inmiddels de adverteerders die bepalen of een publicatie kan overleven? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor de manier waarop ons het nieuws wordt gepresenteerd?

“Adverteerders oefenen zelden rechtstreeks invloed uit. Als je een lelijk stuk schrijft over bodymilk van Dove is het niet zo dat meneer Unilever op hoge poten met de hoofdredactie belt. Het belangrijkste hier is wat ik heb genoemd het ‘Umfeld’. Er zijn bepaalde redactionele omgevingen waarin een adverteerder graag verschijnt. Glossy-magazines bijvoorbeeld. Die krijgen maar een fractie van hun inkomsten uit de verkoop van losse nummers. Het grootste deel komt uit dure advertenties. Die bladen staan vol redactioneel materiaal waar adverteerders graag tussen willen staan. Stukje over mode, een nieuwe bodycreme, leuke reisjes. De glossy’s venten comfortabele illusies uit die zich helemaal hebben losgezongen van de werkelijkheid.

Het omgekeerde zie je bij een blad als de Groene Amsterdammer, met alsmaar intellectuele stukken, en vroeger: kritisch gezeur over dit is niet goed en dat is niet goed, en de wereld gaat naar de kloten. Dat is voor adverteerders niet erg aantrekkelijk. De Groene heeft een geniaal ding gedaan in de meer dan honderd jaar dat ze bestaan: ze hebben nooit met geld gesmeten, en hebben de verleiding weerstaan geld te lenen om te kunnen expanderen. HP/De Tijd en Vrij Nederland hebben meer financieel risico genomen. Die zijn daardoor van weekbladen tot maandbladen gedegradeerd. Ook het afnemende aantal drank- en tabaksreclames in de opinietijdschriften heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Daar bestonden die bladen vroeger goeddeels van. “

Je hebt gezegd: “Op zichzelf is er met commercie en reclame niks mis, als de pluriformiteit verder goed gewaarborgd blijft.” Vind jij dat we in Nederland een pluriforme pers hebben?

“Op het eerste gezicht als je de kiosk binnenloopt en je ziet al die wanden met bladen, dan denk je: pluriform. Maar dat wordt anders als je ziet dat het bijna allemaal glossy’s en modebladen zijn, dat er nog twee opinieweekbladen over zijn en dat de weekendbijlagen van de kranten zijn verworden tot een soort advertentiefuiken met human interest en rubriekjes over ditjes en datjes. De algemene trend is dat de consumptiepropaganda in de media moeiteloos de echt kritische analyses overstemt.”

Wat betreft pluriformiteit: Zien we alle visies die er leven in de maatschappij voldoende weerspiegeld in de Nederlandse pers?

“Het is niet zo dat wat het publiek denkt gereflecteerd zou moeten worden in de media. Het is juist de pers die het voortouw zou moeten nemen in het vormen van een visie op wat er in Den Haag gebeurt, hoe onze economie reilt en zeilt, enzovoort. Journalisten worden ervoor betaald kritisch te zijn en met een eigen visie te komen, en dat geldt trouwens ook voor wetenschappers.”

We hebben voorbeelden gezien van breed gedragen visies in de maatschappij waar de pers volledig aan voorbij ging. Zoals over de problemen met multiculturele samenleving, of, meer actueel, over de demonisering van Rusland in de media, waarover in lezersrubrieken veel geklaagd wordt.

“Het is waar dat er te weinig en op de verkeerde manier is bericht over problemen die gepaard gingen met de multiculturele samenleving.”

Maar je zegt dus eigenlijk: pluriformiteit moet niet komen van een pers die alle geluiden in de samenleving een stem geeft? Pluriformiteit moet komen van journalisten die van bovenaf het publiek vertellen waar de problemen liggen?

“Populisme, zoals het genoemd wordt, heeft zeker bijgedragen aan het op de agenda plaatsen van onderwerpen die ten onrechte onbelicht of onderbelicht zijn gebleven. Maar waar het mij om gaat: veel kritiek blijft aan de oppervlakte hangen, graaft niet erg diep, is niet in staat de achterkant van het gelijk inzichtelijk te maken. Er is in de pers te weinig radicale systeemkritiek. Er staan wel kritische artikelen in de krant, maar dat gaat vooral over de ene columnist tegen de andere. Youp van ’t Hek die flink tekeer gaat is natuurlijk wel geestig, maar het is niet wat een kritische pers inhoudt. Het gaat er om dat je redacties uitrust met voldoende middelen om de onderste steen boven te krijgen. Er zou veel meer onderzoeksjournalistiek moeten zijn. Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.”

Hoe zie jij de concentratie van de pers? De monopolievorming op de dagbladenmarkt?

“Het feit dat er nu twee bedrijven zijn die meer dan negentig procent van kranten in handen hebben hoeft niet per se te leiden tot een slechte journalistiek. Het betekent wel dat winstbejag een grotere rol is gaan spelen. Een onrendabele krantenonderneming kan niet bestaan anno nu. In het verleden waren er veel onrendabele ondernemingen. Die werden gesubsidieerd door de zuil waar ze toe behoorden. Het nadeel daarvan was dat ze de zuil naar de mond praatten. Daar stond tegenover dat ze zich weinig aan de adverteerders gelegen hoefden te laten liggen. Maar in elk geval hadden we in de tijd van de verzuiling wel vijf verschillende ideologieën die met elkaar streden over onderwerpen. Nu is alles onderhorig gemaakt aan de commerciële ideologie, het Umfeld-effect wat ik noemde.”

IMG_4796

Heeft in de afgelopen decennia het onderzoek van communicatiewetenschappers enige invloed gehad op de manier waarop journalisten hun werk doen?

“Er is van geleerd. Maar een aantal perversies zit gewoon ingebouwd in het vak, en komen telkens weer naar voren. Enerzijds de blinde ambitie om een paar minuten eerder te zijn dan de concurrentie, vaak ten koste van de kwaliteit van de verslaggeving, en neerslaand in een eeuwige recycling van steeds dezelfde impliciete stereotypen. Anderzijds ook het conformisme van de meute die een bepaald onderwerp of ministerie, gezagsdrager of kandidaat moet coveren, met ook het aanschurken tegen de macht en het ‘ons kent ons’ patroon.”

De nieuwsmedia zijn al een halve eeuw een studieobject voor jou geweest. Kun jij nog een krant openslaan of naar een tv-journaal kijken met het doel kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt?

“Nee. Ik kan alleen nog naar het nieuws kijken met de vraag: Wat gaat er achter schuil? Waarom is dit opeens in het nieuws? Waarom wordt iets opeens heel groot, terwijl andere zaken nog geen seconde aandacht krijgen? Wie heeft daar belang bij? Was die of die persoon of instelling in de positie om dat nieuws een handje te helpen? Past het binnen een cultuurverschuiving waardoor er opeens iets zichtbaar wordt?”

Journaals zijn niet jouw favoriete nieuwsvoorziening?

“Zoals de meeste mensen van mijn generatie kijk ik nog trouw naar het journaal, zowel op de Nederlandse als de Franse televisie. Ik zie het televisienieuws als een soort collectieve psychotherapie. Mogelijke bedreigingen van ons wereldbeeld worden opgeroepen, geïdentificeerd, geëtiketteerd, gecategoriseerd, ‘behandeld’ en vervolgens weer opgeborgen. Voor dit doel voert de presentator iedere dag een hele stoet autoriteiten en experts ten tonele. Zij stellen gerust, zodat we onbezorgd kunnen gaan slapen.”

Jij hebt vaak gesteld dat objectiviteit niet bestaat, en dus ook niet voor journalisten. Wat is dan volgens jou de juiste grondhouding?

“Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken. Je moet je altijd afvragen: ‘Wie heeft er belang bij dat dit verhaal op dit moment bij mij terecht komt?’ Behalve als je te maken krijgt met zoiets als vulkaanuitbarsting in een ver land, dan zal het niet snel gebeuren dat iemand er een speciaal belang bij heeft dat in de krant te krijgen.”

Je werd destijds waarschijnlijk ook niet voor niks uitgenodigd voor een reisje naar China. Die professor Wertheim zal dat hebben georganiseerd omdat hij een bepaalde boodschap wilde overbrengen?

“Het was inderdaad de bedoeling positieve aandacht te krijgen voor het Chinese ontwikkelingsmodel. Ik heb daarom zelf met schade en schande ondervonden dat je niet kritisch genoeg kunt zijn als journalist.”

Als je als journalist niet objectief kunt zijn, mag je wel geëngageerd zijn?

“Het kan legitiem zijn om als journalist begaan te zijn met een bepaalde zaak, en dat je daar alsmaar aandacht voor vraagt. Maar je moet dan uitkijken dat je niet in een bubble belandt, waarin kritische geluiden en relevante tegenspraak je niet meer bereiken.”

Wat zijn sinds de jaren zestig de belangrijkste veranderingen die je hebt gezien in de nieuwsmedia?

“Over misschien de belangrijkste grote verandering hebben we het al gehad. De media zijn vrijwel allemaal commercieel geworden. De publieke omroepen een beetje minder dan de rest. Maar de strijd om de kijkcijfers werkt deels in het verlengde daarvan.
Een andere grote verandering is de audiovisualisering. Beeld en geluid zijn leidend geworden. Als er geen beeld van is dan zullen de journaals er niet snel mee openen, en dan zullen vervolgens de kranten er minder snel aandacht aan besteden. Het audiovisuele is de belangrijkste bron geworden van informatie en educatie.

De elektronisering heeft er bovendien toe geleid dat elke nieuwtje dat ergens op de wereld bekend wordt een paar seconden later bij ons op internet verschijnt of op de journaals. Met alle hijgerigheid en pseudo-actualiteit van dien.

Dan is er de BN’erisering. Op tv zie je de hele dag Bekende Nederlanders die van het ene naar het andere spelletje rennen en van quiz naar talkshow doorschuiven. Ook in de kranten en bladen is het een komen en gaan van BN’ers.”

Je schrijft dat weinig beroepsgroepen zo zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld.

“Ik leerde al snel als je je polemieken op Nederlandse personages en media richtte je dat snel kreeg terugbetaald. Als je je polemieken op het buitenland richtte, bijvoorbeeld op wat er in de VS gebeurde, dan was dat veel veiliger.”

Niettemin schreef De Journalist, het toenmalige huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over jouw boek De schepping van de wereld in het nieuws: “Men kan Van Ginnekens boek afdoen als oude, linkse koek. Maar wie het leest, komt net iets te veel voorbeelden tegen die tot nadenken stemmen.”

“Ja, dat was fair. Maar verder heeft het boek weinig veranderd. Behalve misschien dat het de grond rijp heeft gemaakt voor de prachtige boeken die Luyendijk later schreef, over deels dezelfde onderwerpen.”

 

Je hebt een boek geschreven over de joods-Duitse Kurt Baschwitz, die je als een van de grondleggers beschouwt van de communicatiewetenschap in Nederland, en die als eerste een journalistenopleiding begon. Wat is het belangrijkste dat je van hem hebt geleerd?

“Het belang van ruimte voor systematische tegenspraak. Die is er vaak niet. Baschwitz heeft dat gemerkt tijdens de opkomst van het nazisme en antisemitisme in Duitsland. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog. Ik heb toen vergeefs lopen leuren met een Nederlands artikel waarin uitvoerig beargumenteerde dat die atoomwapens van Saddam Hoessein waarschijnlijk helemaal niet bestonden. Niemand wilde het hebben. Het verscheen uiteindelijk pro forma in een klein wetenschappelijk blad.

Noam Chomsky cum suis hebben vastgesteld dat er in de mainstream media impliciete ‘limits of acceptable discourse’ worden gehanteerd, dat de ruimte voor tegenspraak vaak maar zeer beperkt is. Dat geldt bij uitstek bij hoog-emotionele kwesties in het internationale nieuws, en aan de vooravond van interventies en oorlogen. Het blijkt vaak pas decennia later, dat de werkelijkheid daarbij geweld werd aangedaan.”

Opvallend aan Baschwitz is dat hij een vrije pers en de vrijheid van meningsuiting als voldoende voorwaarden lijkt te zien voor een goed geïnformeerd publiek. Hoe zie jij dat? Is dat niet een beetje naïef?

“Baschwitz leefde in een tijd van totalitarisme, crisis en oorlogen. De vrije pers en de vrijheid van meningsuiting stonden toen heel erg onder druk. Later is het allemaal een stuk ingewikkelder geworden. Co-optatie is volgens mij een van de meest effectieve maar goeddeels onzichtbare controlemechanismen in onze maatschappij geworden. Fabrikanten co-opteren wetenschappers en onderzoek die laten zien dat hun producten gezond en geenszins schadelijk zijn. De rijksten in de VS co-opteren een beleid en instellingen die hun visie onderbouwen en veel breder verspreiden dan logisch is. Toppolitici co-opteren staf en lagere echelons die inschikkelijk zijn. In al die gevallen wordt er formeel nergens dwang gebruikt, en blijft de fameuze keuze-vrijheid schijnbaar onaangetast.”

Bijzonder aan Baschwitz is dat hij tegen de tijdsgeest inging van het interbellum, toen de democratie onder druk stond, vooral in Duitsland, met de zegen van veel intellectuelen. Die laatsten zagen ‘het volk’ als een bedreiging, als een blinde, kolkende massa die met propaganda in de goede richting moest worden gestuurd.

“Baschwitz zag het inderdaad precies andersom. De gewone mensen waren volgens hem begiftigd met gezond verstand en medemenselijkheid. De massa is niet dom, maar wordt steeds door de terreur van een kleine minderheid op één hoop gedreven. Het kwaad kwam vooral van de elites, de intellectuelen inbegrepen. Als het volk al moest worden aangestuurd dan vond Baschwitz dat het moest gebeuren door een beroep te doen op hun goedheid, niet door misbruik te maken van hun zwaktes.”

Je beschrijft dat Baschwitz ten tijde van de Weimarrepubliek zag hoe in Duitsland banken, ondernemers en overheden telkens opnieuw probeerden om een vinger in de pap te krijgen bij de pers, op zoek naar politieke steun. Hoe ver reikt volgens jou de invloed van de elites?

“Uit het Amerikaanse Project Censored komt naar voren dat kwesties die zowel het bedrijfsleven als de overheid heel erg onwelgevallig zijn niet snel het nieuws halen. Terwijl er continu vaste contacten zijn tussen journalisten en ‘establishment’, zijn er veel minder contacten tussen journalisten en alternatieve nieuwsbronnen. Het grootste deel van het nieuws wordt bepaald door persberichten, persconferenties, officiële gebeurtenissen en uitingen van westerse overheidsinstellingen en bedrijven.”

Welke onderwerpen mis jij het meest in de dagelijkse berichtgeving? En hoe verklaar je dat er geen aandacht voor is?

“Pogingen tot radicale tegenspraak en intellectueel verantwoorde systeemkritiek, in alle domeinen. Zelfs de goede oude Karl Popper stelde dat je iets pas voor waar mocht aannemen, als je eerst linksom en rechtsom geprobeerd had er gaten in te schieten.”

In hoeverre zijn wij allen gehersenspoeld, propaganda-slachtoffers? In hoeverre worden wij in ons denken beïnvloed door The Powers That Be?

“In de communicatiewetenschap wordt vaak gewezen op het proces van agendasetting: het establishment en de media bepalen niet zozeer wat we denken, maar waarover we denken, de onderwerpen die ons bezighouden. “

Frank Zappa zei: ‘Politics are the entertainment branch of industry. Staart de pers zich blind op de poppetjes in de politiek?

“Ja. Een steeds groter deel van het nieuws bestaat niet uit serieuze informatie maar uit ‘celebrity theater’. Neem de voormalige premier van Italië, Silvio Berlusconi. Media en publiek waren nauwelijks geïnteresseerd in diens vermeende banden met de maffia en het geheime P2-genootschap, maar des te meer in zijn orgies met minderjarige meisjes. Of neem de voormalige president Bill Clinton. Zijn affaire met een stagiaire overschaduwde lange tijd alles wat zich in de Amerikaanse politiek afspeelde. Zelfs de kat en de hond van de Amerikaanse president krijgen meer aandacht in de internationale media dan sommige grote landen elders bij elkaar.”

IMG_4801

Terug naar Baschwitz. Die verbleef een deel van de Eerste Wereldoorlog als correspondent in Nederland. Je beschrijft hoe hij zich verbaasde over het gemak waarmee geallieerde propaganda in de Nederlandse kranten verscheen. Zoals het verhaal dat de Duitsers hun gesneuvelde soldaten tot veevoer verwerkten. En ook over de cartoons zoals in de Telegraaf over Duitsers afgebeeld als Neanderthalers die vrouwen verkrachtten en hun slachtoffers kruisigden. Er lijkt weinig te zijn veranderd sindsdien?

“In mijn boek Verborgen Verleiders heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan oorlogspropaganda. Ik beschrijf daarin hoe de VS steeds weer met succes de media gebruiken door met hele en halve leugens ‘nieuwe bedreigingen voor het Westen’ en hun oorlogen te verkopen. Het proces van agendasetting speelt daar een belangrijke rol in. De regering van de Verenigde Staten bepalen meer dan enig andere instelling in de wereld wat mensen bezig houdt.

Om een voorbeeld te noemen: iedere paar maanden maakt de Amerikaanse regering bekend dat uit haar satellietwaarnemingen blijkt dat deze of gene vijandige mogendheid ‘gevoelige’ technologie importeert, militaire installaties bouwt of legerdivisies in grensgebieden plaatst en daarmee een bedreiging voor anderen vormt. Vaak nemen de media dergelijke beschuldigingen klakkeloos over. Diezelfde bronnen en media vestigen haast nooit de aandacht erop dat de VS en hun bondgenoten ook voortdurend bezig zijn met de ontwikkeling van niet-conventionele wapensystemen en met de verplaatsing van militaire eenheden op een manier die door anderen als een bedreiging kan worden waargenomen.”

Is er een kruid gewassen tegen deze oorlogspropaganda? Je citeert in Verborgen Verleiders met instemming CBS-anchorman Walter Cronkite die zei: “Als de directeuren van de nieuwsdiensten een fractie van de middelen die ze inzetten om de Golfoorlog te verslaan hadden besteed aan datgene wat op het punt stond haar te veroorzaken, dan had de oorlog wellicht voorkomen kunnen worden.” Moeten nieuwsmedia hun middelen anders inzetten?

“Dat vind ik inderdaad.”

Vergis ik mij of wordt er in de communicatiewetenschap nauwelijks nog studie gemaakt van oorlogspropaganda?

“Er wordt vrijwel niets aan gedaan. Daarom trappen de regering en het parlement ook steeds opnieuw in leugencampagnes om bepaalde militaire interventies te rechtvaardigen. Keer op keer op keer, zonder dat er iets geleerd wordt. Na een paar jaar zijn die politici weer weg. Vaak worden ze pas kritisch als ze geen verantwoordelijkheid meer dragen.”

Je schrijft: “Het principe van hoor- en wederhoor dat voor binnenlands nieuws hoog in het vaandel staat, wordt bij internationale conflicten waarbij het Westen partij is slechts hoogste zelden op een evenwichtige manier toegepast. Zodra een bron als ‘vreemd’ of ‘vijandig’ wordt aangemerkt. krijgt die vaak niet langer een serieuze behandeling.” Misschien heeft dat er mee te maken dat de Amerikanen communicatief sterker zijn dan andere volkeren?

“De Amerikaanse pers zit in het hart van het wereldwijde communicatiesysteem, en laat zich in hoge mate aansturen door de autoriteiten. Op een conferentie over de Golfoorlog stelde Ed Cody van The Washington Post dat als er een conflict is waar de VS bij betrokken zijn de Amerikaanse regering met zoveel informatie komt dat het vrijwel automatisch de definitie wordt van wat er aan de hand is. Als er een reporter in Saudi-Arabië, Koeweit of Bagdad zit die zegt: “Ho, wacht eens even, ik zit hier, ik praat juist met een betrokkene, en die zegt dat het helemaal anders zit”; dan wordt het geluid van die persoon wel doorgegeven, maar het legt geen gewicht in de schaal omdat het  overstemd wordt door de lawine aan informatie die de Amerikaanse regering dagelijks over de media uitstort.”

Hoe zie jij de strijd van overheden tegen wat ‘nepnieuws’ is gaan heten? Is dat een legitieme strijd? Volgens Cees Hamelink zijn overheden de grootste producenten van nepnieuws en zijn journalisten de belangrijkste distributeurs hiervan.

“Hij heeft helemaal gelijk.”

Voel jij een verwantschap met Baschwitz?

“Baschwitz is begonnen met het rijden van een scheve schaats, net als ik. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdedigde hij als Duitser heel erg het Duitse standpunt, onder meer over wie de oorlog begonnen was. In elk geval wekte zijn Werdegang mijn sympathie. Hij is uiteindelijk een verstandig man geworden. Ook daar voel ik een verwantschap.”

Jouw collega-communicatiewetenschapper Tabe Bergman schrijft over jou: “Van Ginneken is meer een Baschwitz type dan een mainstream academicus. Met zijn achtergrond van reporter zwervend door ontwikkelingslanden had hij te zeer het stempel gekregen van radicaal om in aanmerking te komen voor een voltijdsaanstelling als professor. Kort gezegd, hij paste niet in de heersende mode van zijn tijd en plaats.”

“Mijn radicalisme was modieus jaren zestig, zeventig. Dat ik daardoor niet in aanmerking kwam voor een professoraat bleek achteraf een blessing in disguise. Ik kon mijn eigen projecten gaan doen. Het fijne daarvan was dat ik lekker eigenwijs kon zijn, dwarse onderwerpen kon kiezen, als ik de aanvullende financiering tenminste een beetje rond kon krijgen. Soms kun je bovendien een kritisch publieksboek maken dat toch verkoopt, zoals Gek met geld of Verleidingen aan de top.”

Is jou ooit te verstaan gegeven: “Wij moeten je niet. Je bent te radicaal?”

“Nee, maar dat ving ik op in de wandelgangen. Bijvoorbeeld bij benoemingen waar ik bovenaan had gestaan, en opgeschoven was naar beneden.”

Misschien was het niet alleen jouw radicale verleden dat een professoraat in de weg stond? Je hebt de onbedwingbare neiging altijd alles im Frage te stellen, tot de fundamenten van de wetenschap aan toe.

“Je hebt een categorie mensen die academisch het meest deftig zijn. Die alles keurig volgens de regels doen, nooit een foutje maken en in de beste kringen verkeren. Je hebt ook een categorie dwarsliggers die overal tegen aan schoppen, en zich daarmee binnen de universiteit niet populair maken, en ook in de mediawereld niet. En verder heb je alles er tussenin.”

Zou Baschwitz zich thuis voelen op de Universiteit van Amsterdam anno 2018? Tabe Bergman schrijft: “Ik vermoed dat Baschwitz (..) wiens boeken (..) over propaganda de nadruk legden op de schuld van de elites voor twee wereldoorlogen en andere ellende zich nauwelijks thuis zou voelen tussen de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, die zich, ondanks al hun deugden, hebben toegelegd op kwantitatieve onderzoeken, die moeilijk leesbaar en te doorgronden zijn, zelfs voor de hogeropgeleide leek.”

“Tijdens de presentatie van mijn boek in Spui25 in Amsterdam werd de vraag opgeworpen of Baschwitz zou worden aangenomen aan de UvA als hij nu zou solliciteren. De meningen liepen daarover uiteen. Er waren er die weerspraken dat Baschwitz aan de basis heeft gestaan van de communicatiewetenschap. Zij zien Baschwitz eerder als iemand die deel uitmaakte van de voorgeschiedenis, en ook als studeerkamergeleerde. Ik zeg in antwoord daarop: ‘Erudiet aan de huidige universiteit is eerder een vloek dan een zegen. De huidige universiteit is overgespecialiseerd en overmethodologisch.’

De vakgroep communicatiewetenschap zoals die ooit was opgetuigd, wilde met computers en harde cijfers werken, en afstand nemen van mensen als Baschwitz die vanachter hun bureau, maar ook vanuit hun eigen ervaringen als journalist, nadachten over de rol van de pers is in de maatschappij. Er kwam een taboe op dat soort denken. Goede wetenschap moest over cijfers gaan en door een computer heen gehaald zijn. Dat heette vroeger positivisme, omdat het verwees naar zogenaamd ‘positieve’ of harde feiten. Communicatiewetenschap was een nieuwe wetenschap die zijn legitimiteit heeft bevochten door heel erg met het positivisme mee te gaan in de sociale wetenschappen. Dus door te zeggen: “Meten is weten is voorspellen is beheersen.” Het is een opvatting van wetenschap die heel nuttig is, maar ook z’n beperkingen heeft. Onmeetbaar kleine oorzaken kunnen namelijk onmeetbaar grote  gevolgen hebben. Zie mijn boeken Brein-bevingen en Schokgolf, over   chaostheorie, opkomende patronen en plotselinge omslagen.

De huidige psycho-sociale wetenschap leunt nog steeds sterk op een achterhaald mechanistisch wereldbeeld en gaat voorbij aan veel inzichten uit de wetenschapsgeschiedenis. Ik zeg: een wetenschap die zichzelf serieus neemt moet eerstejaars studenten tenminste twee vakken bieden die lang bij communicatiewetenschappen hebben ontbroken en ten dele nog steeds ontbreken: brede wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie. Het leert studenten dat je op verschillende manieren naar de werkelijkheid kunt kijken. Dat er door de hele geschiedenis steeds anders is gedacht over de vraag hoe wij tot geldige kennis komen.”


Jaap van Ginneken (2018). Kurt Baschwitz – Peetvader van journalistiek en communicatie. Diemen: AMB. ISBN 97890 79700 91 2, 267 pagina’s, paperback, € 24,75.

The post “Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken.” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Het al te heftige leven van Michel Maas: “Het correspondentschap is voor mij het walhalla van de journalistiek”

michiel maas

Met de rauwe roman Commandant Konijn schreef Michel Maas het beste boek van 2017 op de grens van literatuur en journalistiek, vindt Henk Blanken. Hoe een onnozele Limburger verslaafd raakt aan oorlogen en daar bijna aan onderdoor gaat. Een interview en een fragment.

Hoe kan het dat een ogenschijnlijk wat bedeesde katholieke ex-misdienaar uit – godbetert – Swalmen door Thaise militairen op een haar na wordt doodgeschoten? Michel Maas deed er in 2010 op Radio 1 live – ‘Auw, I’m hit’ – verslag van. Dat verslag klonk absurd, hilarisch bijna, te surrealistisch om waar te kunnen zijn, net als het boek dat de Azië-correspondent van de Volkskrant en de NOS daarna besloot te schrijven.

Commandant Konijn is het beste, meest rauwe en openhartige boek dat het afgelopen jaar verscheen op het grensvlak van literatuur en journalistiek. Een autobiografische roman over een man die in het Kosovo van de late jaren negentig verslaafd raakt aan oorlogsverslaggeving, huis en haard en vrouw en kinderen in de steek laat, een heftige liefdesaffaire beleeft met een collega – ze is net zo hooked als hij – en pas bij zinnen komt als hij op straat in Bangkok wordt geraakt door – Auw, auw, I’m hit – de kogel die, zoals dat heet, al jaren op hem lag te wachten.

Michel Maas noemt Commandant Konijn een roman, geen journalistieke non-fictie. Maar tot in de kleinste details wekt hij de indruk dat het verhaal samenvalt met de werkelijkheid. In het boek loopt een journalist die Michel Maas heet door de oorlog van Kosovo. Onnozel eerst, een naïeve Limburger die door de wereldgeschiedenis dwaalt als een dreumes door een pretpark. Later de oorlogsverslaggever die, door de wol geverfd, cynisch relativeert maar blijft kijken, en blijft schrijven – zoals hem dat ook in werkelijkheid allemaal overkwam.

Je hebt gezegd dat de romanvorm je meer vrijheid gaf. Welke vrijheid bedoel je precies?

“De vrijheid om te schrijven zoals ik het wilde. De gebeurtenissen zijn inderdaad bij vlagen behoorlijk werkelijkheidsgetrouw, maar ik had de vrijheid nodig om gebeurtenissen samen te voegen, sfeer te creëren, emoties weer te geven zonder dat iemand mij naderhand met jaartallen en plaatsnamen om de oren zou kunnen slaan en roepen: ‘Fout, dat was in werkelijkheid heel anders’. Ik wilde een verhaal vertellen, niet het verhaal van Kosovo, niet het verhaal van Bangkok, maar het verhaal van een journalist die verzeild raakte in die verhalen, losraakte van zijn leven ‘vóór de oorlog’ en uiteindelijk helemaal dreigde te verdrinken.”

Zou je dit soort verhalen – op het grensvlak van autobiografie en journalistiek – niet ook gewoon in een krant of opinietijdschrift kunnen afdrukken? Twintig jaar geleden was dat ondenkbaar, maar de journalistiek is veranderd, een stuk persoonlijker geworden. En een enkele keer deed je het al. Je verhaal in VK Magazine over de tsunami, bijvoorbeeld. Of sommige stukken die je op de Filipijnen maakte na de orkaan.

“Mijn verhaal na de tsunami, in VK Magazine, was een reddingsboei. Tien dagen had ik rondgelopen tussen de doden. Ze lagen aan de kant van de weg, de handen samengebonden, klaar om te worden opgehaald, ze lagen in de modder die de zee had achtergelaten, ze zaten geplet tussen het puin. Tienduizenden. Ze waren overal, en overal stonk het naar de dood. Je kon er niet aan ontkomen. Dit was het ergste wat ik ooit had gezien.

Na tien dagen riep de krant mij terug naar Amsterdam. Er waren correspondentendagen, die mocht ik niet missen. Ik ging terug, maar de doden lieten mijn hoofd natuurlijk niet met rust. Ik stond op een redactiefeest met een biertje in mijn hand, mensen groetten me, ‘goh, dat was niet niks hè?’, en ik glimlachte en dacht: je moest verdomme eens weten. Je hebt geen idee.

Op dinsdagochtend stapte ik uit mijn hotel aan de Prinsengracht. Ik schrok me te pletter. Overal lagen grijze plastic zakken. Lijkzakken. Het was natuurlijk gewoon vuilnisdag, maar ik begreep dat het niet goed met me ging. Ik ben naar de krant gegaan, en ben gaan tikken. Drie uur later was het af. Alle doden, alle stank, alle huiver, alle tranen en alle lijkzakken heb ik in dat verhaal gestopt. Ik gaf het verhaal een plaats. De krant drukte het af, en ik ging terug naar Atjeh.

Dit artikel ‘temde’ mijn emoties van het moment. Het boek is een ander verhaal: een verhaal dat een hele oorlog omspant en de nasleep ervan. Dat verhaal had ik nooit zo kunnen schrijven op het moment dat het me overkwam. Daar was afstand voor nodig, overzicht, en een inzicht dat ik toen nog niet bezat.

Je zou stukjes en beetjes uit het boek in de krant hebben kunnen zetten. De stukken die ik destijds publiceerde hadden vaak al een vrij persoonlijke tint. Mijn Kosovo-verhalen zijn gebundeld en voorzien van een heel persoonlijk extra hoofdstuk dat het boek al aankondigt. De kernzin was: ‘Mijn god, waar begonnen we aan.’

Maar er was een boek nodig om alle emoties, alle menselijke ellende van de oorlogsjournalistiek een plek te kunnen geven. Ik wil de lezer meetrekken in een verhaal dat ogenschijnlijk heel onschuldig begint. Een onnozele journalist, die nog weinig heeft gezien van de wereld en die per ongeluk in een oorlog belandt. Hij kijkt zijn ogen uit, heeft een naïeve bewondering voor de ‘echte’ oorlogsjongens, wil zijn zoals zij, en wordt ten slotte erger dan zij: een wrak. Dat past allemaal niet in een enkel krantenverhaal.”

Hoe ver ga je bij het dramatiseren van je journalistieke werk? Dringt de fictie ook de werkelijkheid binnen, andersom dus? Mag je – denk aan Oscar Garschagen – personages samenstellen, locaties en tijden iets aanpassen, louter vanwege het verhaal?

“Dat mag nooit het geval zijn. Journalistiek is journalistiek en fictie is fictie.

Ik gebruik altijd sfeer in mijn verhalen. Ik benadruk details, waarnemingen, kleine toevalligheden soms en ik pas ze in, waardoor ze een betekenis krijgen, een gevoel versterken, of de spanning opvoeren. Het verhaal moet gelezen worden, en om dat voor elkaar te krijgen gebruik je alle stijlmiddelen, kneepjes, verteltrucs en esthetische kunstjes die je tot je beschikking hebt. En zoveel mogelijk sfeer.

Sfeer is, ook in de journalistiek, minstens zo belangrijk als de naakte feiten, want die naakte feiten zijn het saaiste wat er is. Pas als zij worden ingebed in een goed verhaal komen ze tot leven, wekken ze verbazing, belangstelling, afgrijzen, medelijden. Daar doe je het voor. Als journalist is het je plicht de mensen niet alleen te informeren, maar ze ook te raken. Een reportage moet ze iets doen. Zuidoost Azië is ver weg. Als je de sfeer weglaat heb je op zo’n afstand niets te vertellen.

Al die dingen doe ik dus omwille van het verhaal, maar er is een heldere, vlijmscherpe grens bij al mijn journalistieke werk: ik verzin er nooit iets bij. Ik gebruik alles wat ik aantref aan indrukken, beelden, mensen en citaten. Ik groepeer ze, maar ik voeg er niks aan toe. Beelden zijn beelden, citaten zijn citaten. Daar mag je niet mee knoeien.

Soms trouwens tot ergernis van de spreker. Karel Appel was woedend op mij omdat ik zijn plat Amsterdamse manier van praten letterlijk op papier had gezet. Ik vond dat wel authentiek, maar hij vond dat ik daar ‘mooi Nederlands’ van had moeten maken. Dat had wel gekund. Zelfs als ik dat had gedaan zou ik aan de betekenis van zijn citaten niets hebben veranderd. Ik zou het naar eer en geweten hebben vertaald van plat Amsterdams in Volkskrant-Nederlands.

Voor het verzinnen van personages geldt natuurlijk hetzelfde. Je verzint geen mensen. Als je drie boeren interviewt die allemaal Ahmed heten heb je een aantal keuzes. Je noemt ze Ahmed 1, 2 en 3 en zet hun citaten in een context, of je parafraseert ze en staaft je verhaal met het best passende citaat van een van de Ahmeds. Er is altijd een mouw aan te passen. Als je moet gaan liegen is er iets mis met de waarheid die je wil vertellen.”

Ik herinner me jou bij de Volkskrant vooral als eindredacteur. Bij uitstek een man die altijd binnen zat. Die Michel Maas is een heel andere dan de overdonderende stilist die midden jaren negentig De vleugels van Lieu Hanh – bekroond met de Lubberhuizenprijs voor het beste debuut – bleek te kunnen schrijven. Was die tegenstelling zo groot, of keken we (keek ik) gewoon niet goed? Of is dat contrast tussen Maas als dertiger en Maas als oorlogsverslaggever en thrillseeker door iets anders te verklaren?

“Haha, ja, ik was inderdaad een stille eindredacteur. Maar voordat ik bij de Volkskrant kwam schreef ik al reportages. Bij De Limburger bijvoorbeeld, toen de Maas overstroomde. Ik werd erop uitgestuurd met de opdracht: ‘doe maar wat’. Ik vond het heerlijk. Ik reed langs de overstroming en genoot. Die thrillseeker was er dus al.

Eindredacteur werd ik omdat dat de vacature was waarop ze me aannamen, maar ook omdat de eindredactie vaste werktijden had. Ik studeerde naast mijn werk filosofie aan de UvA, en die studie betekende veel voor mij. Dank zij dat vaste ritme kon ik colleges lopen en mijn studie afmaken.

Toen die studie af was ging ik los, zeg maar. Het eerste fijne verhaal dat ik mij herinner was een reisverhaal over Yosemite Park (dat waren de jaren dat kranten budgetten hadden voor dat soort zaken). Ik buitelde door de Amerikaanse ‘wilderness’, liep op het John Muir Trail, en vergat de obese vetzakken niet die beneden in het dal hun pizza’s naar binnen werkten.

Ik heb daarna jaren voor de kunstredactie gewerkt, de meest vrije redactie van de krant, als het op schrijven aankomt. De laatste drie jaar was ik daar ‘literair redacteur’: de op een na fijnste baan van de wereld. Ik interviewde Hermans, Claus, Vroman, Seamus Heaney en Derek Walcott, en mocht naar het Boekenbal.

De vleugels van Lieu Hanh was een uitvloeisel van een tussendoortje: een korte serie reisverhalen over Vietnam. (Een van die verhalen sprak nogal tot de verbeelding van collega’s: het verhaal waarin ik een bezoek aan een Vietnamese hoer beschrijf. Wat daarvan bleef hangen was de grote vraag: ‘Heb je het met haar gedaan?’). Die verhalen trokken de aandacht van de Bezige Bij, die mij aanzette tot het schrijven van een boek.

Ik heb schrijven altijd heerlijk gevonden, maar het schrijven van een boek bleek een nog veel groter genot. Halverwege het schrijven had ik zo’n moment van grote helderheid. Een moment waarop je even moet opstaan en rondlopen omdat je het op je stoel niet meer uithoudt. Ineens besefte ik, dat ik daar, achter dat laptopje, alles kon laten gebeuren wat ik maar wilde. Dat gevoel van een bijna goddelijke vrijheid, dat heb ik willen vasthouden, en willen terugbrengen in ‘Commandant Konijn’. Ik moest het een roman noemen om dat te kunnen doen.”

In Commandant Konijn leg je uit hoe het schrijven van dat boek ontstond uit de gebeurtenissen op 19 mei 2010. Je werd in Bangkok door Thaise militairen in je rug geschoten en had genoeg geluk om het te overleven. Ik kreeg het gevoel dat jouw al te heftige leven daar ophield, zoals dat ‘echte leven’ pas begon in 1996, in Kosovo.

“Het duurde even voordat ik mij goed realiseerde wat er op 19 mei 2010 gebeurde, en vooral: wat er had kunnen gebeuren. Die laatste gedachte had ik altijd weggewimpeld. Ik leefde nog en dat was alles wat telde. ‘It’s only a flesh wound.’ Omdat ik moest (en wilde) getuigen in de zaak rond de dood van de fotograaf Fabio Polenghi ben ik een paar keer terug geweest.

Een paar keer bracht politie mij naar de plek waar het ongeveer gebeurde, en deden wij een ‘reconstructie’ op een plek waar nu de files stonden. Maar een paar jaar na dato, bij de laatste reconstructie, was ik in gezelschap van een agent die daar was geweest, op 19 mei 2010. Hij had alle lijken gezien. Hij wees me de plekken aan, wees me de kogelgaten in de verkeersborden, en samen vonden we het boompje waarachter ik had staan schuilen, en die andere boom, waar een dode tegenaan had gezeten, in elkaar gezakt. Dat was twee meter van de plek waar ik was geraakt.

Toen pas, ik denk dat het 2013 was, kreeg ik kippenvel, en als ik het radiofragmentje hoor waarop ik roep: ‘I’m hit’, of nu ik dit zo schrijf, krijg ik het nog.

Het al te heftige leven is er nog steeds wel. Als ik Myanmar of Bangladesh alleen maar illegaal binnen kan, op een toeristenvisum, dan zal ik dat niet laten. Ik kom ook nog steeds in trieste omstandigheden. Je noemde de orkaan Haiyan in de Filipijnen. Of de 600.000 Rohingya die in Bangladesh in de modder zitten. Daar had ik weer even zo’n Tsunami-moment. Ik zag een oude vrouw en een kind als beesten vechten om een hulppakket. Het was een gevecht op leven en dood. Ik kreeg er tranen van in mijn ogen.

Ik doe mezelf dat allemaal nog altijd aan. Het enige verschil is, dat ik er nu niet meer blindelings in ren. Ik ben me meer bewust van de gevaren, van de kracht van de gebeurtenissen waarin ik mij begeef, en van mijn eigen emoties. Ik weet wanneer het tijd is om naar het hotel te gaan, een douche te nemen en te gaan schrijven.”

Het boek is het relaas van een junkie. Je was verslaafd aan de kick. Wist je dat ook al toen je er middenin zat?

“Natuurlijk wist ik dat, maar zoals elke junkie ontkende ik het met grote hardnekkigheid. Ik was de sigarettenverslaafde die zichzelf altijd voorhoudt dat hij best zonder kan. Om dat te bewijzen stopt hij vaak. Een uurtje, een dag. En dan begint hij weer. Het geeft niet. Hij kan immers altijd weer stoppen.”

Wat is er eigenlijk zo verslavend aan oorlogsverslaggeving? Iemand moet het doen, zeg je. De wereld moet dit weten. Maar ondertussen is het link werk. En gaat dat werk vaak knullig, lees ik in de roman. Je jaagt achter het geluid van schoten aan en belt Hilversum om ze even de oorlog te laten horen, zonder te weten wat die schoten betekenen voor de loop van de geschiedenis. Het moest groots en meeslepend zijn, maar blijkt in werkelijkheid nogal lullig. En dan zeurt je hoofdredacteur ook nog over je declaratie.

“Precies. In werkelijkheid is het vaak nogal lullig. Ik zie het nog elke dag op tv. De BBC heeft een intro waarin je de ene na de andere BBC-verslaggever met kogelvrij vest en helm door een oorlog ziet schuiven. Daar is er een bij die achter de soldaten aan Raqqa is binnengegaan. De soldaten staan voor een muur, en hij staat erachter. Hij bukt, kijkt in de camera en zegt: ‘er zijn nog steeds sluipschutters actief.’ Er klinkt inderdaad ergens een schot. ‘Welkom in Raqqa.’ Dan kan ik alleen maar lachen. Mijn god wat een nep-spanning. Dat gaat niet over het verhaal. Dat gaat over de journalist die dat verhaal vertelt.

Mijn boek gaat natuurlijk over niks anders dan de journalist, al is het op een ander niveau, maar in mijn verslaggeving heb ik dat altijd proberen te vermijden. Luister maar terug wat ik op de radio sta te vertellen over Thailand, terwijl de kogels mij om de oren vliegen en luttele minuten voordat ikzelf (nog steeds aan de telefoon) geraakt zal worden. Ik praat over Thaksin, over politiek, over hoe dit verder zal gaan.”

Commandant Konijn is het verslag van mijn ondergang, bewerkstelligd door het verblijf in die oorlog, zei je in Trouw. Waarom moest je juist dat verslag schrijven? Het is nogal openhartig. Je komt er niet meteen uit naar voren als de zachtmoedige Limburger uit Swalmen die men dacht te kennen. De Maas in dat boek is een narcist, een ongeleid projectiel. Heb je dat, omdat het tenslotte kon in een roman, uitvergroot en aangedikt?

“Ja. Een zachtmoedige man uit Swalmen zou het einde van het boek niet hebben gehaald.”

Je had om die kogel in Bangkok gevraagd, zei je in het ziekenhuis. You had it  coming. Wist je meteen al, in dat ziekenhuisbed bedoel ik, dat je daar een roman aan zou ophangen?

“In de roman is dat het keerpunt. En dat was het ook. Alleen het besef dat dat een keerpunt was kwam later, toen ik met die agent naar de kogelgaten stond te kijken. Toen vormde zich ook het idee voor dit boek, omdat ik zag hoe Kosovo en Thailand en Michel Maas bij elkaar kwamen.”

Waar haalde je na al die jaren het materiaal voor het boek vandaan? Een geweldig geheugen? Eerdere roman-aanzetten? Bewaarde je notitieboekjes?

“Ik bewaar al mijn notitieboekjes. Wat ik in de krant heb geschreven is ook een geheugensteun. Maar het meest heb ik aan foto’s. Ik heb een belabberd geheugen voor jaartallen en namen, maar een enorm geheugen voor sfeer en gebeurtenissen. Foto’s houden de sfeer vast, zelfs de lulligste portretten van groepjes rebellen. Foto’s zijn triggers, zij openen een deel van het geheugen dat op normale dagen gesloten is.

Ook losse woorden in mijn notitieboekjes doen dat, maar zelfs bepaalde geuren. Als ik mintthee ruik ben ik terug in een verhaal dat ik schreef over Tanger, bijvoorbeeld, en met ‘terug’ bedoel ik precies wat ik zeg. Ik kom aan met de boot, word lastiggevallen door ‘gidsen’, word de medina in geleid en bijna beroofd. Alles is er. Behalve het jaartal en de namen.”

Jeroen Vullings schreef in Vrij Nederland een prachtige recensie, met één vileine uithaal. ‘Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door korte, cursief gedrukte, filosofisch bedoelde passages, die wat mij betreft niets toevoegen behalve toenemende ergernis bij de lezer die deze wezenloosheid allengs beu wordt. Maas moet het meer van zijn ogen hebben dan van zijn hersens.’ Heeft Vullings een punt?

“Dat zal ik natuurlijk tot mijn dood ontkennen. Het stoorde hem niet zo erg, geloof ik, want Commandant Konijn was zijn ‘Boek van de week’. Maar mijn ogen zijn inderdaad ontzettend belangrijk. Ik zie altijd alles. Dat bedoel ik niet arrogant, het is een eigenschap, en het is er eentje die mij als journalist altijd goed van pas komt. Mijn ooghoeken vangen details die later, tijdens het schrijven veelzeggend zullen blijken te zijn.

Dat heeft kennelijk niet iedereen, want vaak als ik onderweg ben, met mijn cameraman, een tolk, of gewoon met mijn zoontje en ik zeg: ‘zag je dat?’ blijk ik bijna altijd de enige te zijn geweest.”

Er zaten pakweg twintig jaar tussen je Vietnam-boek en Konijn. Je was gewoon te druk om boeken te schrijven, heb je gezegd. Had je achteraf niet de keuze hebben willen maken voor het schrijverschap, zoals bijvoorbeeld Frank Westerman heeft gedaan?

“Als ik een jaar of twee langer in Amsterdam was gebleven had ik dat misschien ook wel gedaan. Maar toen ik de keus kreeg om correspondent in Oost-Europa te worden dacht ik maar één ding: gaan. Ik kon permanent naar de overstromingen van de Maas. Ik kon doen wat ik wilde, schrijven waarover ik wilde. Het correspondentschap was voor mij het walhalla van de journalistiek, en dat is het nog. Het genot van het boekenschrijven was op dat moment iets van later zorg. Ik dacht er niet zo over na, al zou dat heel snel veranderen.

De wereld wist al snel dat ik naar Boedapest zou gaan, en Margriet de Moor probeerde me ervan af te brengen. Zij vroeg mij of het waar was, en toen ik dat bevestigde zei ze maar één zinnetje: ‘Maar jongen, dat wordt het einde van je schrijverschap.’ Dat zinnetje klinkt, tot de dag van vandaag nog door. Het is mijn mene tekel.”

Michel Maas, Commandant Konijn, De Bezige Bij, € 19,99.

Michel Maas, Commandant Konijn, De Bezige Bij, € 19,99.

Dit interview verscheen eerder op De Verhalengarage.

The post Het al te heftige leven van Michel Maas: “Het correspondentschap is voor mij het walhalla van de journalistiek” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Filmrecensent Floortje Smit: ‘Ik heb dit beroep nooit gezien als mannenclubje’

floortje smit

Bij een filmrecensent stel je je misschien een chagrijnige, grijze man in een lange regenjas voor. Tijd om dat beeld de wereld uit te helpen. Filmjournalist en radiomaker Floortje Smit was voor haar dertigste filmrecensent. ‘Pas sinds een paar jaar heb ik een mannelijke chef.’

Filmjournalist Floortje Smit groeide op met “b-actiefilms” als Die Hard. ‘Ik heb vroeger niet veel gezien. Er was één bioscoop in Hoorn en die is afgebrand. Iemand had brand gesticht en dat was ook meteen de enige bezoeker op vrijdagavond. Die bioscoop liep gewoon niet. Mijn eerste film in de bioscoop was Jurassic Park (1993), dus dat was relatief laat. We gingen veel meer naar de videotheek en dan keken we films als Honey I shrunk the kids en die dan ook gewoon heel vaak. Ik heb het gevoel dat ik weinig bagage heb. Hoe meer je ziet, hoe meer je weet wat je mist en waar nog blinde vlekken zitten. Ik ben niet zo iemand die de hele Nouvelle Vague heeft gezien bijvoorbeeld.’

Je liefde voor film ontstond pas later, toch heb je toch een felbegeerde baan als filmcriticus. En dat voor je dertigste.

‘Ik heb geschiedenis gestudeerd, altijd al met idee dat ik de journalistiek in wilde. Daarnaast volgde ik een bijvak film. Een onderdeel hiervan was een masterclass recensies schrijven van filmjournalist Hans Beerekamp van NRC. Hij vertelde dat het heel moeilijk is om de filmjournalistiek in te komen en dat bijna niemand ertussen komt. Er zijn ook bijna geen vacatures, je moet er echt via-via tussenkomen. Maar hij vertelde ook dat als hij je goed genoeg vond hij je verder wilde helpen. En hij vond mij blijkbaar wel goed genoeg. Dus toen heb ik gevraagd of hij me wilde introduceren bij de chef film van de Volkskrant.’

‘Ondertussen ben ik veel blijven schrijven. Ik heb bij het Parool stage gelopen en voor het Groninger Dagblad, De club van 100 (RVU) en Netwerk (NCRV) gewerkt. Daarnaast schreef ik recensies op vrijwillige basis. Drie jaar later hoorde ik dat er een vacature was. En toen ben ik het geworden.’

Dat klinkt als een droomcarrière. Ik kan me bijna niet voorstellen dat het nu nog zo gaat.

‘Het is juist de enige manier waarop het nog kan. Tijdens mijn studie maakte ik me er ontzettend zorgen over of ik wel een baan zou kunnen vinden: “journalistiek, dat wordt toch nooit iets”. Maar je moet gewoon heel hard werken en er zoveel mogelijk naast doen.’

Je werkt nu bij de Volkskrant. Jullie recensies zijn altijd vrij scherp.

‘Oh, dus je vindt ons zuur?’

Niet zuur, wel streng. Hoe ontwikkel je zo’n gevoel van autoriteit?

‘Ik bekijk heel veel films per week. Dat is de reden dat het soms wat zuur lijkt. Er zijn heel veel best aardige films, die geef ik dan drie sterren. Als ik vier sterren geef, betekent dat je naar deze film kan en je sowieso een goede avond hebt, of je het onderwerp nou leuk vindt of niet. Vijf sterren geef ik bijna nooit, alleen bij een meesterwerk.

Ik had het laatst over het sterrensysteem met iemand die bij een filmdistributeur werkt. Ze vertelde me dat haar moeder alle recensies leest en dus echt niet naar een drie-sterren-film gaat. Hier keek ze nogal sip bij, want ze wist dat ik in haar persvoorstelling zo’n typische drie-sterren-film ging bekijken. Het is vervelend voor de filmmaatschappij en de maker van een film als er weinig mensen komen. Maar het gaat me juist om de mensen die erheen gaan. Je vraagt namelijk nogal wat. Naar de film gaan betekent parkeren en een oppas bellen: het wordt dus vrij snel een dure grap. Dan moet je mensen dus ook iets heel goeds bieden.’

Heb je wel eens meegemaakt dat mensen het totaal niet eens waren met je recensie?

‘Nou dat ging wel grappig bij Wonder Woman. Die wilde ik heel graag zien. Toen ik hem bekeek was ik teleurgesteld. Het einde was gewoon zonde en niet goed gedaan. En dan komt er dus ook nog eens zo’n hype omheen: dat de film heel feministisch is terwijl dat best meeviel. En die heb ik dus maar drie sterren gegeven, terwijl veel anderen de film vier sterren gaven. Later hoorde ik dat veel mensen teleurgesteld waren na het zien van de film. Ik dacht eerst dat ik te streng was, maar veel mensen vonden me uiteindelijk mild. Ik was dus misschien zelfs nog wel te mild.’

Je werk heeft vaker een feministische inslag. Waarom?

‘Ik vind het belangrijk omdat er best wel veel films gemaakt worden vanuit een mannelijk perspectief. En dat is goed om te benoemen. Er is wel een mentaliteitsomslag nu. Dat zie je ook in Hollywood, er gaan de komende jaren nog veel meer vrouwelijke superhelden komen. Dat hoeft van mij niet per se . Geef mij gewoon een normale vrouwelijke hoofdpersoon, die nadenkt. Ik vind het nog steeds verfrissend als je gewoon denkende vrouwen ziet met een beroep. En dan geen beroep zoals op de redactie van een tijdschrift zitten en daar dan de hele tijd lattes halen.’

Heb je favoriete vrouwelijke personages?

‘Nee. Al had de film Girls Trip een goed vrouwelijk perspectief. Een film met vrouwen in de hoofdrol die ook échte banen hebben. Een van de personages heeft een slechte relatie, waar ze uit probeert te stappen. Maar er staat dan al wel een reserve-man klaar. Dat vind ik dan weer jammer. Gewoon eruit stappen was genoeg geweest. Maar ik werd er blij van vrouwen te zien met zakenimperiums à la Oprah Winfrey.

Ik vraag me af of actrices vandaag de dag nog “domme wijven”-rollen aannemen. Toen Katherine Heigl later haar personage in Knocked Up (2009) een suffe muts noemde, kreeg ze ontzettend veel backlash. Terwijl ik niet weet of een actrice tegenwoordig nog voor zo’n rol zou kiezen.’

Is de filmrecensenten-wereld een mannenwereldje?

‘Dat valt in Nederland wel mee. Nu ik er zo over nadenk heb ik pas sinds een paar jaar een mannelijke chef kunst. Hiervoor heb ik alleen maar vrouwelijke chefs gehad. Ik heb dit beroep ook nooit gezien als mannenclubje en dat was dus ook geen beperking. Maar ik kan me wel voorstellen dat je denkt dat filmrecensenten muizige mannen zijn.’

Flimrecensent Floortje Smit: 'Ik leef in een continue deadline. ‘s Avonds vrij zijn is echt een droom.' Foto: Tjebbe Venema©.

Flimrecensent Floortje Smit: ‘Ik leef in een continue deadline. ‘s Avonds vrij zijn is echt een droom.’ Foto: Tjebbe Venema©.

Hoe ziet een gemiddelde dag eruit?

‘Die heb ik niet. Elke dag en elke week is weer anders. Soms heb ik een persvoorstelling, soms bereid ik een interview voor.’

Je hebt twee kinderen, van bijna vijf en zeven. Hoe combineer je dat met een druk journalistenbestaan?

‘Had je die vraag ook gesteld aan een man?’

Uhm.. Nee. Stom is dat.

‘Ik schrap die vraag altijd. Maar ik wil het best zeggen: mijn vriend en ik hebben een gelijkwaardige relatie en zo is de zorg ook verdeeld. Ik heb dit ook wel eens hoor: ik heb vandaag nog zoiets geschrapt. Ik schreef in mijn column iets over Angelina Jolie en daarbij zette ik “moeder van 5”. En dat is gewoon onzin, het doet er niet toe.’

Precies, dit interview gaat over je werk. Dus laten we het daarover hebben. Heb je nog dingen op je bucketlist die je heel graag wil doen?

‘Ik heb wel dingen waarvan ik nu denk “als ik dit had geweten, dan had ik het op mijn bucketlist gezet.” Ik heb Madonna geïnterviewd. En dat is lastig, bijna niemand krijgt haar te spreken. Dat was wel met twintig andere journalisten. Ik zou heel graag nog eens een keer met een grote regisseur gewoon lekker twee uur zitten, maar dat is niet meer te doen. In Nederland kan het nog wel, maar buitenland niet meer. Je zit daar altijd in die junket-structuur.’

Heb je een tactiek in zo’n junket?

‘Nooit de eerste vraag stellen! Sommige collega’s zweren daarbij, maar dat kan je met gemak aan iemand anders overlaten. Dat is namelijk altijd de vraag die iedereen wil stellen.’

Waar zit voor jou nog een uitdaging?

‘Alles. Maar vooral tijdmanagement. Ik leef in een continue deadline. Er moet altijd nog wel iets af. ‘s Avonds vrij zijn is echt een droom. Vroeger waarschuwden ze me hier op mijn opleiding voor: “de journalistiek is geen 9-tot-5 baan.” En toen wilde ik zó graag. Het zwaarst is een filmfestival, daar werk je jezelf echt helemaal over de kop. Je moet ontzettend veel films kijken, stukken schrijven en ook nog eens interviews doen. Ik zou heel graag eens voor mijn lol naar Cannes gaan, gewoon lekker films kijken.’


CV Floortje Smit

2007 – heden: journalist bij De Avonden van de VPRO

2006 – heden: filmjournalist bij de Volkskrant

2006 – 2008: Journalist bij Skrien

2006 – 2007: Hoofdredacteur van ‘De Publieke Zaak’ van de BNR

2004 – 2006: Journalist bij ‘Club van 100’ van de RVU

Opleiding: Geschiedenis en Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post Filmrecensent Floortje Smit: ‘Ik heb dit beroep nooit gezien als mannenclubje’ appeared first on De Nieuwe Reporter.

“Het beeld van Nederlanders over Rusland is zorgwekkend”

evahartogmoscowtimes

Eva Hartog staat sinds juli van dit jaar aan het hoofd van The Moscow Times van oprichter Derk Sauer, die de Engelstalige krant dit jaar onderbracht in een in Nederland gevestigde stichting. Met het aantreden van Hartog hield de papieren editie op te bestaan, maar met haar vier jaar ervaring als webeditor bij de krant is zij vastbesloten een succes te maken van de overgebleven online-versie. “Als jij in Rusland aan onafhankelijke journalistiek wilt doen, dan wordt dat heel lastig zonder hulp vanuit het buitenland.”

Is het nog mogelijk een onafhankelijke krant te maken in een land waar de persvrijheid onder druk staat? Wat betekent dit voor de hoofdredactionele koers? Klopt het beeld dat Nederlanders hebben van Rusland? Zucht het Russische volk onder een dictatuur?

The Moscow Times is gevestigd op de bovenste verdieping van een hoog glazen kantoorgebouw, met uitzicht op een stadion in aanbouw voor het WK Voetbal dat volgend jaar in Rusland gehouden wordt. Eva Hartog zwaait er de scepter over een redactioneel team van jeugdige leeftijdgenoten.

Op de dag van het interview gaat er een schok door journalistiek Rusland. Tatjana Felgenhauer, adjunct-hoofdredacteur en presentatrice van het radiostation Echo Moskou, wordt in haar nek gestoken, door een man, die later zou verklaren met haar in telepathisch contact te staan. De aangevallen presentatrice is inmiddels buiten levensgevaar, maar Eva Hartog moet nog bekomen van de schrik.

“Ik luisterde elke ochtend naar haar, al jarenlang. Ze is presentatrice bij een klein lokaal station, met een klein publiek. Ze vormt geen enkele bedreiging voor de georganiseerde misdaad of de autoriteiten. Het enige wat ze doet is een ochtendprogramma presenteren, waarin ze de actualiteiten bespreekt, op een stoute, brutale manier, met grapjes. Het feit dat zelfs zo’n journalist al niet veilig is, verlegt de grens.”

De aard van de dreiging voor journalisten is veranderd?

“Vroeger als je een stuk schreef over bijvoorbeeld de FSB [de Russische geheime dienst, red.] of Poetin, dan wist je: Het Kremlin komt achter je aan. Dat was niet fijn, want dan werd je doodgeschoten of in elkaar geslagen. Maar de thema’s kon je opnoemen, en je wist wie er achter de aanvallen zat. Dus als je werd doodgeschoten, zoals Anna Politkovskaya, dan wist iedereen meteen: ‘Dat heeft te maken met Tsjetsjenië.’ Dat maakt het niet beter, maar dat maakt het wel heel duidelijk. Wat er nu langzamerhand aan het gebeuren is: het Kremlin houdt zich minder bezig met het bedreigen of erger van journalisten, maar ze tolereren wel dat andere mensen het doen. Dat betekent dat elke persoon die je tegen komt op straat een potentiële aanvaller is.”

Uit cijfers van het in New York gevestigde Committee To Protect Journalists blijkt dat onder Poetin het aantal vermoorde journalisten sterk is afgenomen. Maar nu zit de pers in Rusland dus met een ander probleem? Eenzame gekken die zich aangemoedigd voelen journalisten aan te vallen.

“In de Russische media is een beeld gecreëerd van mensen die patriottistisch en pro-Kremlin zijn, en aan de andere kant mensen die anti-Kremlin zijn en daarmee westers en vijanden van Rusland. Met het gevolg dat er vigilantes zijn gekomen, die, op eigen initiatief, alleen of in groepjes, achter mensen aangaan.”

Denk je dat het Kremlin het wel best vindt dat eenzame gekken de schrik er in houden bij de oppositie?

“De aanvaller van Tanja Felgenhauer was een psycho, maar het gebeurt wel allemaal in een setting waarin dat getolereerd wordt, zo niet aangespoord. De staat lijkt te zeggen: ‘Wij hebben er niks mee te maken.’ De journaliste die vandaag is aangevallen vormde geen enkele bedreiging voor het Kremlin. Maar de aanvallen op journalisten houden wel de schrik er in. Dit heeft zo zijn voordelen voor de overheid, omdat dat de controle over de media en daarmee de maatschappij versterkt.”

Er zijn geen politici die hun afschuw uitspreken over dit soort aanvallen?

“Dat is nog niet gebeurd. Het is ook geen nationaal thema. Over het algemeen zijn de mensen van de oppositie nichefiguren, dus met weinig naamsbekendheid. Ik denk ook dat, als mensen wel zouden weten over de aanvallen op journalisten, ze vaak hun schouders daarover ophalen, en bij zichzelf denken: ‘Die journalisten roepen het over zichzelf af. Het zijn foreign agents, gesponsord door de Amerikanen.’ Of: ‘Dan moeten ze maar niet dat soort dingen zeggen.”

[The Moscow Times meldde later dat Poetin zich had uitgesproken over de aanval op Felgenhauer, EvdB.]

Eva Hartog, hoofdredacteur van The Moscow Times: "Er wordt in Rusland druk uitgeoefend op sponsors om geen advertenties te plaatsen in onafhankelijke mediabedrijven."

Eva Hartog, hoofdredacteur van The Moscow Times: “Er wordt in Rusland druk uitgeoefend op sponsors om geen advertenties te plaatsen in onafhankelijke mediabedrijven.”

Is het terecht dat de Russen zich zorgen maken over de invloed van het Westen op hun media? Vanuit de VS en tal van Europese landen waaronder Nederland worden vele miljoenen aan belastinggeld besteed aan zogenoemde ‘onafhankelijke Russischtalige media’. Zo ging er Nederlands belastinggeld naar oppositiekrant Novaya Gazeta.

“Ik begrijp de zorgen die de Russen hierover hebben. Maar het is angst grenzend aan paranoia.”

Het is geen gerechtvaardigde angst? Wie de media heeft, heeft de macht.

“Als er een geopolitieke strategie steekt achter geld vanuit het Westen naar Rusland, dan ken ik die niet. Wat ik wel zie zijn kleine NGO’s en kleine mediabedrijven die niks met politiek doen, maar die wel getroffen worden door alle beperkende wetten en maatregelen van de laatste jaren. Zo is er het Levada Center, het enige onafhankelijke enquêtebureau dat we hier hebben, de Maurice de Hond van Rusland. Zij hebben het administratieve stempel gekregen van foreign agent , en dat alleen maar omdat zij mensen vragen naar hun mening over politieke zaken.”

[Met buitenlands geld gefinancierde politiek georiënteerde NGO’s in Rusland moeten zich sinds 2012 registreren als foreign agent. In de VS bestaat al sinds 1938 dergelijke wetgeving, EvdB.]

Stel je voor dat de Russen in Nederland gaan doen wat de Nederlandse overheid in Rusland doet: Het financieren van een Nederlandstalige, ‘onafhankelijke’ krant. Hoe zouden onze politici en media reageren?

“Ik vind dat je die vergelijking niet kunt maken. Voor een krant in Nederland is het veel makkelijker om te blijven bestaan dan voor een krant in Rusland. Als jij in Rusland aan onafhankelijke journalistiek wilt doen, dan wordt dat heel lastig zonder hulp vanuit het buitenland. Waar moet je anders het geld vandaan halen? Er wordt in Rusland druk uitgeoefend op sponsors om geen advertenties te plaatsen in onafhankelijke mediabedrijven. Ik heb daar zoveel voorbeelden van gezien.

Als Rusland zich wil beschermen tegen buitenlandse beïnvloeding, dan is daar op zich niks mis mee, maar zorg dan voor een infrastructuur die onafhankelijke berichtgeving mogelijk maakt. En dat is juist wat er niet gebeurt. Door alle beperkende maatregelen van de afgelopen jaren wordt de civil society, het maatschappelijk middenveld, volledig kapot gemaakt.”

[Echo Moskou is in bezit van staatsbedrijf Gazprom, maar laat in uitzendingen regelmatig critici van de Russische regering aan het woord, EvdB.]

Jij stelt dat de Nederlandse en de Russische media niet met elkaar zijn te vergelijken. Maar ranking-organisaties als Reporters Sans Frontières en Freedom House doen dit wel. Ze plaatsen Nederland ergens bovenaan en Rusland nog onder de Verenigde Arabische Emiraten.

“Ik weet niet wat ik van zo’n ranking vind. Behalve dat ik het label ‘not free’ van Freedom House wel op de Russische pers van toepassing vind.”

Jij voelt je niet vrij om te schrijven wat je wilt? Vier jaar geleden plaatste The Moscow Times een artikel over een hond uit Oekraïne die op Poetin leek, met de foto’s  van de hond en Poetin naast elkaar. Dat moet je in Nederland eens proberen met het portret van de koning.

“Dat soort vrijheden heb je dan weer wel in Rusland. Het is niet het best gelezen artikel ooit, maar het komt dicht in de buurt. Het is minstens 200.000 keer gelezen. Nou zitten we bij The Moscow Times wel in een unieke positie. Wij schrijven in het Engels voor een buitenlands publiek. Je kunt dat niet vergelijken met de situatie van Russische journalisten. Ik heb er nog niet één ontmoet die zich vrij voelt. Dat er desondanks journalisten zijn die alles schrijven wat ze willen, bekent niet dat ze vrij zijn. Ze zeggen: ‘Ik zet mijn carrière of leven op het spel om dit te doen.’

Screenshot van de vergelijking van Poetin met een hond op de website van The Moscow Times.

Screenshot van de vergelijking van Poetin met een hond op de website van The Moscow Times.

Ik ken ook veel mensen die voor staatsbedrijven werken zoals RT en RIA Novosti. Die mensen weten beter dan wie ook hoe onvrij het systeem is. Ze zijn heel pragmatisch daarin. Ze denken: ‘Ik wil geld verdienen.’ En: ‘Het is niet mijn probleem.’

Als je in Rusland bij een oppositiemedium ontslagen wordt, dan zijn er misschien nog maar twee outlets waar je eventueel nog aan de slag kunt. Dat betekent in de praktijk meestal: einde journalistieke carrière. De oppositiemedia zoals Novaya Gazeta werken in hele kleine teams. Veel kans om daar aan de slag te gaan is er dus niet.”

Waar ligt de rode lijn? Waarover kun je wel berichten in Rusland? En waarover niet?

“Die rode lijn ligt in elk geval bij Poetin en zijn naasten. En dan moet het om geld gaan.”

Waar wil jij heen met de krant? Welke koers sla je in, nu de papieren krant is opgehouden te bestaan en je een vijandiger klimaat ervaart voor journalisten?

“De media in Rusland zijn sterk gepolariseerd geraakt. Je zit of aan de Kremlin-kant of in de oppositie. Waar ik het met Derk Sauer heel vaak over heb: Wij willen wat meer in het midden gaan zitten, naar een neutrale berichtgeving toe. Daarnaast willen wij in de opiniesectie een podium gaan bieden voor zowel pro-Kremlin-meningen als anti-Kremlin meningen. Dat bestaat nog niet hier. Als er iets gebeurt in Rusland, dan weet je al van te voren welke krant wat zegt en op welke toon. Zo mag je als je voor een oppositiekrant schrijft geen goed woord over Poetin zeggen of over de burgemeester van Moskou, die overigens Moskou heeft omgetoverd tot best een mooie stad. Zelfs dat zeggen is al heel erg controversieel. Want daarmee praat je Poetin goed. Dus kortom, je hebt geen genuanceerd debat omdat je positie moet innemen als krant. Wij proberen dat juist niet te doen.”

Wat was jouw beeld van Rusland toen je vier jaar geleden hierheen kwam? Jouw moeder is Russisch-Oekraïens. Speelde dat een rol?

“Totaal niet. Niemand gelooft dat, maar het is wel zo. Ik ben als standaard-Nederlander naar Rusland gekomen vanuit het idee: ‘Het is hier gevaarlijk en ze lopen achter in hun opvattingen’. Ik ben daar veel zachter en genuanceerder in geworden. Dat heeft Rusland met mij gedaan, niet mijn moeder.

Ik kwam in 2013 naar Rusland, en wat een feestelijk Nederland-Ruslandjaar had moeten worden, liep volledig uit de hand. De Russische marine die het Greenpeace-schip Artic Sunrise enterde, de aanval op de adjunct van de Nederlandse ambassadeur. Er ging van alles mis. Ik heb toen meteen mee kunnen maken hoe aan beide kanten bericht werd. In Rusland was het pure propaganda. Maar wat ik in Nederland teruglas verbaasde mij heel erg. Dat heeft mij wel uit de droom geholpen dat wij aan totaal neutrale journalistiek doen in Nederland.”

Wat ontbrak er aan de Nederlandse berichtgeving over Rusland?

“Ik zag weinig nuance en kennis. Het was een beetje plat. En het werkt nog steeds zo. Volgens mij is dat niet bewust. Maar ik zie vaak weinig van Rusland terug in de berichtgeving. Ik geef op verzoek soms korte praatjes voor groepen Nederlanders die hier naartoe komen, en ik krijg soms ook vrienden en familie op bezoek. Iedereen blijkt dan heel erg verbaasd over hoe Moskou er uitziet, hoe de Russen zijn als je met ze praat over de politieke situatie. Dat zijn allemaal mensen die de Volkskrant of het NRC lezen, het Nederlandse nieuws goed volgen. Zeg maar: de intellectuele elite van Nederland.

Hun beeld van Rusland blijkt heel erg af te wijken van wat Rusland werkelijk is, of in elk geval zoals ik Rusland ervaar. Het is voor die mensen bijna een shock Rusland zelf te ondergaan. Ze merken al snel dat er hier ook nuance is, dat hier ook debat bestaat en dat het hier geen primitieve dictatuur is. Ik vind dat zorgwekkend, want dan doe je als krant of televisieprogramma je werk misschien niet goed genoeg. Dan ontbreekt in elk geval een deel van het verhaal. Dat andere deel is heel belangrijk, want anders zal je het nooit snappen. Het blijft dan een mysterie waarom Poetin doet wat hij doet, en waarom mensen hem zo massaal steunen.”

De Russen lopen weg met Poetin omdat de armoede en chaos die ze meemaakten onder Jeltsin nog vers in het geheugen liggen?

“Absoluut. Met Russen sprekend over hun geschiedenis, gaat het altijd gelijk over de jaren negentig, en verder terug gaat het eigenlijk niet. De totale instabiliteit,  de hyperinflatie, geen eten, de bloeiende misdaad, ergens op straat iets moeten verkopen terwijl je eigenlijk academicus bent, de oligarchen die alles naar zich toetrokken. Dat gefaalde experiment van de jaren negentig is bepalender voor hoe mensen nu over de politiek denken dan de ervaring met het communisme. Wij kunnen ons dat in Nederland misschien niet voorstellen, maar het is wel zo.”

Dit interview verscheen eerder op Novini.nl.

The post “Het beeld van Nederlanders over Rusland is zorgwekkend” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Jeroen Wetzels (RTL Nieuws): “Het is geweldig om als een van de eersten nieuws door te mogen vertellen aan miljoenen mensen”

jeroen wetzels rtl

Vroeger liep hij met een zelfgemaakte camera van schoenendozen en closetrolletjes door de straten van Maastricht. Tegenwoordig is Jeroen Wetzels een van de bekende gezichten van RTL Nieuws. De verslaggever wist al op jonge leeftijd dat hij de journalistiek in wilde. “Die beroepskeuzetesten op de middelbare school heb ik voor spek en bonen gedaan.”

Het was tekenend voor zijn ambitie. Terwijl zijn medestudenten van de School voor Journalistiek in Utrecht vakantie vierden aan de Costa Brava, liep Jeroen Wetzels in de zomer stage bij de Limburgse omroep TV8. “Dat was superspannend, want daar werd ik de eerste dag meteen met cameraman en microfoon op pad gestuurd, terwijl ik nog nooit een microfoon had vastgehouden.”

Dat is precies waarom Wetzels denkt dat beginnen bij een regionale omroep zo leerzaam is voor journalisten. “Daar wordt je op dag één al de straat opgestuurd om interviews te doen. Bij landelijke media zijn de risico’s daar te groot voor.”

Primeur

Hij kan zich nog goed herinneren dat TV8 een melding ontving over een vermiste jongen op de Brunssummerheide. Later bleek dat om Nicky Verstappen te gaan. “Het was al aan het einde van de middag en alle verslaggevers en cameramannen waren op dat moment weg. Ik werd toen samen met een regisseur en een oude camera, die nog snel ergens vandaan werd getoverd, op pad gestuurd.

Eenmaal op de Brunssummerheide zijn we een stukje door het bos gelopen en kwamen we uit bij de plek waar de politie aan het zoeken was. Dat was de eerste keer tijdens stage dat ik mijn hart in mijn keel voelde bonzen, want ik realiseerde me: ‘Dit is een primeur!’”

Dit is precies wat Wetzels het mooiste vindt aan zijn baan als verslaggever. “Het is geweldig om als een van de eersten aanwezig te zijn bij een nieuwswaardige gebeurtenis en dit door te mogen vertellen aan miljoenen mensen. Natuurlijk is er veel veranderd sinds de komst van internet, social media en blogs. Tegenwoordig hoeven mensen niet per se meer naar het journaal te kijken om op de hoogte te blijven van alles wat er gebeurt. Maar journalisten van de mainstream media zijn nog wel steeds de belangrijkste nieuwsbron.”

Meest memorabele nieuwsgebeurtenis

Als ik hem vraag welke nieuwsgebeurtenis hem het meest is bijgebleven, hoeft hij niet lang na te denken. “Een paar dagen nadat Lance Armstrong had toegegeven doping te hebben gebruikt tijdens zijn wielerloopbaan, had ik een afspraak met Danny Nelissen. Ik wilde hem wat vragen stellen over de dopingperikelen in het peloton, maar tot mijn verbazing zei hij in het voorgesprek dat hij het zelf ook had gebruikt. Ik zei: ‘Wat zeg je nou? Ga je dat zo meteen voor de camera ook zeggen?’ En daarop antwoordde hij ‘ja’.”

Nelissen was de eerste Nederlandse wielrenner die, na de bekentenis van Armstrong, het gebruik van doping bekende. “Het was aan het einde van de dag, rond half zes ongeveer. De adrenaline pompte door mijn lijf toen ik naar de eindredacteur toeliep en zei: ‘Gooi die hele uitzending maar om!’”

Maar met dertien jaar werkervaring bij RTL is dit uiteraard niet de enige gebeurtenis die Wetzels is bijgebleven. “Deze schiet me nu te binnen, maar er zijn zoveel gebeurtenissen die om welke reden dan ook indruk hebben gemaakt, zoals de aanslag met Koninginnedag of de aardbeving in Nepal.”

Jeroen Wetzels op de redactie van RTL Nieuws. Foto: Romy van Peij.

Jeroen Wetzels op de redactie van RTL Nieuws. Foto: Romy van Peij.

Liefde voor televisiejournalistiek

Deze gebeurtenissen kun je volgens Wetzels op televisie veel overtuigender overbrengen dan in de krant. “Bij een krant vertel je een verhaal in woorden en goede krantenjournalisten kunnen een boodschap op deze manier heel goed overbrengen. Maar als je een reportage maakt en je wil de mensen thuis laten zien wat jij hebt gezien, wordt een verhaal in beeld en geluid wel echt letterlijk de huiskamer ingebracht.

De keuze voor televisiejournalistiek is bij Wetzels in de loop der tijd ontstaan. Zo bezocht hij een keer de NOS-redactie met zijn opleiding. “Die dynamiek die op de redactie heerst, waar de hele dag door deadlines moeten worden gehaald, sprak me ontzettend aan. Daarnaast bereik je met de televisie ontzettend veel mensen. Wij bereiken per uitzending gemiddeld 1,3 miljoen mensen en het NOS Journaal zelfs twee miljoen. Dat zijn wel gigantische aantallen in vergelijking met het bereik van een krant.”

Limburgse woordkeuze

Uit zijn stem is het tegenwoordig niet meer af te leiden, maar Wetzels is toch echt geboren en getogen in Maastricht. Toen hij in Utrecht ging studeren, werd hij daar zoals iedere Limburger soms mee geconfronteerd. “Natuurlijk werd ik weleens uitgelachen om bepaalde woordkeuzes, bijvoorbeeld als ik aan mijn vrienden vroeg of ze meegingen naar de frituur. Dan werd er hard gelachen en zeiden ze: ‘Frituur, dat is toch zo’n pan? Je bedoelt zeker de snackbar?’ Tijdens zijn studententijd werden de kenmerkende ‘zachte g’ en de ‘zangerigheid’ waarmee Limburgers spreken vanzelf een stuk minder.

Maar accent of niet, hij is trots op zijn afkomst. Wetzels voelt zich nog altijd echt een Limburger. “Als verslaggever bij de landelijke media hoef je je afkomst echt niet te verloochenen. Maar alles wat afleidt van de boodschap zorgt ervoor dat de boodschap niet aankomt bij kijkers. Wanneer een verslaggever paars haar heeft of rare kleding draagt, wordt daar door kijkers meer aandacht aan besteed dan aan hetgeen hij of zij te vertellen heeft. Hetzelfde geldt voor een accent, want dat kan ook erg afleiden.”

Inmiddels werkt Wetzels al dertien jaar als verslaggever bij RTL. Toch reist hij elk jaar weer in februari af naar zijn geliefde Mestreech om daar carnaval te vieren. “Ik neem daar echt vrij voor en zit me er al weken van tevoren enorm op te verheugen.”


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post Jeroen Wetzels (RTL Nieuws): “Het is geweldig om als een van de eersten nieuws door te mogen vertellen aan miljoenen mensen” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Frénk van der Linden: ‘Ik vraag mezelf af, kan ik nog wel verder als interviewer?’

frenk vd linden

Frénk van der Linden, misschien wel de beste interviewer van Nederland, werd onlangs zestig. Een mooie gelegenheid voor een nieuwe verzamelbundel met de meest leerzame interviews uit zijn oeuvre. Het boek ‘Onder Hollandse Helden’ wordt bovendien geïllustreerd met een tentoonstelling in museum de Fundatie. “Ik heb het interviewen uitgewoond.”

Frénk van der Linden zit aan een tafeltje in een bruin café in Den Bosch. Krant open op tafel, biertje in zijn hand. Binnen dertig seconden stelt hij de vraag: ‘waartoe ben jij op aarde?’ gevolgd door nog meer vragen. Het stellen van vragen is deel van zijn identiteit. ‘Ik sterf met de vraag “waarom?” op mijn lippen.’

Wie is volgens jou de beste interviewer van Nederland?

‘Mijn top vijf is de ene dag anders is dan de andere. Er steekt niet één interviewer met kop en schouders bovenuit. Persoonlijke voorkeur is iets anders.’

Wie heeft jouw persoonlijke voorkeur op dit moment?

‘Stef Biemans. Ik vind de buitengewoon natuurlijke manier waarop hij met mensen praat, de losse wijze waarop hij interviewt erg bewonderenswaardig. Hij is niet alleen ontzettend sympathiek maar ook ontzettend effectief. Je ziet dat mensen hem vertrouwen. Als dat gebeurt dan breng je het belangrijkste teweeg bij een gesprekspartner.’

Hoe creëer je dat vertrouwen?

‘Het is niet creëren, dat zou veronderstellen dat er een soort Knorr-recept bestaat. Het zit besloten in de persoon die Stef Biemans is. Het is een goede gozer en mensen ruiken dat. Hij heeft iets aan zijn kont hangen waardoor mensen zich aan hem geven, zoals André van Duin de lach aan zijn kont heeft hangen. Hij stelt soms een lastige vraag, en nog één. Maar hij is oké, en dat is het grootste geschenk dat je kan hebben als interviewer.’

Heb jij dat geschenk zelf ook?

‘Vaak, maar lang niet altijd. Het moeilijkste is als ik bij Kunststof op Radio 1 zit en binnen drie seconden ruik dat de geïnterviewde wantrouwend is. In zo’n geval moet ik het puur op techniek zien te redden en dan is zesenvijftig minuten heel lang. Dat overkomt mij ook één op de vier keer.’

Is zo’n interview dan per definitie mislukt?

‘Nee, nou maak je het heel groot. Er zit veel tussen een tien min en een twee. Laten we zeggen, vijf van de vijfenzeventig interviews die ik doe kunnen rechtstreeks met de vuilnisman mee. Dan is er een groot middensegment en dan zijn er een paar die in een verzamelbundel of in Museum de Fundatie mogen.’ Om de laatste woorden moet hij zelf lachen.

Wat vind je het beste interview dat je ooit hebt gedaan?

‘Het interview met Alda Peters, de moeder van een van de moordenaars van de bende van Venlo, die zelf advocate was. Ik stuurde haar een handgeschreven brief, waarin ik uitlegde dat ik haar nu graag wilde interviewen maar dat het over een jaar ook nog goed zou zijn. Toen zei ze: ‘Kom over een jaar naar Maastricht, drinken we een biertje.’’

‘Dat stuk ging over een jongen, Sannie, die net als ik op veertien oktober jarig is. Hij is ook net als ik de zoon van een vrachtwagenchauffeur uit een buitenechtelijke verhouding van zijn moeder. Bovendien identificeerde hij zich met een bendeleider die Frenkie heette. Voor mij was de vraag in dat stuk, hoe kan het dat zijn kwartje naar rechts rolt en mijn kwartje naar links?’

‘Het stuk is gevreten, er is een toneelstuk van gemaakt, het is op televisie gekomen. Niks wat ik verder ooit heb gemaakt komt er ambachtelijk bovenuit.’

Vind je dat ook omdat het interview zo’n succes is gebleken?

‘Nee, omdat je iets wil snappen. Echt snappen. Dat is ook iets dat die ander voelt. De essentie is dat de geïnterviewde een persoon tegenover zich heeft die hem of haar als een sok binnenstebuiten wil trekken.’

En dat is gelukt bij dat interview?

‘Ik koester de illusie dat dat is gelukt. Een niet onbelangrijke nuance.’

Is er nog ruimte binnen de huidige journalistiek voor goede lange interviews?

‘Als je wil en als je durft. Natuurlijk. Als jij dat nu doet en het is goed, dan wordt het gepubliceerd. Maar wie neemt die tijd? Wie heeft die durf en wie kan het zich veroorloven?’

Daar hangt het vanaf? Niet van de mogelijkheden?

‘Ja. Ik kan het me ook niet veroorloven maar ik doe het toch. Journalistiek is voor mij een verliesgevende activiteit. Als je iets moois wilt maken, vergt dat research, tijd. Dan moet er bijna altijd geld bij. Als ik een film maak over mijn ouders kost mij dat twintigduizend euro bijleg. Achthonderdduizend mensen hebben ernaar gekeken.’

‘Als ik Kunststof presenteer en ik interview Arnon Grunberg over zijn nieuwe roman. Dan heb ik twee en een halve dag gelezen, doe ik de uitzending en heb ik vierhonderdzestig euro bruto verdiend. Je wordt er niet rijk van. Degene die de krant bezorgt verdient tegenwoordig bij wijze van spreken beter dan degene die hem vol schrijft.’

Is het zo erg gesteld?

‘Erger nog, omdat ik tenminste nog redelijk fatsoenlijk wordt betaald. Veel mensen kunnen geen Kunststof presenteren, kunnen niet voor de Volkskrant schrijven of af en toe hun grote muil open trekken bij De Wereld Draait Door.’

Denk je dan ook dat goede interviews steeds schaarser worden?

‘Dat zou kunnen omdat steeds minder jonge mensen krom willen liggen voor het maken van een mooi interview. Wie zegt nog: “Ik hou zoveel van het genre dat ik mijn hoofd financieel op het offerblok leg?” Want dat zal je pakweg de eerste vijf jaar moeten doen om je naam te vestigen.’

Journalistiek is dus alleen voor de echte liefhebbers?

‘Het wordt meer en meer voor de liefhebbers. Een redacteur van een landelijke krant vertelde me dat ze vorig jaar nog vier dagen mocht uittrekken voor een lang interview. Nu moet het in twee dagen. Wie kan dat? Zo’n stuk kan nooit in de buurt van waarheidsvinding komen. Wat dat betreft ben ik echt een cultuursomberaar.’

Komt dat ook omdat jij het al veertig jaar doet? Denk je dat iemand die nu van de universiteit of hogeschool komt wel een goed interview kan neerzetten in twee dagen?

‘Ik heb het nooit gekund. Degene die dat wel kan bewonder ik bij voorbaat. Misschien is het mogelijk als je naar een debuterende schrijver van drieëntwintig gaat die een roman over zijn eigen leven heeft geschreven. Dan heb je aan een middag voorbereiding genoeg. Maar ik denk niet dat je in twee dagen de bestuursvoorzitter van Unilever goed kan interviewen.’

Het klinkt nu inderdaad alsof een goed interview aan het uitsterven is.

‘Er is een heel groot gebied waarin het goede interview aan het uitsterven is of al uitgestorven is. De politiek, het bedrijfsleven, de cultuurpausen. Daarbinnen bevinden zich steeds kleinere reservaten waarin het gelukkig nog bloeit en leeft. Het zal niet volledig uitsterven. Er blijft altijd een klein publiek over dat naar de opera gaat. Maar we leven in een samenleving waarin het VPRO-lid met een kaarsje gezocht moet worden.’

‘Een voorbeeld. Ik ga naar de school van journalistiek in Tilburg om een cursus te geven aan de tien beste studenten. Op de vraag wat ze willen worden antwoordt zes van de tien: redacteur van De Wereld Draait Door of RTL Boulevard.’

‘Dat waren de tien beste studenten van de school. Toen dacht ik wel even om vijf over tien bij de eerste slok koffie: gaan we hiermee door vandaag? In de loop van de dag zie je ook dat er veel talent zit maar je moet echt buffelen om dat te activeren. Dat heb ik natuurlijk als oude zak anders mee gemaakt.’

Hoe dan?

‘Dat je op een school zat eind jaren zeventig waar iedereen redacteur wilde worden van Vrij Nederland. Het was ondenkbaar dat je bij RTL Boulevard of De Wereld Draait Door wilde werken. Allebei hele respectabele programma’s maar niet de top van de journalistiek in de diepere zin van het woord.’

Frénk van der LInden: 'De journalistiek was gelijk mijn liefde, ik zou het ook voor niets doen.'

Frénk van der LInden: ‘De journalistiek was gelijk mijn liefde, ik had het ook voor niets gedaan.’

Leef je zelf nog steeds voor de journalistiek?

‘Nog zo’n vijftig uur per week. Het was tweeënzestig. Ik sterf ongetwijfeld met de vraag “waarom?” op mijn lippen. Dit vak heb ik in mijn schoot geworpen gekregen, ik denk dat het logisch past bij mijn natuur.’

Je hebt het toch niet in je schoot geworpen gekregen?

‘Oké, ik heb ook belachelijk hard gewerkt. Bezorgde De Telegraaf als jongetje van dertien, kreeg op de school voor de journalistiek geen beurs en betaalde alles zelf van een paar rotcenten. Er zat niets anders op dan de stukken die ik in het kader van mijn opleiding schreef te verkopen. Ik heb er met bloed, zweet en tranen voor geknokt, maar het was ook gelijk mijn liefde, ik had het ook voor niets gedaan. Ik zou het nog steeds voor niets doen.’

Ja?

‘Als iemand zou zeggen je krijgt niets voor het interview met Arnon Grunberg bij Kunststof. Of je krijgt niets voor die film over de vraag waarom de geallieerden geen bommen hebben gegooid op de spoorwegen naar Auschwitz. Ja, dan zou ik het nog doen.’

Was je het ook blijven doen als je geen podium voor je stukken had gekregen?

‘Dat is een hele goede vraag en ik pleit schuldig. Het zou goed kunnen van niet. Zoals Shakespeare zegt: “All is vanity”. Het is fijn om gezien te worden. Helemaal niet worden gelezen komt te dicht in de buurt van een soort van journalistieke zelfbevrediging. Daar heb ik waarschijnlijk een te groot ego voor.’

Maar zou je dan niet zelf op de stoel van Matthijs van Nieuwkerk of Jeroen Pauw willen zitten?

‘Onder geen voorwaarde. Zoiets is me aangeboden en ik heb “nee” gezegd.’

Waarom?

‘Omdat ik een vrij man ben en blijf. Je zal toch tweehonderdvijfenzestig dagen per jaar ‘s middags in een tv-studio moeten zijn om pas halverwege de avond of rond middernacht je jas aan te trekken en naar huis te gaan. No way.’

Dus daar stopt de ijdelheid?

‘Nog voor geen acht ton.’

Ook niet om een groter podium te hebben?

‘Nee, zeshonderdduizend kijkers hebben de documentaire over het spoor naar Auschwitz gezien. Een uitzending die ik persoonlijk toch iets meer gewicht vind hebben dan de gemiddelde aflevering van een talkshow.’

Nieuwsgierig is een populair woord binnen de journalistiek en heel veel journalisten noemen zichzelf nieuwsgierig.

‘Helaas zijn heel veel journalisten niet nieuwsgierig.’

Niet?

‘Nederland is van oudsher een kanselcultuur, een land vol dominees. Dat zie je ook in de journalistiek. Een ongelofelijke hoeveelheid columns en opiniestukken bijvoorbeeld. Veel meer dan in het buitenland. Wij maken verhoudingsgewijs ook te veel interviews. Meningen, gevoelens… Het knap opgespitte feit geniet in Nederland een lagere status dan opinies en sentimenten. Het komt dus door onze cultuur waarin interviews en interviewers steeds meer prevaleren. Daar heb ik ook aan bij gedragen.’

Jij hebt ook veel kritiek gekregen op je werk.

‘Gelukkig. Ook gezocht trouwens. Ik ben nooit beter geworden van applaus. Wat leer je daar nou van?’

Je bent nooit gekwetst door die kritiek?

‘Enorm, altijd. Natuurlijk wat dacht je. Als iemand zegt dat er één bijvoeglijk naamwoord te veel staat in mijn verhaal is het al erg. Laat staan als een chef zegt: “je gebruikt bijna altijd te veel bijvoeglijk naamwoorden.” Het is alsof iemand met een kaasschaaf over je ziel gaat om er een plak van af te halen. Zo is het voor mij. Ik heb een ongelofelijk grote bek en tegelijkertijd een heel klein hartje.’

Maakt het ook uit op welk werk je kritiek krijgt? Is het erger om kritiek te krijgen op je roman bijvoorbeeld?

‘Dat was heel erg. Ik weet nog dat ik de Volkskrant kreeg die ochtend: au, au, au, twee sterren. Ik had het gevoel dat de grond onder mijn voeten verdween. Vijf jaar had ik er halftijds aan gewerkt, mijn ziel en zaligheid erin gelegd. NRC gaf ook twee sterren trouwens. Natuurlijk schrijnt dat.’

‘Ook al zijn er twintigduizend van verkocht, werden de filmrechten gekocht, kreeg ik een nominatie voor een debutantenprijs en waren er positieve recensies. Het woog in de verste verte niet op tegen die andere hopeloze recensies. Toen viel mijn gevoel over mezelf ook nog veel meer samen met mijn werk. Dat is nu minder.’

Dus de kritiek voelt nu minder persoonlijk?

‘Ja, het raakt me minder en ik weet beter wat ik waard ben. Ik ben geen romanschrijver, ik weet veel beter wat ik kan en geloof daar in. Sowieso ben ik momenteel veel gelukkiger.’

Ben je daardoor ook een betere journalist geworden?

‘Ik moet nu minder dingen van mezelf. De geïnterviewde hoeft niet per se alles prijs te geven, ik laat meer ruimte en de paradox is dat je dan meer krijgt. Maar zo nu en dan maak ik nog hele pittige interviews die zich net zo makkelijk 36 jaar geleden hadden kunnen afspelen. Ik blijf toch basically wie ik was.’

Je bundel ‘Onder Hollandse Helden’ voelt als een afsluitend werk, maar je gaat niet stoppen toch?

‘Nee, dit is waartoe ik nu gekomen ben. Dit is waar ik nu sta, dit is wat ik heb geleerd.’

Het is geen afscheid?

‘Nee, maar ik vraag mezelf wel af: kan ik nog wel verder als interviewer? Ik heb het interviewen uitgewoond en ik vind het hoe langer hoe minder interessant om die portretten te maken. Documentaires maken is steeds boeiender voor mij. Om te snappen hoe een gecompliceerd vraagstuk in elkaar zit.’

Je wilt een groter geheel in plaats van één persoon?

‘Ja, ik denk dat uiteindelijk het grote vraagstuk van het leven is hoe jij je verhoudt tot de anderen, ik vind dat steeds interessanter en relevanter worden. Interviewen als ding van een ego met een ander ego boeit me minder.’

Dus als we het hebben over portretterende interviews als genre..?

‘Dan is het een soort van verkapt afscheid, dat heb je goed geroken.’

En waarom film?

‘Veel impact. Het is een toegankelijk medium en bovendien een medium waarin je heel diep kunt gaan. Ik ben ook in een stadium gekomen dat ik mensen écht kennis wil laten nemen van wat ik maak. Ik vind het zonde dat ik vijf jaar halftijds heb gewerkt aan een roman waarin maar twintigduizend mensen hebben gekeken. Kwantiteit telt op een gegeven moment toch ook.’


Frénk van der Linden (2017). Onder Hollandse helden: valkuilen en levenslessen van een vragensteller. Amsterdam: Luitingh-Sijthoff.

Tot 17 januari 2018 is de tentoonstelling Onder Hollandse helden te bezoeken in museum De Fundatie in Zwolle.

The post Frénk van der Linden: ‘Ik vraag mezelf af, kan ik nog wel verder als interviewer?’ appeared first on De Nieuwe Reporter.

“Je moet je als journalist soms gewoon wat dommer voordoen dan je bent”

anne de blok

Ze is pas 27 jaar oud. En dat is moeilijk te geloven als je haar prestaties op een rij zet. Naast de journalistieke prijzen die in haar kast staan, zijn ook de ambities van deze jonge onderzoeksjournalist noemenswaardig. Anne de Blok: “Pak het vooral groots aan.”

Vanuit de hal hoor ik haar, nog druk telefonerend, op haar hakken dichterbij komen. De groep kinderen en ouders die net nog in de wachtruimte van het KRO-NCRV-gebouw in Hilversum zat, zijn inmiddels naar de studio van Willem Wever geroepen. Ik pak vast mijn spullen en ontmoet Anne de Blok bij de glazen toegangspoortjes. Een hartelijk welkom; ze is blij dat ik er ben. “Nog geen vijf jaar geleden zat ik nog op de masteropleiding in Amsterdam. Het is wel heel bijzonder en eervol dat mensen míj nu willen interviewen!”

Met haar 27 jaar heeft deze dame al veel indrukwekkende producties afgeleverd. Iets waar menig journalist alleen maar van kan dromen. Begin dit jaar won ze een Tegel, een veel begeerde journalistieke onderscheiding. Ze kreeg hem voor het drieluik Verwarde Mensen dat ze maakte voor het onderzoeksjournalistieke programma De Monitor.

“Ik denk dat we op het juiste moment hebben ingeprikt op een sluimerende actualiteit en daar de verdieping bij hebben kunnen zoeken. Ik heb wel eens zwaardere werken moeten afleveren, maar het punt dat deze uitzendingen zo goed maakten, was omdat beleidsmakers met ons in gesprek gingen. Ze wilden bij ons echt hun ei leggen en niet bij andere media. Dat is doorslaggevend geweest voor de impact van het verhaal.”

Bloed, zweet en tranen

Stiekem is ze het meest trots op een andere, eerdere productie. De tip die resulteerde tot deze productie, Vissen Naar Subsidie, kreeg Anne tijdens haar stage bij Nieuwsuur. Haar stage was echter te kort om het verhaal daar uit te zoeken. “Toen dacht ik: als jullie het niet doen, ga ik zelf kijken of ik er wat mee kan!”

Makkelijker gezegd dan gedaan: “Ik vond het echt een pittig dossier. Het ging over zaken waar ik helemaal geen verstand van had; subsidies en heel veel rechtszaken. Als de rechter al in het nadeel van de aanklagers had beslist, wat ging ik er dan nog aan toevoegen? Naast een onderbuikgevoel en een aantal documenten die dat gevoel bevestigden had ik niets. Welke documenten miste ik bijvoorbeeld nog? Ik had erg behoefte aan begeleiding.”

De beslissing om uiteindelijk zelf verder gegaan, heeft haar dubbel en dwars beloond. Brandpunt Reporter zag wel wat in haar verhaal. Voor dit programma mocht ze dan ook aan de slag om er een televisieproductie van te maken. Samen met Frederick Mansell won ze in 2015 De Loep én kreeg ze een nominatie voor een Tegel in de categorie ‘Talent’.

“Dit was mijn eerste grote televisieproductie en best hard core onderzoeksjournalistiek. Het verhaal bood zich niet op een presenteerblaadje aan; het was echt from scratch. Ik vind deze prestatie groter, omdat ik het helemaal zelf had gedaan. Niet alleen was het mijn eerste televisieproductie, maar had ik ook nog weinig ervaring. En tóch heb ik het verhaal rond gekregen. Ja, daar zat wel heel veel bloed, zweet en tranen in.”

Met gevoel

De drijfveer achter haar werk kan ze eigenlijk maar op één manier uitdrukken: “I care! Ik had toen, en nog steeds, bij die mensen het gevoel ‘ik geef om jullie’. Het liet mij gewoon niet los. Ik wist ergens dat zij gelijk hadden, ook al hadden ze tien rechtszaken verloren. Ik voelde het aan: misschien hadden ze juridisch verloren, maar dat is iets anders dan wat rechtvaardig is. Daar moest ik een verhaal van maken. Het raakte mij echt. De verhalen waar ik het meest gelukkig van word, zijn die mij dat gevoel van rechtvaardigheid laten voelen. Als je er zelf een gevoel bij hebt, betrokken bent en echt om iets begint te geven, maak je ook betere verhalen.”

De Blok is sinds anderhalf jaar in loondienst bij de KRO-NCRV, omdat ze “wel eens wilde ervaren wat er gebeurt als je een langere tijd binnen een format werkt”. Dit betekent wel dat ze soms ook verhalen maakt, omdat het moet. En er een deadline is. “Dat zijn verder prima verhalen, maar ik wil er zo snel mogelijk vanaf zijn. Daarvoor ben ik niet het vak ingegaan. Dat weet mijn eindredacteur ook, daarin ben ik wel streng naar hem toe. Helaas heb je in loondienst niet altijd de vrijheid om zomaar te doen wat je wil.”

Blijven groeien

Op de vraag of ze nog ideeën heeft waarover ze graag verhalen wil gaan maken, geeft ze dan ook gretig antwoord. “Nou ik gebruik Evernote, zo’n appje. Daar hou ik een lijstje bij van mooie verhalen die ik tegenkom en tips die ik heb gekregen waarvan ik denk ‘daar wil ik nog eens verder in duiken’. Dat is echt een goeie tip hoor! Ik archiveer daar al mijn research mee. Je kan heel makkelijk selecteren, dingen opslaan en kan je altijd alles terugvinden. Dat was echt een chaos in het begin. Het is echt fijn, zeker downloaden!”

Hoe ziet Anne dat dan voor zich, verhalen blijven maken voor de KRO-NCRV? “Dat hangt er een beetje vanaf hoeveel groeimogelijkheden er zijn binnen het bedrijf”, zegt ze twijfelend. “Ik wilde bijvoorbeeld heel graag verslaggever worden, zodat ik de verhalen die ik research ook kan gaan maken. Die mogelijkheid krijg ik nu. Ik zit in een opleidingstraject zodat ik kan blijven groeien.”

Maar ze heeft nog meer wensen op haar lijstje staan. “Ik ben bijvoorbeeld bezig om een nieuw format te schrijven voor de KRO-NCRV; een nieuw journalistiek format om nieuws en documentaire meer met elkaar te verbinden. Als dat goedgekeurd wordt en we er geld voor krijgen, hoop ik dat ik dat mede mag gaan ontwikkelen. Dus ja, ik heb wel wat wensen op mijn lijstje staan. Alhoewel het freelancen ook weer lonkt.” Aan de grote grijns op haar gezicht te zien, zit het wel goed met die wensen.

Anne de Blok. Foto: Thomas Schlijper©.

Anne de Blok. Foto: Thomas Schlijper©.

Uit beeld

De ambitie om zelf voor de camera te verschijnen heeft ze “helemaal niet”. “Wat ik nu het belangrijkste vind, is het maken van een onderwerp. Presentator Teun van de Keuken wordt bijvoorbeeld pas ‘ingevlogen’ op het moment dat het onderwerp al helemaal geresearcht is.” Het is duidelijk te horen dat dit niks voor haar is. “Het lijkt mij heel moeilijk om overal even in te springen en er dan ook weer uitspringen. De betrokkenheid die ik voel bij de verhalen die ik maak, voel ik namelijk pas na een aantal weken researchen, als het onderwerp voor mij tot leven komt. Terwijl Teun fantastisch werk doet, zou ik me niet willen loskoppelen van het daadwerkelijke journalistieke handwerk.”

“Wat ik wel tof zou vinden, is om in beeld te zijn wanneer het functioneel is voor het verhaal. Als je zelf de research hebt gedaan, veel kennis hebt over het onderwerp en de productie hebt opgezet. Dan zou ik wél in beeld willen. Het gaat in dat geval namelijk om de vragen die ik stel aan de persoon, omdat ik de kennis heb en ze precies weet te prikken op het goede moment. Dat kriebelt soms wel bij mij, omdat Teun niet altijd even goed ingelezen kan zijn. Dan sta je soms achter hem terwijl de camera draait en denk je: stel nou die vraag, stel nou die vraag!”

Gouden tips

Natuurlijk kan ik de kans niet laten lopen om te vragen naar haar beste adviezen voor aanstormend journalistiek talent ­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­ —­ wel onthouden dan hè. “Gebruik je leeftijd! Mensen onderschatten je zo erg, dat is zo leuk om te merken”, ze grinnikt. “Ik denk dat het Schipholverhaal alleen tot stand heeft kunnen komen doordat we heel jong waren. En dat ze het leuk vonden dat wij zo’n ‘projectje’ konden oppakken. Nou prima, laat ze dat maar denken. Echt hoor, ze vertellen je zoveel.”

“En wat heel leuk was,” gaat Anne enthousiast verder, “is dat je heel ontwapenend kon vragen: de Polderbaan? Kan je me even uitleggen hoe het toen zat? Want ja, zij snappen ook dat jij dat niet weet. Maar: daardoor vertelden ze wel heeel veel details die je normaal gesproken niet te horen krijgt. Ik heb me voorgenomen om dit, ook op latere leeftijd, te blijven gebruiken. Je soms gewoon wat dommer voor te doen dan dat je werkelijk bent.” In het begin was dit totaal niet haar aanpak. Toen wilde ze zichzelf juist bewijzen tegenover haar bronnen. “Maar dat heb ik helemaal losgelaten. Andersom werkt veel beter!”

Strategie is daarom haar volgende gouden tip. “Ga strategisch me je bronnen om. Voordat ik iemand bel, weet ik precies waarom. Als ik denk dat het nog niet het juiste moment is, dan wacht ik. Als mensen niet willen reageren, bedenk ik wat voor info ik bij ze neer zou kunnen leggen zodat ze wel reageren. Dat vind ik het leukst van mijn werk. Je bent constant strategisch bezig. In welk politiek spel worden we gebruikt en waarom? Hoe kunnen we dat omzeilen? Hoe kunnen we het nieuws nog scherper aanvliegen? Wie hebben we daarvoor nodig? Dat soort vragen vind ik het allertofste.”

Netwerk opbouwen

De Blok heeft nog een hele belangrijke raad. “Ga naar debatten, lezingen, journalistieke events. Zo bouw je een netwerk op. Ik heb onder andere Politieke Junkies gedaan, ging elk jaar naar de VVOJ-conferentie en die van de Stichting Verhalende Journalistiek. Het verhaal Vissen Naar Subsidie is mede gelukt omdat Bart Nijpels de eindredacteur was bij Brandpunt Reporter op dat moment. Hem had ik al op verschillende evenementen ontmoet. Vanuit dat contact is er een band ontstaan en daardoor kon ik hem makkelijk benaderen met mijn verhaal.”

“O ja, laatste dingetje, in het begin had ik zoiets van: ik heb geen hypotheek, geen kinderen en het interesseerde me ook niet zo in wat voor kleren in rondliep. Nu ben ik daar wel wat luxer in hoor, maar die houding heeft me heel veel opgeleverd. Ik besteedde heel veel tijd aan het vak, ook al kreeg ik daar toen niet fatsoenlijk voor betaald. Tegenwoordig heb ik een dertiende maand, vakantietoeslag en hoef ik opeens niet per se H&M-kleding meer aan.”

De bovenstaande gouden tips zijn volgens Anne tot dusverre erg bepalend geweest voor haar carrière. Ze zette zoveel mogelijk in op journalistiek werk. En dat heeft zich uitbetaald. “Pak het vooral groots aan”, drukt ze me op het hart. We zullen vast nog veel van haar horen.


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post “Je moet je als journalist soms gewoon wat dommer voordoen dan je bent” appeared first on De Nieuwe Reporter.

“Je hebt zoveel macht in een montagekamer, je kan iemand helemaal kapot maken”

sarah-sylbing-portret-klein

Documentairemaakster Sarah Sylbing werd samen met haar collega Ester Gould uitgeroepen tot Journalist van het Jaar 2016 en heeft Nederland opgeschud met de documentaireserie Schuldig (winnaar van een Tegel en de Zilveren Nipkowschijf). Het wekelijkse miljoenenpubliek heeft de Amsterdamse Vogelbuurt en haar inwoners in hun harten gesloten. ‘Alle karakters zijn in de serie leuker dan in het echt.’

Ik zit al even in het EYE Filmmuseum als ik een telefoontje krijg van Sarah. “Ik sta nu op het pontje, ik ben er over 5 minuten.” Ik verwacht een verveelde regisseuse die standaard antwoorden zal geven op mijn vragen. Ze geeft immers al meer dan een half jaar interviews over de succesvolle serie Schuldig en zal onderhand wel klaar zijn met vragen te beantwoorden over dit project. Het tegenovergestelde blijkt waar als een verwaaide en praatgrage Sylbing tegenover mij komt zitten: ‘Zal ik je vertellen over Schuldig?’

Ja, graag. Laten we beginnen met waarom je hebt gekozen voor een documentaire over schulden.

‘Na de documentaires 50 Cent en De Rekening van Catelijne, die beide gaan over een arm gezin met schulden in de Vogelbuurt, werden wij door de omroep Human gevraagd om nog een documentaire te maken over schulden en armoede in Nederland. Bert Janssens, de directeur van Human, zegt altijd: “achter iedere film schuilt een betere.” Je hebt op dat moment al veel kennis over het onderwerp, dus dan is het zonde om weer een ander onderwerp te kiezen.’

‘Na een jaar onderzoek over armoede en huisuitzettingen in Amsterdam-Noord wilden we steeds beter begrijpen hoe het systeem in elkaar zit. Door een serie te maken waarin we zowel de schuldenaars als de hulpverlening en de schuldeisers volgen, klagen we vooral het systeem aan. Iedereen zit namelijk vast in een geldverslindend carrousel waarin vooral de overheid een hele dubieuze rol speelt door zowel harde standpunten in te nemen met bijvoorbeeld het CIB en aan de andere kant hele dure hulpverlening naar deze mensen te sturen. Dat is een krankzinnige werkelijkheid. ‘

Schuldig was een serie met erg intense scènes, blijf je als maker emotioneel op afstand of doet dit ook wat met jou?

‘Ik ben wel een beetje overspannen geweest na afloop. Het was natuurlijk heel erg intens. Je hebt driekwart jaar gefilmd met deze mensen en heel intensief gemonteerd. Toen kregen we ook ineens al het succes dat niet alleen ons beïnvloedde maar ook de hoofdpersonen. Dus ik heb heel veel contact gehad met de hoofdpersonen tijdens de aftermath van de serie. Ik woonde ook zowat in de winkel van Dennis. Dat kan je niet ineens weer loslaten. Je probeert hun beste vriend te worden in die korte tijd, ze moeten jou namelijk als eerste bellen zo gauw er iets gebeurt. Natuurlijk had ik wel altijd een dubbele agenda, maar soms zie ik een lompe documentairemaker die er niks om geeft, dat kan ik niet. Ik heb mijn gezin dan ook bijna niet gezien tijdens het maken van de serie. Op het moment dat ik bezig ben met zo’n project is dat even mijn kindje.’

Als een documentaire zo’n persoonlijk proces is, hoe blijf je dan als maker neutraal in wat je laat zien?

‘Je maakt denk ik altijd een film vanuit je eigen vooroordelen of standpunten. Als filmmaker heb je ook aannames en een vastomlijnd idee van wat je gaat filmen. De werkelijkheid is altijd grilliger en altijd anders dan je van te voren bedenkt. Neutraal is dan ook niet het goede woord voor Schuldig. Dit is de waarheid zoals Ester en ik die zien.’

Schuldig_1100_300

Hoe belangrijk was de vorm van deze documentaire?

‘Als we weer één persoon zouden volgen, zou het alleen gaan om wat we vonden van de situatie van deze persoon. Volgden we bijvoorbeeld een schuldenaar, dan zou de documentaire vooral gaan over hoe “schuldig” of “zielig” deze persoon is. Door deze vorm hebben we het systeem kunnen blootleggen. Daarbij is de serie erg character driven. De kijker kan echt gaan geven om de karakters vanwege hun verhaallijnen.’

We kunnen inderdaad wel stellen dat de kijker veel is gaan geven om de karakters. Heel Nederland lijkt bijvoorbeeld verliefd te zijn op Dennis. In hoeverre zijn de karakters en hun verhaallijnen authentiek aan de werkelijkheid?

‘We hadden speciaal voor deze serie een researcher ingezet die heel goed is in het scouten van karakters. Zij kan heel goed zien of iemand het wel of niet goed doet op televisie. Niet alles is helder vanaf het begin, pas tijdens het filmen kom je erachter of er genoeg ontwikkeling in zit. De karakters moesten wel echt onvergetelijk zijn, dus als ze niet memorabel zijn dan worden ze geschrapt.’

‘Veel is gevormd in de montagekamer. Het karakter Ditte is echt ontstaan tijdens de montage. Alle karakters zijn in de serie leuker dan in het echt. Je maakt namelijk in de montagekamer een verdikking van iemand. Je hebt documentairemakers die het negatiever maken maar wij maken het liever positiever. Dat gun je iemand ook. Je hebt zoveel macht in een montagekamer, je kan iemand helemaal kapot maken.’

Als de karakters in de montagekamer zo erg zijn bewerkt, hoe zijn ze dan in het echt ten opzichte van de serie?

‘Van Carmelita was ik onder de indruk omdat zij zich niet laat knakken door de hulpverlening, zij blijft er altijd goed uitzien. Die divaesque kant hebben we dan ook benadrukt in de serie. Dat hebben we wel verkeerd ingeschat, want heel Nederland is er over gevallen dat ze haar nagels laat doen, terwijl wij dat nou juist zo mooi vonden aan haar. Wij dachten dat Carmelita één van de helden zou worden en dat had ik minder van Ditte verwacht. Ditte moest best vaak huilen, ze kan soms een beetje een een dramaqueen zijn. Ik ben dol op haar, maar soms was dat wel wat vermoeiend. Ze is een ingewikkeld persoon, maar soms kan je niet helemaal iemands psychologie doorgronden, omdat dat te ver voert. Wij hebben maar één keer een huilende Ditte laten zien, maar ik heb haar veel vaker huilend voor de camera gehad. Maar soms moet je iemand ook een beetje tegen zichzelf in bescherming nemen.’

‘Dennis is daarentegen erg makkelijk en echt loveable. Bij Dennis dacht ik wel vaak: gast, please ga iets doen. In de serie gaat hij dan ook veel vaker iets doen dan in het echt, meestal aangemoedigd door mij. Ik zei dan: “Dennis, ga flyeren man.” Ik dacht: er moet wel iets gebeuren. Het gaat nu wel goed met Dennis, maar het blijft een lapzwans. Die winkel moet worden opgeknapt maar dat doet hij natuurlijk allemaal niet. Het is een schat van een man maar geen geboren ondernemer.’

Dus je hebt wel een paar keer ingegrepen tijdens het filmen.

‘Ik heb twee grote ingrepen gedaan in de serie. De auto van Ditte is een mooi voorbeeld. Ditte werd helemaal kapot gemaakt door de bureaucratie, ze was een hoopje ellende toen we eenmaal klaar waren met filmen. Maar we wilden dat zij ook positief zou eindigen. We hadden haar vanaf het begin neergezet als de gevallen prinses, dus we bedachten dat zij een offer moest brengen. Toen kwamen we er op dat ze de auto moest verkopen. Ze dacht er al over na, dus we hebben gevraagd of ze haar auto nú wilde verkopen in plaats van over een paar maanden. Dat is wel een grote ingreep, maar je schiet jezelf wel voor je kop als ze die auto een paar maanden later toch verkoopt.’

‘De tweede grote ingreep was dat ik zelf stadsblad de Echo langs stuurde bij Dennis. Ik heb ze gemaild met de tekst: we hebben een leuk onderwerp voor een artikel. Het idee was dat daardoor meer mensen naar de winkel zouden komen, wat perfect was voor ons omdat op deze manier wij konden suggereren dat de buurt Dennis heeft gered.’

Is iedereen dan wel tevreden met hoe ze uiteindelijk eruit zijn gekomen?

‘Dat denk ik wel. We hebben ook heel erg de solidariteit en warmte van de buurt laten zien, dus de Vogelbuurt is er ook tevreden over. Carmelita heeft het zwaar gehad, vooral vanuit haar familie. Zij vroegen zich af waarom ze de vuile was buiten had gehangen. Maar Carmelita is een erg trots wezen en staat achter haar keuze. Zelfs Ed heeft hele positieve reacties gehad. Godzijdank is iedereen er blij uitgekomen.’

schuldig.strip.jpg

Je bent samen met Ester Gould het afgelopen jaar uitgeroepen tot Journalist van het Jaar 2016. Ook heeft de serie Schuldig diverse prijzen gewonnen als de DDG-award, een Gouden TV Beeld, een Tegel en de Zilveren Nipkowschijf. Is erkenning voor jou als maker belangrijk?

‘Dat is natuurlijk te gek. Heel belangrijk vind ik moeilijk om te zeggen, maar ik zou het jammer vinden als de serie geruisloos voorbij zou zijn gegaan. Dat we zoveel prijzen hebben gekregen is alleen maar geweldig. Daarbij vind ik het fijn dat we zowel journalistiek als creatief zijn beloond. We hebben de Tegel gewonnen en daar maakte we een grapje over door te zeggen dat we geen echte journalisten waren, maar dat vond ik eigenlijk helemaal niet zo onterecht. Niet dat ik per se vind dat ik Journalist van het Jaar ben, maar het onderwerp en de voorresearch is natuurlijk wel journalistiek werk.’

Je hebt anders wel gezegd dat jullie geen journalisten zijn, maar documentairemakers.

‘Er is wel een schemergebied tussen documentairemaker en journalist. Dat statement is wel een eigen leven gaan leiden. Er was een interview met Pauw waar wij hard zouden worden aangepakt met de vraag of de serie wel representatief is omdat we bijvoorbeeld geen Marokkanen laten zien. Toen hebben wij van te voren bedacht wat we zouden gaan antwoorden. We zijn geen journalisten, maar documentairemakers, is daar toen uitgekomen. Dat is toen heel erg een eigen leven gaan leiden. Maar wij zijn zeker wel journalisten.’

Na een jaar Schuldig en een lange nasleep vol prijzen, wat zijn nu je plannen?

‘We gaan nog een podcast doen over een jaar na Schuldig. Dan gaan we bij alle personages maar ook de instanties langs om te kijken hoe het met iedereen gaat. Ook gaan we dan iets inhoudelijker in op de schuldenproblematiek, wat we niet kwijt konden in de serie. Ik wil ook nog een serie maken over het onderwijs, wellicht weer in dezelfde vorm. Verder blijf ik wel gewoon documentaires maken, ik ga niet nu ineens fictie maken. Er is nog genoeg te leren binnen de documentairefilm, maar ik sluit het ook niet uit om ooit weer iets heel anders te gaan doen.’


Dit interview verscheen eerder op Queester.nl, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post “Je hebt zoveel macht in een montagekamer, je kan iemand helemaal kapot maken” appeared first on De Nieuwe Reporter.

“Als correspondent ben je 24/7 met journalistiek bezig. Dat is heel vermoeiend”

wouter van cleef

Wouter van Cleef (35)  was tussen 2012 en 2015 in Japan werkzaam als correspondent voor onder andere Trouw, de Tijd en RTL. Momenteel is hij geen correspondent meer. Hij heeft een punt gezet achter zijn journalistieke werk. “Het correspondentschap is een uitstervend beroep.”

Hoe bent u correspondent geworden?

“Ik wou al heel lang in de journalistiek werken en met name een baan als correspondent leek me heel spannend. Maar ik had nog geen journalistieke ervaring en ook geen journalistieke opleiding gevolgd, dus het lag niet echt voor de hand. Ik was al wel een beetje aan het freelancen en ook met journalistiek bezig. Op een dag belde ik Trouw op om te vragen of ze nog iemand nodig hadden in Azië. Op dat moment was Japan sterk in beeld door de kernramp in Fukushima, en ik had al kennis van Japan omdat ik er een tijd heb gestudeerd. Ze zeiden bij Trouw: ‘Kijk maar of het lukt om in Japan als correspondent aan de slag te gaan.’ Die uitdaging heb ik aangenomen.”

Heeft u geluk gehad om zo als correspondent aan de slag te gaan terwijl u nog niet veel journalistieke ervaring had?

“Ja, nou ja, geluk zou ik het niet noemen. Het was ook zeker een investering.  Ik heb er zelf heel veel tijd in gestoken, om te leren hoe je dingen doet als goede reportages schrijven, en analyses. Dat zijn dingen die je onder de knie moet krijgen. Maar als je een beetje kunt schrijven en nadenken en een sociale antenne hebt dan is journalistiek niet per se moeilijk. Wat het correspondentschap zelf betreft, daar is ook geen sprake van geluk. Ik ben namelijk zelf degene geweest die initiatief nam om naar Japan te gaan, het is niet alsof Trouw naar mij toe kwam om te vragen: wil jij misschien iets in Japan gaan doen?”

Wat meer over het correspondentschap: wat was er leuk en niet leuk of moeilijk aan?

“Wat ik heel prettig vond, is dat ik vrij was in waar ik over wou schrijven. Ik ben persoonlijk totaal niet geïnteresseerd in manga (Japanse strips), dus daar schreef ik gewoon niet over. Natuurlijk is niet alles leuk aan het vak. Als je echt een goede correspondent of journalist wil zijn, moet je 24/7 met journalistiek bezig zijn. Je staat nooit helemaal uit en daar moet je tegen kunnen. In de tijd dat ik in Japan zat ben ik ook nooit écht op vakantie geweest, altijd wel bezig met werk. Die constante alertheid, die constante spanning is heel vermoeiend.”

Wat voor verschillen heeft u gemerkt tussen de Japanse en Nederlandse journalistiek?

“Eerlijk gezegd kan ik daar geen goed antwoord op geven, want ik heb niet zoveel in de Nederlandse journalistiek gewerkt. Maar ik zou wel een vergelijking kunnen geven met andere landen in de omgeving. Wat een beetje een cliché is bij Japan, is dat Japanners gesloten zijn. Dat is ook wel waar, want het kan lastig zijn om het vertrouwen van Japanners te winnen.”

Heeft u er ooit last van gehad dat mensen u niet te woord wilden staan omdat u een buitenlander bent?

“Nou, ik heb er wel eens last van gehad dat mensen geen commentaar wilden geven omdat ik geen lid was van een persclub daar. Daar kon ik dus niet zo veel mee. Het is vooral dat Japanners in eerste instantie heel voorzichtig zijn. Als ik iemand wilde interviewen gebeurde het wel eens dat ze eerst een ontmoeting wilden voordat ze een besluit namen om me daadwerkelijk te woord te staan. Nou ben ik best bereid om dan op de thee te gaan of zoiets, maar als mijn deadline over een paar uur is, dan is dat natuurlijk lastig. Dan denk je toch van, ah kom op man, schiet eens op. Maar het komt er op neer dat in Japan sommige dingen gewoon meer tijd kosten. Maar als je die tijd investeert loont het wel en dat geeft voldoening.”

Is uw Japanse spreekvaardigheid ooit een obstakel geweest in uw werk?

“Nou, ik spreek best aardig Japans en dat hielp me juist bij mijn werk. Ik was vaardig genoeg om straatinterviews af te kunnen nemen of het nieuws op tv te volgen.Maar bijvoorbeeld een interview houden met een econoom deed ik liever in het Engels. Idealiter zou je de taal perfect spreken zodat je dat soort dingen wel zou kunnen.”

Wat voor tips heeft u voor iemand die zelf als correspondent wil werken?

“Je hebt sowieso kennis van de taal nodig. En genoeg journalistieke kwaliteiten. Als je een van die dingen niet hebt dan gaat het gewoon niet. Sowieso moet je geïnteresseerd zijn in het land waar je bent, anders kun je maar beter wat anders gaan doen. Wat ik ook zou aanraden is jezelf de vaardigheid aan te leren om multimediaal te werken, dat je niet alleen kan schrijven, maar ook radio en televisie kan maken. Bovendien kun je dan over een onderwerp meerdere producties maken. “

“Wat je wel in gedachten moet houden, is dat het correspondentschap een beetje een uitstervend vak is. Ook dat is een reden geweest voor mij om ermee te stoppen. Niet alleen zijn er tegenwoordig heel veel bronnen beschikbaar om te kunnen volgen wat er in de rest van de wereld gebeurt, het is ook gewoon een dure grap voor redacties om iemand naar het andere eind van de wereld te sturen.  De vraag is ook maar hoe zeer mensen geïnteresseerd zijn in wat er daar gebeurt.“

Heeft dat dan specifiek met Japan te maken dat mensen daar niet zo geïnteresseerd in zijn?

“Nee, dat heeft niet zo zeer te maken met Japan, maar eigenlijk geldt dat voor alle landen wel. Waarom is het bijvoorbeeld interessant voor een Nederlander om te weten dat er in Brazilië een mijn is ingestort, zoveel duizend kilometer verderop? Je moet altijd goed nadenken wie het publiek is waarvoor je schrijft.”

Wat neemt u mee uit het correspondentschap?

“Ik heb de vaardigheid aangeleerd om contacten te leggen met alles en iedereen. Ik heb gepraat met premiers, ministers maar ook met mensen uit sloppenwijken en alles ertussenin. Ik kan met iedereen wel een praatje maken en dat is een vaardigheid die vaak ontzettend goed van pas komt. Ook leer je om snel problemen neer te zetten, to the point te zijn. Het is moeilijk om met onderwerpen te komen die mensen interesseert als je in een ver land zit, en mensen moeten snel weten waar het dan om gaat.”

“Ik zou absoluut aanraden om het werk te doen. Als je affiniteit hebt met een land en met journalistiek, dan moet je ervoor gaan. Je moet het sowieso proberen. Je kunt altijd nog een saai baantje op een kantoor krijgen, maar een correspondentschap doe je waarschijnlijk maar een keer.”


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post “Als correspondent ben je 24/7 met journalistiek bezig. Dat is heel vermoeiend” appeared first on De Nieuwe Reporter.

‘Sommige correspondenten hier stoppen ermee, omdat zij niet meer rond kunnen komen’

NielsPosthumus

Geboren in het Groningse dorp Zuidhorn, maar inmiddels al vijf jaar woonachtig in de miljoenenstad Johannesburg. Vanaf die plek doet freelancer Niels Posthumus verslag van zuidelijk Afrika voor Trouw, BNR Nieuwsradio en het Financieele Dagblad (FD).  Correspondenten hebben volgens de 36-jarige Groninger nog steeds een belangrijke functie in de journalistiek. ‘Journalisten die bijna nooit in Zuid-Afrika komen vervallen toch vaak in clichés en stereotyperingen.’

Van Zuidhorn naar Zuid-Afrika. Hoe ben je in Johannesburg terecht gekomen?

‘Ik had voor 2008 eigenlijk niet zo veel met Afrika. Het was destijds het enige continent waar ik nog niet was geweest. Totdat de kans voorbij kwam om bij de Zuid-Afrikaanse krant The Star te werken. De ontwikkelingsorganisatie Nederlands Instituut Zuidelijk Afrika – ik geloof dat ze niet meer bestaan – organiseerde namelijk ieder jaar een project waarbij ze een aantal journalisten uitzonden om journalistieke ervaring op te doen in een zuidelijk gelegen Afrikaans land. Zo wilden ze liefde voor het gebied kweken, wat bij mij wel aardig is gelukt.

Na een jaar bij The Star te hebben gewerkt ging ik terug naar Nederland. In 2010 werd ik sportverslaggever voor Trouw. De krant heb ik altijd verteld dat ik graag weer terug zou willen keren naar Afrika om daar als correspondent te werken. Uiteindelijk kwam in 2012 het correspondentschap voor zuidelijk Afrika vrij. Toen de krant mij daarvoor vroeg heb ik meteen ‘ja’ gezegd.

Als je in dit deel van Afrika werkt is Johannesburg de meest logische uitvalsbasis. Omringende landen zijn vanaf hier relatief makkelijk te bereiken en het is op alle vlakken de belangrijkste stad in de regio. Dingen worden pas echt nieuwswaardig als ze hier gebeuren. Een mooie bijkomstigheid was dat door mijn eerdere periode in het land er al een aantal vrienden in de stad woonde.’

Je werkt sinds een paar maanden ook als correspondent voor het FD. Hoe bevalt het om meerdere werkgevers te hebben?

‘Het is voor mij noodzakelijk om voor meerdere media te schrijven, anders kan ik niet rondkomen. In een volledige werkweek ben ik zo’n veertig procent van de tijd bezig voor Trouw en veertig procent voor het FD. Voor beide schrijf ik gemiddeld één artikel per week. De overige tijd vul ik op met andere klussen, zoals het schrijven voor de webpagina van NRC.

Als freelancer heb je natuurlijk geen vast inkomen en zijn er geen vaste werktijden. Je krijgt betaald per artikel. Toch staan er bepaalde vastigheden in de contracten die ik met de kranten ben aangegaan. Een van de voorwaarden is dat ik geen artikelen over Zuid-Afrika schrijf voor ‘overlappende’ media. FD en Trouw hebben mij uitzondering gegeven voor elkaar, maar verder mag ik niet voor welke krant dan ook schrijven. De kranten zeggen dat ze zo hun karakter behouden. Daarbij zou het voor de lezer overzichtelijk zijn als mijn artikelen over Afrika niet gepubliceerd zouden worden bij andere media.

In de contracten staan ook een aantal voorwaarden die voor mij wat voordeliger uitpakken. Zo is het fijn dat zowel Trouw als het FD hebben toegezegd dat alleen ik voor hun over Zuid-Afrika mag schrijven. Dan heb ik in ieder geval een beetje vastigheid in mijn werk.’

Wat trekt je aan het correspondentschap?

‘Als correspondent schrijf je bijna altijd achtergrondverhalen. Dat vind ik erg leuk. Natuurlijk moet ik ook nieuwsberichten schrijven, maar zelfs dan ben je meer aan het uitleggen. Ik moet niet ingaan op het wat, maar vooral op het waarom. Zeker Trouw is daarin een prettige krant. Daar is veel ruimte voor buitenlandjournalistiek en het heeft de Verdieping. Daarin begint de krant steeds meer op een tijdschrift te lijken. Maar ook in het FD heb ik veel ruimte voor het schrijven van achtergrondverhalen.

Ik denk dat in het uitleggen mijn belangrijkste kracht zit. Daarom is Zuid-Afrika voor mij het perfecte land om te opereren. Het kent een redelijke infrastructuur, er is persvrijheid en het land heeft natuurlijk een hele complexe geschiedenis. Er valt dus ontzettend veel uit te leggen. Zeker op sociaaleconomisch vlak zijn er in het land nog genoeg problemen.’

Maar kunnen persbureaus ook niet het nieuws dat in het buitenland speelt uitleggen?

‘Dat denk ik niet. Stel dat de Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma wordt afgezet. Uiteraard schrijven persbureaus daarover. Voor het nieuws zelf hoef ik dus niet in het land te zijn. Ik ben er meer voor om antwoord te geven op het waarom en hoe. Er zijn door de jaren heen al tientallen pogingen gedaan om van Zuma af te komen, maar waarom zou het, in het hypothetische geval, nu wel gelukt zijn. Ik zit in Zuid-Afrika om op dat soort vragen antwoord te geven.

Nu zou die vraag ook beantwoord kunnen worden als je een journalist laat overvliegen uit Nederland. Maar ik merk dat als journalisten niet vaak of nooit in een land komen, ze heel voorzichtig zijn in hun analyses. Ze hebben hier geen netwerk van mensen, dus je spreekt niet altijd de juiste personen. En als je toch de juiste personen hebt kunnen benaderen, blijf je voorzichtig, want je kan de uitspraken niet testen op basis van je eigen ervaringen.

Om dat beter uit te leggen kom ik terug op mijn hypothetische voorbeeld van een aftreden van Zuma. Als een journalist iemand over de telefoon spreekt die hem vertelt erg opgelucht te zijn, dan nog weet de journalist niet zeker of die stemming ook in het land heerst. Ik weet dat wel, want ik kan de stemming in het land beter peilen. Ik heb een netwerk van vrienden en ik ken de verschillende partijen. Kort gezegd: ik ken het land, omdat ik hier woon. Of het nu gaat om politieke gebeurtenissen of een onderwerp als tienerzwangerschappen; achtergrondkennis en een netwerk blijven nodig om nieuwsverhalen te verrijken. Als je het land niet goed kent wordt dat verdomde lastig.’

Komen er vaak journalisten overvliegen uit Nederland om in Zuid-Afrika een journalistieke productie te maken?

‘Bijna elk jaar vindt een Nederlands medium het wel nodig om een reportage te maken over Orania. Dat is een dorp waar hele racistische witte Zuid-Afrikaanse mensen zich hebben teruggetrokken in een soort vrijstaatje. Over dat dorpje zijn eindeloos veel verhalen geschreven, maar blijkbaar vinden Nederlandse media het nog steeds nodig om er af en toe over te schrijven. Het probleem is echter dat er maar iets van tweeduizend mensen wonen. Het is dus de ultieme uitzondering. Dat is vaak het probleem van deze overvliegers. Ze zien vaak de nuance en complexiteit van het land over het hoofd. Daardoor gaan ze zulke clichéverhalen maken.

Een ander voorbeeld is de witte armoede. Dat zegt eigenlijk dat heel veel witte Zuid-Afrikanen erg arm zijn. Bij elk bezoek van zo’n overvliegende journalist is dat weer een onderwerp. Terwijl blanke Zuid-Afrikaners gemiddeld zes keer meer verdienen dan hun zwarte medelanders. Ik moet dan in mijn volgende verhaal weer een halve alinea wijden aan het ophelderen van het misverstand dat is gecreëerd door een buitenstaander.

Mensen zijn geneigd te willen lezen wat ze al weten. Ik heb laatst een verhaal geschreven over een bekende van mij die is vermoord. Op dat artikel kreeg ik opeens heel veel reacties en het werd erg goed gelezen. Dat komt omdat in het stuk het stereotype beeld van Zuid-Afrika werd bevestigd, namelijk dat het een gevaarlijk land is. Ik vond mijn artikel overigens juist genuanceerd, maar het geeft het probleem wel aan: clichés zijn populair. Juist de buitenstaanders, de journalisten die niet veel van het land weten, schrijven daarover. Zij breken het meer genuanceerde beeld dat ik van het land hebt geschetst af en dan kan ik weer deels opnieuw beginnen.’

Je hebt het over het bouwen van een beeld van een land. Is dat de rol die correspondenten in het buitenland inmiddels hebben?

‘Dat denk ik wel. Het echte harde nieuws komt steeds meer binnen via persbureaus. Daarin ligt niet echt meer een taak voor correspondenten. Kranten zijn veel meer de tijdschriften van vroeger geworden met de uitleg en de achtergrondverhalen die het nieuws verrijken. Ik zie de overlapping sterk terug bij bijvoorbeeld de Afrika-correspondent van de Groene Amsterdammer. Hij doet in feite min of meer hetzelfde als ik, al krijgt hij natuurlijk wel wat meer woorden voor zijn achtergrondverhalen.

Het is niet raar dat tijdschriften het moeilijk hebben. Hun rol is overgenomen door de kranten en die kunnen zich meer correspondenten veroorloven. Een tijdschrift heeft denk ik alleen nog bestaansrecht wanneer het hele goede kwaliteit levert, zoals de Groene dat doet, of wanneer het blad zich richt op een speciale doelgroep. Dat zie je bijvoorbeeld bij Quote.’

Niels Posthumus. Foto: Bram Lammers.

Niels Posthumus. Foto: Bram Lammers.

Niet alleen tijdschriften, maar ook kranten hebben het lastig. Zij bezuinigingen veel op hun buitenlandredacties en hebben daardoor nog maar weinig correspondenten vast in dienst. De meesten zijn freelancer. Is dat een slechte zaak?

‘Niet echt, omdat het correspondentschap voor één medium geen fulltime baan is. Uiteraard zou ik nog iets betere verhalen kunnen schrijven als Trouw mij voltijd in dienst nam, maar ik zou ook luier worden. Ik kan het werk voor de krant ook in veertig procent van de tijd en het combineren met werkzaamheden voor andere media.

Ik vind wel dat kranten buitenlandjournalisten onderbetalen. Ik moet als zzp’er mijn pensioen en de verzekeringen zelf regelen. Als ik het deel dat daaraan opgaat van mijn inkomen aftrek, verdien ik niet veel boven het minimumloon. Terwijl je als correspondent natuurlijk veel risico op financieel vlak neemt.

Ik moest toen ik naar Zuid-Afrika kwam, zo’n vijf jaar geleden, veel dingen opnieuw kopen. Daarnaast kreeg ik geen verhuisvergoeding, werd mijn reisticket niet vergoed en had ik een nieuwe auto nodig. Ik denk dat ik, nog voordat ik begon met mijn werk als correspondent, zo’n achtduizend euro heb uitgegeven. Om mij heen zie ik dat sommige collega’s ermee stoppen. Niet omdat ze het werk niet meer leuk vinden, maar omdat ze het de vergoeding niet meer waard vinden of gewoonweg niet meer rond kunnen komen.’

Heeft dat onderbetalen invloed op je werk?

‘Ik kan niet ontkennen dat ik bij sommige ideeën denk: ‘dat is erg interessant, maar omdat het zo ingewikkeld is ben ik er te veel geld en tijd mee kwijt.’ En dan doe ik het niet. Het risico is dat daardoor de kwaliteit van de journalistiek achteruit gaat. Dat moeten we niet willen.

Er worden door de kranten geen uitzonderingen gemaakt. Je wordt betaald voor je woorden. Hoeveel research je hebt gedaan en hoeveel tijd en geld dat heeft gekost is niet belangrijk. Ik vind dat media een potje moeten vrijmaken voor bijzondere verhalen die veel onderzoek vereisen. Er is wel een algemeen fonds voor bijzondere journalistieke projecten, maar heel veel journalisten vragen daar subsidie aan. De kans dat ik daarvoor in aanmerking kom wordt daardoor erg klein.

Zie jij de toekomst voor correspondenten somber in?

‘Ik denk dat het aantal buitenlandjournalisten zal afnemen. Correspondenten zullen niet meer werkzaam zijn voor een krant, maar voor een groep media, zoals het Mediahuis en de Persgroep. Ik denk alleen niet dat dat per se een slechte ontwikkeling is.

Op deze manier zullen alleen de besten uit het vak overblijven. Zij zullen er goed van kunnen leven, omdat er minder concurrentie is. Het geld dat eerst over de vele journalisten verspreid moest worden kan nu verdeeld worden over een paar overgebleven correspondenten. Aan de andere kant leidt minder correspondenten wel tot een minder diverse groep van journalisten en dus minder nuance in de berichtgeving. Maar ik denk dat hogere lonen ervoor zorgt dat de overgebleven correspondenten zich beter kunnen ontplooien. Daardoor ontstaat juist de ruimte voor meer nuancering.’


Eerder dit jaar publiceerde Niels Posthumus het boek Liefdesverdriet, over de invloed van de apartheid op liefdesrelaties in Zuid-Afrika.


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post ‘Sommige correspondenten hier stoppen ermee, omdat zij niet meer rond kunnen komen’ appeared first on De Nieuwe Reporter.

“Je wil als interviewer altijd meer persoonlijke dingen weten dan de geïnterviewde wil vertellen”

Sara Berkeljon

Sara Berkeljon is de koningin van het portretterende interview in Volkskrant Magazine. En ze is pas 35. Een droomcarrière voor veel beginnende journalisten. ‘Ik kan proberen er nog beter in te worden maar misschien ga ik wel iets heel anders doen.’

Het is nog rustig op de redactie. Sara Berkeljon, die in tegenstelling tot veel van haar collega’s om negen uur begint, laat de grotendeels lege ruimte zien. ‘Hier wordt de krant in elkaar gezet, dus aan het eind van de dag is het hier druk.’ Op haar ‘eigen’ V-redactie in de naastgelegen zaal neemt ze plaats in een leren, vintage fauteuil.


Sara Berkeljon (1982) werkt sinds 2006 bij de Volkskrant en specialiseerde zich in het portretterende interview, dat ze doet voor V, het Volkskrant Magazine en Sir Edmund. Ook is ze coördinator van het dagelijkse kunst- en cultuurkatern V. Ze studeerde Amerikanistiek en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam en Boston College. In 2011 werd ze voor haar interviews genomineerd voor een Tegel in de categorie Talent.


Hoe is het voor jou om al jong zo’n succesvolle carrière te hebben?

‘Ik had vroeger niet zo’n vastomlijnd plan over waar ik terecht wilde komen. Het is een beetje zo gegroeid. Ik ben begonnen op de Haagse redactie als stagiair, daar heb ik een hele tijd gezeten. Toen was ik gewoon nieuwsverslaggever. Daarna heb ik nog een jaar op de economieredactie gewerkt en vervolgens ben ik overgestapt naar het tweede katern. Daar ben ik een tijdje mediaverslaggever geweest en daarbij ben ik meer gaan interviewen. Zo ben ik er langzaam in gerold.

Op een gegeven moment mocht ik mijn eerste Volkskrant Magazine-interview maken met Willie Wartaal. Dat was spannend want dat wilde ik echt graag. Dat ging goed en zo ben ik daar in door gegaan.’

Dat interview met Willie Wartaal leverde je een nominatie op voor een Tegel.

‘Ik ben genomineerd voor de Tegel voor talent. Dat gaat dan niet per se om een specifiek stuk maar om jou als talent. Je moet onder de dertig zijn en je moet drie stukken insturen die dan exemplarisch zijn voor je werk en dat was één van die stukken.’

Zou je dat interview met Willie Wartaal nu nog steeds op dezelfde manier doen?

‘Ik denk dat als ik het nu terug zou lezen, ik het nog steeds goed vind. Maar Ik heb het al heel lang niet terug gelezen. Ik was daar zenuwachtig voor, zenuwachtiger dan ik nu ben als ik iemand ga interviewen. Soms heb je een kandidaat waarbij je denkt: dit kan lastig worden en dan word ik nog steeds zenuwachtig. Het is niet zo dat ik waterdichte technieken heb geleerd die ik op de ander los kan laten. Je moet het als interviewer van je voorbereiding hebben, die is heel belangrijk. Ik bereid me nog steeds op dezelfde manier voor, maar misschien durf ik nu wel meer door te vragen dan een paar jaar geleden.’

Hoe bereid jij je voor?

‘We hebben hier op de redactie een documentalist, die vraag ik altijd een mapje te maken over de persoon in kwestie. Hij stelt dan een map voor me samen met oude knipsels en artikelen. Afhankelijk van de geïnterviewde kan dat een pak papier van honderd pagina’s zijn. Ik interview veel schrijvers en dan moet je natuurlijk het boek lezen, en soms meerdere boeken. Ik heb niet altijd tijd om het hele oeuvre van een schrijver te lezen, maar het boek dat de aanleiding is voor het interview lees ik in ieder geval helemaal.

Verder bel ik er nog een beetje omheen. Ik vraag aan de persoon zelf of ze mij drie of vier namen en nummers kunnen geven van mensen die ik over ze kan bellen. Het liefst uit verschillende hoeken, dus niet alleen collega’s maar ook een familielid of een hele goede vriend. Als ik weet dat diegene een professioneel conflict heeft met iemand, of als er iets anders relevants speelt, bel ik ook nog anderen.

Soms merk ik wel dat dat die mensen die ik bel op hun hoede zijn en alleen zeggen: ‘het is zo’n aardige man en zo behulpzaam.’ Je wilt dat iemand echt iets interessants vertelt, niet alleen positieve dingen. Toch heeft het dan ook zin, omdat de geïnterviewde door die telefoontjes weet dat jij je goed hebt voorbereid

Weet je altijd van te voren wat je uit een interview wil halen?

‘Ik maak van te voren een lijst met vragen, maar ik kijk daar niet naar tijdens het interview zelf. Soms wel even aan het einde, dan zeg ik: nu ga ik even kijken of ik niets vergeten ben. Tijdens het interview probeer ik het gesprek soepel te laten lopen. Ik heb altijd in mijn achterhoofd wat de pijnlijke of moeilijke onderwerpen zijn, en ik weet: dáár moet ik heen. Soms gaat dat vanzelf en ben je er al na tien minuten. Soms gebeurt dat niet. Dan moet je het aankaarten omdat je weet dat je het nodig hebt voor je stuk. Ik probeer altijd aardig te blijven en iemand zo te bewegen dat ie er geen moeite mee heeft.’

En als iemand er echt niet over wil praten?

‘Dat kan ongemakkelijk zijn. Ik moet ervoor proberen te zorgen dat de geïnterviewde het me een beetje gunt. Dat iemand me vertrouwt met die informatie. Bijvoorbeeld laatst, tijdens een interview met Berend Boudewijn, theaterregisseur en de man van Martine Bijl.

Ik had gelezen dat hij uit een voorbije relatie met Hedy D’Ancona een zoon had, die door een andere man is opgevoed. Een ingewikkelde situatie, maar wel een die in een persoonlijk interview aan de orde moest komen, vind ik. Dat was een onderwerp waar ik het over wilde hebben en waarvan ik wist dat hij er waarschijnlijk niet over wilde praten. Toch heb ik er naar gevraagd. Ik moest doorvragen, terwijl hij al bij de tweede vraag zei: ‘Nu kruipen we te veel naar mijn privéleven toe.

Iemand van weblog ‘Tzum’ vond dat ik te veel over zijn privéleven was doorgegaan. Daar ben ik het niet mee eens, in een portretterend interview is zoiets relevant, omdat het in iemands leven hoogstwaarschijnlijk een groot onderwerp is geweest.

Uiteindelijk zei hij dat hij wel een rol had willen spelen als vader. Hij gaf net een beetje, zoveel dat je weet: dit is pijnlijk geweest. Als je dan tegenover iemand zit, in zijn keuken, dan is het even spannend.’

Word je daar ongemakkelijk van?

‘Ja, maar ik kan me altijd verschuilen achter mijn rol als interviewer. Dan is het maar ongemakkelijk, ik heb het nodig voor mijn stuk. Berend Boudewijn was blij met het stuk, achteraf. Dat vind ik belangrijk: dat hij niet het idee heeft gehad dat ik daar voor een sensatieverhaal kwam. Het is altijd een balans. Je wil als interviewer altijd meer persoonlijke dingen weten dan de geïnterviewde wil vertellen.’

Zoek je de grens dan bewust op?

‘Soms heb je mensen die erg zijn ‘gemediatraint’. Vaak de echt bekende Nederlanders. Die zijn op hun hoede, die willen niet alles vertellen. Ook niet aan de Volkskrant, want ze weten dat alle bladen het overnemen. Dat snap ik, maar in zo’n geval is het als interviewer niet zo leuk om te doen en niet zo interessant. Dan ben je een toneelstukje aan het doen. Zij willen publiciteit voor een film, bijvoorbeeld, maar zijn niet bereid openhartig te zijn.’

Sara Berkeljon. Foto: Lisa van den Akker.

Sara Berkeljon. Foto: Lisa van den Akker.

Speel jij ook een rol als interviewer?

‘Niet echt. Maar tijdens interviews praat ik niet veel over mezelf. Een interview lijkt een gesprek maar eigenlijk is dat natuurlijk helemaal niet zo want het bandje loopt mee en het komt in de Volkskrant. Mijn taak is om te zorgen dat die ander dat een beetje vergeet, ikzelf moet dat alleen nooit vergeten.

Op welk interview ben je trots?

Het blijft lang stil. ‘Ik kan alleen recente dingen bedenken. Ik ben trots op het interview met schrijver Alfred Birney, hij schreef De tolk van Java. Het was een bijzonder gesprek met een bijzonder iemand met een aangrijpend verhaal. Daar ben ik trots op omdat we een ontzettend mooi gesprek hadden, en omdat ik zijn verhaal volgens mij op een goede manier kon vertellen. Ik ga hem nog een keer interviewen, want hij heeft vlak na het interview de Libris literatuurprijs gewonnen. Hij is al 65 en was nog niet doorgebroken terwijl hij volgens mij al twintig boeken heeft geschreven. Sinds de prijs heeft hij tachtigduizend boeken verkocht. Daarna is hij ingestort, fysiek, door zijn rug gegaan enzo. Hij heeft het zwaar gehad volgens mij.’

Raakte je emotioneel tijdens dat interview?

‘Niet dat ik moest huilen, maar ik raakte wel ontroerd. Zijn verhaal gaat over een gebroken familie, een vader met oorlogstrauma’s die zijn kinderen mishandelde, en de manier waarop de zoon daar nog steeds last van heeft. Het is een autobiografisch boek. Tijdens het interview wist ik: hier gebeurt iets ‘echts’. Dat is het mooiste. In het begin was hij aan het ratelen, een beetje een onsamenhangend verhaal. Dat benoemde hij en daarna kwam het op gang. Ik moest op een gegeven moment naar huis maar ik had, als ik niet naar huis had gehoeven, daar echt nog uren kunnen zitten. We konden het goed vinden.’

En wat doe je dan als het niet klikt?

‘Dan kan het ook leuk zijn dat het niet klikt. Maar ik probeer toch altijd een klik te bewerkstelligen. Ik maak portretterende interviews waarin ik kritisch ben, maar het is niet mijn doel om mensen helemaal af te zagen.’

Nee, je komt rustig en zacht over. Niet als een persoon die hele harde vragen stelt.

‘Nee, dat is niet iets wat ik vaak doe. Misschien zou ik dat meer willen doen. In een interview met een politicus of een CEO van een bedrijf is kritisch zijn belangrijker dan in een interview met een acteur, of bij een schrijver. Ik zeg tijdens een interview nooit: wat is dit voor een belachelijk slecht boek. Want als ik dat vond zou ik het interview niet doen. Als ik anders, confronterender, zou willen interviewen dan zou ik mijn kandidaten anders moeten kiezen.’

Zou je dat willen?

‘Jawel, die ruimte is er ook bij de krant. Alleen vaak zijn interviews met politici meestal verschrikkelijk. Ze zijn zo glad en ‘gemediatraint’, ze zeggen niks, er is vaak weinig eer aan te behalen.’

Welke journalist weet wel meer uit die politici te krijgen?

‘Binnenkort ga ik Frénk van der Linden interviewen. Dus nu ben ik een boek aan het lezen met interviews van hem. Met name in zijn oude interviews is hij brutaal, nee, dat is niet het goede woord, confronterend. Goed ingelezen maar ook irritant. Toch is het knap, want hij lokt mensen uit de tent. Ik weet niet of het in het algemeen de manier is om mensen zich helemaal te laten openen, maar het werkt af en toe wel. Dat is een kant die ik wat meer zou kunnen ontwikkelen.’

Hij noemt zichzelf de beste interviewer van Nederland. Wat vind je daarvan?

‘Ja.’ Er verschijnt een kleine glimlach om haar mond. ‘Hij is als interviewer echt goed, maar ik vind dat hij meer moet interviewen en minder over interviews moet praten.’

Je man is ook journalist, bij NU.nl, hoe is het om met iemand te wonen die in dezelfde branche zit?

‘Leuk, want je kunt het makkelijk over je werk hebben en die ander begrijpt wat je aan het doen bent. Hij doet wel echt andere dingen. Hij is nu met video bezig en interviewt BN’ers in de auto. Soms interviewen we dezelfde mensen. Laatst interviewde hij bijvoorbeeld Douwe Bob en die heb ik ook geïnterviewd.’

Hebben jullie weleens kritiek op elkaar?

‘Ik probeer dat gescheiden te houden. Ik vraag hem niet om mijn stukken vooraf te lezen. Hij leest ze pas als ze in de krant staan en er niets meer aan te doen is.

Wat is je volgende doel als journalist?

‘Toen ik begon met interviews doen was het hoogste doel dat ik in het Volkskrant Magazine zou staan met mijn interviews. Als dat is gelukt moet je jezelf een nieuw doel stellen. Nu ben ik inmiddels ook voor een deel coördinator bij ‘V’. Interviewen doe ik ongeveer de helft van mijn tijd, de andere helft heb ik een soort bureaubaan, moet ik coördineren en feedback geven op stukken van anderen.

Soms denk ik: ga ik dit nog dertig jaar doen? Dat is misschien een beetje saai. Ik kan proberen er nog beter in te worden maar misschien ga ik wel iets heel anders doen. Ik dagdroom wel eens over een correspondentschap in New York. Maar ik heb hier mijn kind, man en moeder, en die zouden dan allemaal mee moeten. Dat zou het een beetje compliceren. Wie weet. Ik zie dat nu binnenkort niet gebeuren, ik zit hier lekker in Amsterdam. Misschien over vijftien jaar ofzo.’


Dit interview verscheen eerder op Queester, de website waar masterstudenten van de opleiding Journalistiek & Nieuwe Media van de Universiteit Leiden hun portfolio presenteren.

The post “Je wil als interviewer altijd meer persoonlijke dingen weten dan de geïnterviewde wil vertellen” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Zo financiert een Britse journaliste haar Zweedse podcast

Maddy Savage (Fotografie door Anna Gustafsson)

De Britse Maddy Savage werkte tien jaar bij de BBC, voordat ze podcast The Stockholmer oprichtte. Om haar programma te financieren, zoekt ze actief naar sponsors. (€, Blendle)

Waar gaat jouw podcast over?
“Ik interview de meest inspirerende en innovatieve stemmen in de Zweedse hoofdstad. De meeste items gaan over de start-up-, tech-, design-, cultuur- en wellness-scene. Er komen veel ondernemers voor in mijn podcast.”

Jouw afleveringen zijn relatief kort. Is daar een reden voor?
“In Zweden hebben ze het fenomeen ‘fika’, een soort koffie-en-cake-pauze, dat ontzettend is ingeworteld in het dagelijks leven. Daar is mijn podcast op gericht. Daarom maak ik korte afleveringen, tussen de tien en vijftien minuten. Dat is het juiste ‘fika-formaat’.”

Is jouw podcast puur journalistiek?
“Ja, honderd procent. Mijn interviews zijn niet de meest diepgravende, keiharde, journalistieke die je ooit tegenkomt, maar ik stel wel uitdagende vragen. En de manier waarop ik bronnen selecteer, is volledig empirisch. Ik weiger om mensen invloed te laten uitoefenen op mijn scenes, omdat ze hebben meebetaald. Een aantal grote bedrijven wilde mij sponsoren als ik hun CEO zou interviewen. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb ook ‘nee’ gezegd tegen bedrijven waar ik tijdens mijn andere journalistieke werk mee te maken zou kunnen krijgen.”

Heb je persoonlijk contact met bedrijven die jou sponsoren? Hoe pak je dat aan?
“De meeste sponsors vond ik via een bestaand netwerk in Stockholm. De eerste serie werd gesponsord door Qapital, een spaarapp die in Zweden is ontwikkeld. Het bedrijf wilde mensen in Amerika bereiken en vond The Stockholmer goed voor hun merk in de states. Het contact met dat bedrijf kwam tot stand na een gesprek met een vriend uit mijn hardloopclub, die voor dit bedrijf werkt.

De tweede sponsor was My News Desk, een groot digitaal marketingplatform. Dat bedrijf zit in Zweden, maar heeft kantoren over de hele wereld. Het wil internationaal talent rekruteren en vond een Engelstalige podcast over Zweedse innovatie en hun missie een goede match. Ik had een gesprek met het hoofd-marketing, tijdens een open lunch. Ik vertelde over mijn plannen en hij zei ‘mooi, ik wil dolgraag een sponsor zijn’.”

Is het zwaar om die financiële zaken te regelen? Jij staat er alleen voor, toch?
“Zo goed als. Er is een man die mij helpt met mixen en een vriendin maakt soms wat foto’s. Het is moeilijk als je alleen bent. Ik moet tien procent van mijn tijd opzijzetten en zeggen: ‘dit is een sponsordeal en die heeft niks te maken met de rest van mijn werk’. Het salesgedeelte vind ik het minst leuk. Ik ben een creatieveling en een journalist.”

Jij adverteert via Acast, een platform voor podcastmakers en luisteraars. Regelt dat ook financiële zaken voor The Stockholmer?
“Ondanks dat ik de sponsors zelf vond, adverteerden ze via de Acast-app. Acast kreeg voorheen dertig procent van het sponsorgeld, wat een enorm deel is. Nu pak ik het anders aan. Nu doe ik het papierwerk zelf en regel ik het contact met sponsors die content moeten aanleveren. Nu krijg ik het sponsorgeld allemaal zelf.”

Waarom komen je sponsors niet via Acast? Die organisatie wil toch adverteerders en sponsors aan podcasters koppelen?
“Ze hebben een groot salesteam dat focust op shows met 20.000 downloads per week, in plaats van 1500 downloads.”

Kun je leven van The Stockholmer, als je zou willen?
“Nee. Ik ben benieuwd wat er gebeurt als ik honderd procent van mijn tijd in de podcast stop. Ik denk dat het merk The Stockholmer al heel sterk is. Ik moet kiezen of ik mij puur op de podcast richt, of dat ik The Stockholmer als onderdeel van een breed portfolio houd. Nu kan ik een groot scala aan onderwerpen beslaan en op reis gaan. Dat zijn aspecten waar ik erg van geniet als freelancer. Maar goed. The Stockholmer betaalt zeker mijn huur elke maand, laat ik het zo zeggen.”

Wat doe jij voor werk naast je podcast?
“Ik modereer bijvoorbeeld evenementen. Daar gebruik ik mijn journalistieke skills voor. Ik freelance ook voor de BBC en doe schrijfklussen.”

Ga jij andere inkomstenbronnen aanboren voor jouw podcast?
“Ik wil experimenteren met kopje-koffie-donaties, op een manier waarop Patreon en andere micropaymentsites dat doen. Het kost moeite om sponsors te vinden en ik wil eigenlijk geen salespersoon zijn.”

(Dit interview is onderdeel van De Pegel, een zoektocht naar nieuwe verdienmodellen voor freelancejournalisten. Kijk voor meer informatie op www.depegel.media)

The post Zo financiert een Britse journaliste haar Zweedse podcast appeared first on De Nieuwe Reporter.

Waarom Amsterdam de juiste plek is voor de redactie van een Oegandees boerenvakblad

Stephen Dradenya Amazia. Beeld: © Farming Africa  |  Marc van der Sterren

De rudimentaire landbouw in Uganda en die in het gesofisticeerde Nederland zijn elkaars uitersten. Toch is juist Amsterdam de uitvalsbasis bij uitstek voor een vakblad voor Ugandese boeren. (€, Blendle)

Op z’n dooie akkertje ploegt de os een droog zanderig perceeltje om. De boer loopt op blote voeten door de voor om de houten ploeg in bedwang te houden. Stof verzamelt zich in het zweet op zijn voorhoofd.

Een tafereel, niet van honderd jaar geleden, maar van een slordige 10.000 kilometer verderop. Om precies te zijn: in Oeganda. De landbouw is hier van een heel andere orde dan die in Nederland. Om niet te zeggen: ze zijn elkaars uitersten. De verschillen zijn zo groot, dat de boer in Oeganda er ogenschijnlijk niets concreets van kan leren.

Toch wel, meent Stephen Dradenya Amazia. ‘Of je nu 200 koeien melkt met een robot of 2 met de hand, de basis blijft hetzelfde: ze moeten gemolken worden. Ze hebben goed voer en goed water nodig. Planten hebben water nodig en voeding. Je moet het geoogste product goed bewaren en de oogst aan de man weten te brengen.’

Vakblad

Landbouw blijft landbouw, wil de Oegandese Dradenya maar zeggen. Hij was kritisch journalist in een land zonder persvrijheid en moest daarom zijn land ontvluchten. Vier jaar woont hij nu in Amsterdamwaar hij een razend druk bestaan leidt. Als maatschappelijk werker bij vluchtelingenwerk begeleidt hij lotgenoten. Vier dagen in de week studeert hij rechten in Den Haag en als alleenstaande vader draagt hij de zorg voor vier kinderen.

Hier in Nederland raakte Dradenya geïnspireerd door de innovatieve landbouw. Nu is hij tussen alle bedrijven door ook nog hoofdredacteur van een landbouwtijdschrift; Farmers Today. Zijn blad is het enige gratis vakblad voor Oegandese boeren. ‘Gratis is belangrijk’, benadrukt Dradenya. ‘Er zijn wel andere vakbladen op de markt, maar die kosten 20.000 Oegandese shilling (omgerekend ruim vijf euro). En dan mis je de doelgroep. Juist de kleinschalige boer die de informatie nodig heeft, kan dat niet betalen.’

Kansen

Dradenya is ervan overtuigd dat de kennis uit zijn blad de boeren verder kan helpen. Er is namelijk geld te verdienen met landbouw. De armoede in Oeganda is weliswaar schrijnend – gekeken naar het GDP per inwoner staat het land wereldwijd op nummer 25 van onderen – maar iedereen moet toch eten. En dus wordt er wel degelijk geld uitgetrokken om voedsel te betalen. Voedsel is dus het eerste waar het schaarse geld aan wordt besteed.

Verder groeit de middenklasse in de steden en biedt ook de export kansen. Geleidelijk ontstaat daardoor een markt voor kwaliteitsvoedsel. Het Oegandese land heeft de boer ook wat te bieden. Het is rijk aan water en vruchtbare gronden en op de evenaar heerst een uitstekend klimaat. Wat ontbreekt is kennis.

Ondanks de kansen die de Oegandese landbouw te bieden heeft en ondanks het enorme gebrek aan kennis bij de boeren, kent het land geen uitgeverij die zich toespitst op de landbouw, vertelt Dradenya. ‘Maar boeren moeten weten hoe ze water kunnen vasthouden en gebruiken. Hoe ze met landbouw geld kunnen verdienen. En in de eerste plaats moet er iets zijn dat overtuigt dát ze met landbouw geld kunnen verdienen.’

Imago

Dat besef is er nu niet. Boeren hebben een slecht imago en dat is misschien wel de grootste ergernis van Dradenya. Hij snapt het wel. ‘Mensen willen graag een kantoorbaantje. Ze laten hun land achter om in de stad te gaan wonen.’ De stad lonkt, weet de Oegandees. Maar op het platteland valt geld te verdienen. ‘Wie eet er nu geen tomaten of uien? En iedereen lust graag kip.’

Kip, ook zoiets. De gemiddelde Oegandees eet nog geen kilo kip per jaar, een Nederlander 22 kilo. Dradenya: ‘Als meer mensen pluimvee gingen houden, zou dat een enorme impuls voor de voedselzekerheid betekenen. Maar er zijn voedseltekorten. Dat is helemaal niet nodig, want iedereen kan voedsel produceren.’

Oeganda heeft op dit moment echter geen enkele agrarische basis. Het land ging in het verleden gebukt onder conflicten; elke ontwikkeling werd in de kiem gesmoord. Ook de ontwikkeling van de landbouw is een mijl op zeven. Toch is ook Nederland van ver gekomen, weet Dradenya. ‘Hier begon ook alles kleinschalig. Met boeren die weinig kennis hadden. Juist in Nederland valt dus te leren hoe ze zo ver gekomen zijn.’

Dradenya wil een brugfunctie vervullen. Aan de ene kant de Oegandees weer interesseren voor de landbouw. Aan de andere kant Nederlandse bedrijven overhalen om te investeren in de Oegandese landbouw en met hun kennis en ervaring de landbouw in zijn geboorteland naar een hoger plan te tillen. Naast de vraag hoe de Oegandese landbouwsector zich moet ontwikkelen, biedt Farmer’s Today volop ruimte voor lokale initiatieven en ervaringen van Oegandese boeren. Daarvoor heeft Dradenya contact met drie redacteuren in Oeganda.

Eerste nummer

In augustus 2015 verscheen het eerste nummer, dat in een oplage van 3.000 is verspreid via scholen, overheidsinstellingen en landbouworganisaties. Het was een succes. Niet alleen vanwege de complimenten die hij via internet ontvangt, maar het had ook daadwerkelijk resultaat. ‘We brachten een verhaal over een meervalkweker die zijn vis vermeerderde. Maar hij kon de jonge vis nergens kwijt. Aan de andere kant van het land kwam dit verhaal een collega onder ogen die op zoek was naar meerval’, vertelt Dradenya trots.

Nummer 2 is nu in de maak. Op zijn laptop bewaart Dradenya de verhalen. Over pluimvee, varkens, bodembeheer, visteelt, cashewnoten (‘Nederland importeert veel cashewnoten, maar niet uit Oeganda. Daar liggen grote kansen’), en een verhaal over de meerwaarde van kwaliteitszaaizaad. Het tijdschrift is zo goed als klaar. Als hij een paar honderd euro overmaakt naar hoofdstad Kampala gaat de drukpers draaien.

Kritisch

In Nederland is het blad ondergebracht bij de Stichting Farmers Today. Deze stichting zoekt budget om het blad rond te krijgen. Niet alleen budget voor nummer twee, maar ook naar inkomsten om de uitgeverij draaiende te houden en continu een blad uit te brengen. Liefst maandelijks. Daarom worden adverteerders benaderd. Dradenya: ‘Het bedrijfsleven is ontzettend belangrijk vanwege hun inhoudelijke expertise. Ze hebben boeren veel te bieden. Ook en vooral de kleinschalige boeren in Oeganda.

Bovendien nemen boeren het bedrijfsleven serieus. Die laat ik dus graag aan het woord. Liever dan overheidsdienaren. Die worden niet vertrouwd en niet geloofd.’ Toch moeten bedrijven niet te zeer hun stempel drukken op de inhoud. Het blad moet ook kritisch kunnen zijn op het bedrijfsleven. ‘Om risico’s te spreiden hebben we het liefst meerdere adverteerders.’ Daarom hoopt hij ook op fondsen. Alles draait immers om kleinschalige boeren. ‘En dat zij met de kennis die ze opdoen zelfstandig keuzes kunnen maken.’

Naast kennisuitwisseling wil Dradenya een mentaliteitsomslag. Behalve het tijdschrift richt hij zich daarom ook op media als YouTube. ‘Ik ga met een camera het veld in. Filmen hoe je van landbouw een succes kunt maken. Om Oegandezen het vak te leren en hen te motiveren.’ Het is zijn missie om te laten zien dat landbouw niet saai is. ‘Wie het goed aanpakt, kan in de landbouw meer verdienen dan op kantoor in de stad. En juist op het platteland ligt de kans op succes voor iedereen binnen handbereik.’


Doe mee met Farmers Today

Stephen Dradenya Amazia is op zoek naar steun voor zijn blad. Alle medewerking aan het blad is welkom. Zowel op inhoudelijk als organisatorisch vlak, maar in het beginfase zijn vooral financiën van belang. Farmers Today is op zoek naar adverteerders en fondsen om een uitgeverij op te richten voor vaktechnische informatie voor de landbouw. Voor vragen, opmerkingen of bijdragen, mail naar media@farmingafrica.net.

Dit interview verscheen eerder in Vork.

The post Waarom Amsterdam de juiste plek is voor de redactie van een Oegandees boerenvakblad appeared first on De Nieuwe Reporter.

Zo word je een expert in de journalistiek (en dat gaat sneller dan je denkt)

Remco-de-Boer-1-kleur-972x972

In korte tijd werd Remco de Boer (1965) een veelgevraagd expert op het gebied van energietransitie. Het begon met een boek, nu schrijft hij voor het FD. Hoe kreeg hij dat voor elkaar? (€, Blendle

Waarom besloot je om een boek te gaan schrijven?

“Ik was 48 toen ik eraan begon. Nadat ik mijn opleiding aan de TU Delft afrondde, werkte ik zo’n twintig jaar als zelfstandig communicatieadviseur voor technologische bedrijven. Hoewel ik dat altijd met plezier deed, merkte ik dat ik toe was aan iets nieuws. Ik schreef destijds al columns voor de vakbladen De Ingenieur en Cobouw. Omdat ik in die column niet alleen mijn eigen mening wilde geven, deed ik ook research. Zo ontwikkelde ik een verwondering voor de politieke strijd tegen energietransitie; tegen windmolens en duurzame energie. Vanuit die verwondering besloot ik om één dossier volledig uit te zoeken. Dat werd de strijd van Nederlandse activisten tegen een plan voor schaliegaswinning.”

Hoe lang ben je er mee bezig geweest?

“2,5 jaar.”

2,5 jaar is best lang voor één project. Hoe is het boek gefinancierd?

“Journalisten in loondienst hebben vaak niet de tijd om zich in één onderwerp te specialiseren. Ik heb goed verdiend met mijn werk als communicatieadviseur. Over mijn financiële situatie zeg ik soms: ‘Ik kan zeker niet stoppen met werken, maar er kan wat.’ Dat gaf mij ruimte om me echt op het onderwerp te storten. Een vrijheid die je niet hebt als er steeds andere onderwerpen zijn die je aandacht vragen.”

Waren er nog andere inkomstenbronnen?

“Ik had een afspraak met de uitgever van mijn boek. Iedereen zal tegen een uitgever zeggen dat hij of zij iets groots of belangrijks te melden heeft wat het waard is om in te investeren. Voor Tussen Hoogmoed en Hysterie stelde ik voor om de boel om te draaien. Ik zou het hele boek zelf financieren. Vormgevers, drukwerk, alle kosten waren voor mijn rekening. De uitgever was alleen verantwoordelijk voor de distributie. Het was een win-winsituatie. Zij kregen – min of meer – gratis geld en ik kreeg driekwart van de opbrengst van elk verkocht boek. Normaal gesproken zijn de royalty’s veel lager, maar ik nam in dit geval het risico op me.”

Hoeveel heeft het boek uiteindelijk opgeleverd?

“Het werd voor 39,50 aangeboden en is zo’n duizend keer verkocht. Reken zelf maar uit hoeveel ik heb verdiend. Met die opbrengst ben ik goed uit de kosten gekomen. Natuurlijk krijg je daarmee al de tijd die je erin hebt gestoken nooit vergoed, maar ik ben tevreden met hoe het gegaan is.”

Had je verwacht dat het boek het begin van een nieuwe carrière zou betekenen?

“Ik had tijdens het schrijven geen idee of het een succes zou worden. Mensen om mij heen zeiden dat het boek me veel zou brengen, zelf had ik dat idee helemaal niet. Ik had zeker niet de indruk dat het zou leiden tot een nieuwe carrière. De reden dat het boek uiteindelijk is afgekomen, is omdat ik het geschreven heb uit een brandend verlangen om ergens helemaal in te duiken. Niet omdat ik er geld mee wilde verdienen of dat het me verder zou helpen.”

Het boek lanceerde jou als expert op het gebied van energietransitie.

“Voor mijn boek deed ik zo’n 80 interviews over het onderwerp met allerlei verschillende voor- en tegenstanders op het gebied van schaliegaswinning. Ik denk dat er weinig mensen zijn die dat hebben gedaan. Als je bereid bent om je ergens écht in te verdiepen, dan maakt dat je al snel een expert. Het is niet iets wat ik ambieerde, ik wilde in de eerste plaats vanuit mijn eigen verwondering weten hoe de zaken in elkaar staken.”

Wat gebeurde er na de publicatie?

“In oktober 2015 kwam het boek uit. Nu, anderhalf jaar later, schrijf ik onder meer over energietransitie voor Het Financieele Dagblad, maak ik voor BNR een podcast over energie en spreek ik op evenementen over het onderwerp. Ook schrijf ik voor Energeia, een nieuwsdienst over energie. (Daarnaast is De Boer sinds 2012 actief als columnist voor het wetenschappelijke magazine van de TU Delft. red.) Wanneer je wars van mode onderzoek doet en je expertise opbouwt, kun je voor veel partijen iets betekenen. Niet alleen je kennis wordt dan gewaardeerd, maar ook jouw mening en opbouwende kritiek.”

Zie jij jezelf als journalist?

“Nu kan ik wel zeggen dat ik een carrièreswitch tot journalist heb gemaakt. Ik besteed de meeste tijd aan Het Financieele Dagblad en BNR. Daarnaast doe ik wat advieswerk, maar niet heel veel meer. Zeker in deze rol stel ik mezelf strikt onafhankelijk op.”

Wat betekent expert zijn voor jou?

“Ik maakte recent een serie verhalen voor Het Financieele Dagblad. Steeds een pagina over een andere energiebron. Voor elk van die verhalen sprak ik met veel experts, bijvoorbeeld over het winnen van schaliegas. Het waren mensen die stuk voor stuk veel meer over een specifiek onderwerp wisten dan ik. Om echt iets toe te voegen, is het belangrijk om je te specialiseren binnen je specialisatie. Bij mij ligt de expertise met name op de vraag: hoe komen we als land, of als wereld, verder met de energietransitie?”

Hoe is jouw inkomen nu ten opzichte van vroeger?

“Mijn verdiensten liggen flink lager dan toen ik alleen commercieel werk deed. Wel weet ik uit ervaring dat het tijd kost om iets op te bouwen. Op dit moment zit er een mooie lijn in. Zo had ik in de afgelopen drie maanden 4 á 5 spreekklussen op evenementen over de energie-industrie. Daar lees ik dan columns voor. Meestal neem ik de industrie dan een beetje op de hak, maar wel met een serieuze boodschap als ondertoon. Daar krijg ik goed voor betaald. Ook hier stel ik mij natuurlijk onafhankelijk op. Wat ik ga zeggen, wordt niet vooraf gecommuniceerd.”

Veel journalisten hebben niet de financiële ruimte die jij had, wat zou je aan hen mee willen geven?

“Iedereen heeft te maken met vrij platte dingen als geld. Hoe betaal ik mijn hypotheek? Hoe onderhoud ik mijn gezin? Maar wanneer iets écht je interesse wekt, ben je altijd bereid om er tijd in te steken. Neem er werk bij, slaap wat korter en ga in je vrije uren, weekenden en vakantie lekker bezig zijn met jouw passie. Spreek met mensen. Niet iedereen zal slagen, daar moet je reëel in zijn, dat geldt zeker voor creatieve beroepen. Maar mensen die echt een verhaal te vertellen hebben en er vol voor gaan, die komen er altijd. Geld volgt altijd op creativiteit.”

Stel: een journalist wil zich specialiseren, maar is bang om de verkeerde keuze te maken. Hoe kijk jij daar tegenaan?

“Het klinkt misschien cliché, maar wat is kiezen? Kies jij iets of word je erdoor gekozen. Ik denk dat iedereen wel iets kan bedenken wat hem of haar verwondert of fascineert. Daarnaast, ik doe dit nu sinds 1,5 jaar, de columns iets langer. Ik was 48 toen ik begon met mijn boek. Het kost wat tijd, maar ook weer niet ongelofelijk veel. Mocht je het gevoel hebben dat je de verkeerde keus hebt gemaakt, dan is er altijd nog tijd om weer te switchen. Als je dat echt wilt.”

(Dit artikel is onderdeel van De Pegel, een zoektocht naar nieuwe verdienmodellen voor freelancejournalisten. Kijk voor meer informatie op www.depegel.media.)

The post Zo word je een expert in de journalistiek (en dat gaat sneller dan je denkt) appeared first on De Nieuwe Reporter.

Page generated in 1.335 seconds. Stats plugin by www.blog.ca