iCulture Podcast interviewserie ’10 jaar App Store’ → Loes Meys en Michiel Munneke

Daar is ‘ie weer! Een nieuw interview in de serie ’10 jaar App Store’! Luister naar Loes Meys en Michiel Munneke, die vertellen in hoeverre apps in de auto gaan verdwijnen en hoe parkeren met een app nog véél eenvoudiger kan worden gemaakt.

Het artikel iCulture Podcast interviewserie ’10 jaar App Store’ → Loes Meys en Michiel Munneke verscheen voor het eerst op iCulture

“Ik heb niets tegen kritiek op Twitter, maar er zit veel selectieve verontwaardiging tussen”

Interview met Volkskrant-ombudsman Jean-Pierre Geelen

In een interview op DNR zegt Lars Duursma dat Volkskrant-ombudsman Jean-Pierre Geelen niet houdt van critici die op Twitter hun kritiek uiten. De ombudsman reageert: “Wat mij ergert is de kennelijke onwil om in te zien dat de meeste fouten in de krant stomweg berusten op slordigheid, onachtzaamheid of te grote snelheid.”

Afgelopen week twitterde Lars Duursma in kritische bewoordingen over een interview van de Volkskrant met VVD-Kamerlid Aartsen. Daar stonden onjuistheden in over de subsidie die het Concertgebouw en het bloemencorso van de overheid ontvangen.

Ombudsman Jean-Pierre Geelen legde afgelopen zaterdag in zijn wekelijkse rubriek uit wat er mis was gegaan: de eindredactie had een correctie die de verslaggever had doorgegeven niet verwerkt in het artikel.

Duursma liet vervolgens in een interview met DNR weten dat het stuk van de ombudsman laat zien dat die niet zo gediend is van kritiek van critici op Twitter. DNR geeft Geelen de kans om te reageren.

Je hebt je stuk opgehangen aan de tweet van Duursma. Er was ook een tweet van het Concertgebouw dat wees op de feitelijke onjuistheden in het artikel van de Volkskrant, maar die tweet noem je niet. Terwijl die tweet veel meer gedeeld en geliked is dan die van Duursma. Waarom heb je ervoor gekozen om je pijlen op hem te richten?

“Ik koos voor de tweet van Duursma omdat die – samen met Sywert van Lienden, die had ik ook kunnen noemen – de eerste was waardoor de bal ging rollen, en ook het langst – tot vorige week vrijdag aan toe. De tweet van het Concertgebouw zag ik meer als het uitbrengen van een persbericht, veel later op de dag. Die had ik ook kunnen noemen, maar het is toch al woekeren met de ruimte in die kolommen, waardoor vermelding er niet van is gekomen.”

In je stuk klinkt irritatie door. Omdat je schrijft over “het matineuze getjilp van Twitter”, “verontwaardiging” en “gretig verspreide kritiek”. Wat stoort je zo aan critici op Twitter die wijzen op een onjuistheid?

“Ik heb niets tegen kritische twitteraars. Sterker: ook ik doe weleens mijn voordeel met terechte kritiek op Twitter. Maar in zijn algemeenheid zit er veel verontwaardiging tussen die geen andere grond heeft dan strikt particuliere. Naar mijn indruk ook vaak van critici die het enkel om de Volkskrant gaat, zonder dat ze die krant lijken te lezen.

Bovendien worden er ook nogal eens wat grote complotten gezien door de Twittergemeente. Als die zouden bestaan, zou ik het toegeven ook, maar tot nu toe is mijn ervaring dat de meeste fouten in de krant stomweg berusten op slordigheid, onachtzaamheid of te grote snelheid.

In dit geval ging het me niet om de eerste tweet van Duursma, ook niet om de tweede. Maar wat mij langzaam begon te ergeren, was de kennelijke onwil om in te zien dat deze fout misschien ook nog iets anders kon zijn dan het ‘willens en wetens laten meevoeren in een politieke campagne van de VVD’ (ik parafraseer hier). Namelijk: een tamelijk onbenullige fout die de verslaggever zelf vóór publicatie wel had hersteld, maar die bij de eindredactie helaas niet is uitgevoerd. Van een ‘communicatie-expert’ had ik meer kennis en begrip over de praktijk verwacht. Van sommige reageerders trouwens ook.”

Waarom schrijf je in de conclusie van je stuk: “de kritische lezer moet weten dat een fout (hoe onbenullig ook) geen vooropgezet ‘nepnieuws’ is”. Je noemt Duursma daar niet, maar de lezer van je stuk zal ongetwijfeld denken dat hij de Volkskrant heeft beschuldigd van nepnieuws, aangezien je hem eerder in je stuk noemt als ‘strenge lezer’. Maar in zijn tweets zie ik niks staan over nepnieuws; hij noemt dat woord niet. Waarom heb je dan voor die bewoording met ‘nepnieuws’ gekozen?

“Met de frase over ‘nepnieuws’ doelde ik niet specifiek op Duursma, maar op de critici die de krant meteen ‘nepnieuws’ in de schoenen schoven – en die waren er, kan ik je verzekeren. Dat begrip wordt veel te vaak misbruikt, zo ook in dit geval. Tenzij je elk bedrijfsongeval wilt betitelen als ‘nepnieuws’.”

Je schrijft in je stuk dat het ging “om een ‘foutje’ zoals dat bijna dagelijks voorkomt”. Maar het ging om een verslaggever die merkte dat zijn geïnterviewde “zijn cijfers niet helemaal op orde leek te hebben”, en er desondanks voor koos om de cijfers niet te checken. Is dat niet meer dan ‘een foutje’? Zeker gezien de impact die dit soort onjuistheden kunnen hebben op de publieke opinie?

“Ik schreef in mijn rubriek al dat de verslaggever natuurlijk uit eigen beweging de feiten had moeten checken. Hij heeft veel feiten gecheckt, zegt hij zelf, maar net dit punt niet. Wrang genoeg kwam dat juist doordat de VVD zelf zag dat ze de cijfers niet helemaal op orde hadden.

Toen de partij met een verbetering kwam, ging hij ervan uit dat dat dan wel de juiste zouden zijn. Noem dat naïef – en nogmaals: ja, de verslaggever had ook na die correctie zelf moeten nagaan wat nu de waarheid was – maar feit blijft dat het in dit specifieke geval voor het eindresultaat niet had uitgemaakt.”

Andere media gingen aan de haal met het nieuws over de VVD-plannen, en berichtten erover met verwijzing naar de Volkskrant. Zo werden de onjuistheden genoemd in een aantal uitzendingen van het NOS Journaal. De NOS heeft dit niet gecorrigeerd. Op de sites van De Telegraaf, Panorama, Powned en Het Parool is de onjuiste informatie nog steeds te zien, met als bron de Volkskrant. Heeft de Volkskrant de betreffende media laten weten dat er een fout was gemaakt en dat de cijfers aangepast zijn door de Volkskrant? Zo niet, zou dat naar jouw idee gedaan moeten worden?

“Ik geloof niet dat de Volkskrant andere media heeft laten weten dat er een fout de wereld is ingegaan. Dat is niet de gewoonte, ook niet van andere media trouwens, het persbureau ANP uitgezonderd, maar die heeft daar het eigen net voor.

Het was best een idee geweest dat in dit geval te doen. Maar in eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid hiervoor toch bij die andere media, vind ik. Die hebben op de dag van publicatie kennis kunnen nemen van het rumoer op Twitter, van de online correctie die onder het stuk is geplaatst, een dag later van de correctie in de papieren krant, en een week later van mijn rubriek. Op een onbewaakte spoorwegovergang knipperen de rode lichten minder vaak en lang.”

“De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter”

Alexander Pleijter

Het artikel “Ik heb niets tegen kritiek op Twitter, maar er zit veel selectieve verontwaardiging tussen” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

“De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter”

Interview met kritische twitteraar Lars Duursma

Lars Duursma figureerde zaterdag als hoofdpersoon in een stuk van de ombudsman van de Volkskrant, nadat hij op Twitter gewezen had op onjuistheden in een interview met VVD-Kamerlid Aartsen. “Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.

De ombudsman van de Volkskrant, Jean-Pierre Geelen, klonk afgelopen zaterdag in zijn wekelijkse rubriek verbolgen en verbeten. Niet verwonderlijk, want de Volkskrant zou volgens hem beticht zijn van het verspreiden van ‘vooropgezet nepnieuws’. In zijn tekst schrijft Geelen over ‘verontwaardiging’ in ‘de Twittergemeente’ en ‘gretig verspreide kritiek’.

De ‘verontwaardiging’ en ‘kritiek’ betroffen een interview met VVD-Kamerlid Thierry Aartsen, die mocht vertellen over zijn plannen met de cultuursubsidies. De twitteraar die de ombudsman in zijn rubriek met naam noemt is Lars Duursma, oprichter van Debatrix, een bureau dat mensen traint in debatteren en presenteren. De ombudsman duidt hem aan als een ‘strenge lezer’. Deze ‘strenge lezer’ had het volgende getwitterd over het interview met Aartsen:

‘Dat een politieke partij ervoor kiest haar populistische boodschap met leugens te onderbouwen, is al droevig. Dat @volkskrant die leugens – die binnen 1 minuut te factchecken waren – klakkeloos doorgeeft en zelfs tot kop verheft, vraagt om journalistieke reflectie.’

In de ogen van Geelen was Duursma met deze tweet de bron van een hoop verontwaardiging op Twitter (‘Alleen de tweet van Duursma al werd gedurende vele dagen 143 keer met zichtbare instemming geretweet en 164 keer ‘leuk’ gevonden’), terwijl het volgens de ombudsman slechts ging ‘om een ‘foutje’ zoals dat bijna dagelijks voorkomt.’

Hoe kijkt Duursma aan tegen het betoog van de Volkskrant-ombudsman? Vindt hij de toelichting over de gemaakte fout toereikend? De Nieuwe Reporter vroeg het hem.

Even terug naar het begin, wat waren je bezwaren tegen het bewuste interview van de Volkskrant met VVD-Kamerlid Aartsen?

“Het artikel bevatte elementaire onjuistheden die binnen enkele minuten gecheckt hadden kunnen worden. In de kop stond groot dat het Concertgebouw 7 miljoen subsidie krijgt en het bloemencorso nul. Dat is twee keer onjuist: het Concertgebouw krijgt 900.000 euro subsidie (niet van het Rijk maar van de gemeente) en bloemencorso’s ontvangen juist wél veel subsidie.

Ter illustratie: de gemeente Katwijk geeft als percentage van de totale begroting zelfs méér subsidie aan het bloemencorso (0,027%) dan Amsterdam aan het Concertgebouw (0,023%). Ik vroeg me in een tweet af hoe het kan gebeuren dat zulke onzin klakkeloos wordt doorgegeven.”

Toelichting op deze cijfers:

De subsidie van de gemeente Katwijk voor het plaatselijke bloemencorso is 46.000 euro per jaar.
De totale begroting van de gemeente Katwijk is 173 miljoen.
Dat leidt tot een percentage van 0,027%.
Op dezelfde wijze kan het percentage in Amsterdam berekend worden.

Je noemde in die tweet @volkskrant en @jpgeelen. Kreeg je daar toen een reactie op van de Volkskrant?

“Ombudsman Jean-Pierre Geelen reageerde heel snel op Twitter, waarvoor ik hem ook publiekelijk complimenteerde. ‘Hier ging iets fout, ja. Ik ben nog in overleg wat te doen en hoe we erop terugkomen.’”

En toen?

“Rond twee uur ’s middags – het artikel stond toen al twaalf uur online en was veelvuldig gedeeld en gelezen – werden twee zaken aangepast: het Concertgebouw werd vervangen door Concertgebouworkest en de bezoekerscijfers van het Bloemencorso bleken er in het artikel bij nader inzien een factor tien (!) naast te zitten: het gaat om een miljoen bezoekers per jaar, en niet honderdduizend.”

De Volkskrant heeft de fouten hersteld. Het probleem is dus opgelost.

“Nou ja, ik vind het bijzonder onzorgvuldig dat je zulke elementaire onjuistheden in een artikel opneemt – zeker omdat het zo makkelijk voorkomen had kunnen worden. Daar komt nog eens bij dat het hier gaat om culturele instellingen die de afgelopen jaren al klap op klap kregen te verwerken en nu uitgerekend via de Volkskrant nog eens een trap na krijgen op basis van onjuiste cijfers.

De schade die je hiermee aanricht als krant, zet je niet recht met een correctie. Kijk maar eens hoe vaak deze onzin verspreid is: in de loop van de dag werden de cijfers bijvoorbeeld klakkeloos doorgegeven door de NOS journaals – iets wat de NOS overigens nog steeds niet gerectificeerd heeft. En op de website van De Telegraaf staan alle foute cijfers gewoon nog doodleuk online.

Het is wat mij betreft een interessant journalistiek vraagstuk: beperkt je verantwoordelijkheid zich bij een journalistieke misser tot het corrigeren van de fout op je eigen medium? Of reikt die verantwoordelijkheid, zeker bij kwaliteitsmedia, nét iets verder? Ik zou het geen slecht idee vinden als de Volkskrant in dit geval ook persdiensten en grote media die het nieuws hebben overgenomen en nog niet gecorrigeerd hebben, attendeert op de fout.”

Wat vond je van het stuk dat de ombudsman over deze kwestie schreef?

“Ik was blij dat de de ombudsman nader inging op de journalistieke fout en meer uitleg gaf over wat er precies fout was gegaan. Maar hij liet wat mij betreft vooral blijken dat hij het zelf lastig vindt goed om te gaan met kritische feedback via Twitter.”

Waar blijkt dat volgens jou uit?

“Iedereen die het stuk leest, zal twee dingen opvallen. Als eerste het bagatelliseren van de journalistieke fout. Hij heeft het over een ‘foutje’ dat hij typeert als ‘onbeduidend’. Het tweede dat opvalt is het dedain naar de kritische lezer. De ombudsman houdt niet zo van kritische lezers, zo blijkt. Vooral niet als ze hun kritiek uiten op Twitter.”

Wat vind je ervan dat hij jouw tweets centraal stelt in zijn stuk?

“Dat verbaast me enigszins, want hij zegt bijvoorbeeld niets over de corrigerende tweet van het Concertgebouw zelf die bijna vijf keer zo veel werd gedeeld. Ik denk dat hij over mij schrijft omdat ik een constructieve dialoog met hem opzocht door hem te taggen in mijn tweet. Ik signaleerde een journalistieke fout, bekritiseerde verder vooral de VVD en nodigde vervolgens de ombudsman uit tot journalistieke reflectie.

Dat kun je zo te zien maar beter niet doen, als het aan deze ombudsman ligt. In z’n stuk lijkt hij meer geïnteresseerd in wie de kritiek uit dan waar die kritiek over gaat. Hij legt me bovendien woorden in de mond. Zo suggereert zijn titel dat ik de Volkskrant als kritische lezer beschuldigde van ‘nepnieuws’, terwijl ik dat woord — een buitengewoon onproductieve term — juist bewust mijd.”

Valt je nog meer op in het stuk van de ombudsman?

“Uit het stuk blijkt dat Thierry Aartsen zijn cijfers al eerder niet op orde had. Op zo’n moment kun je je natuurlijk afvragen waarom de Volkskrant hem dan zo’n groot podium geeft. Als een willekeurig andere bron persberichten vol onjuistheden verspreidt, dan neem je dat als journalist ook niet over — zelfs niet als de bron later met correcties komt. Je kunt je zelfs afvragen of het werkelijke nieuws in dit geval niet zou moeten zijn dat de cultuurwoordvoerder van de grootste partij van het land een week voor het cultuurdebat zijn cijfers niet op orde heeft. Nu bleef dit in het stuk volledig onbenoemd.”

Ik vond het opvallend dat de verslaggever het checken achterwege liet toen de VVD tijdens de autorisatie van het interview met nieuwe cijfers kwam. ‘Omdat de VVD er zelf mee kwam en de partij voor schut zou staan wanneer dat niet klopte.’ Wat vind je daarvan?

“Ik vind dat een merkwaardige redenering die weinig te maken heeft met de primaire taak van een journalist: waarheidsvinding. Júist bij interviews met politici is het zaak om te checken of alles klopt, de geïnterviewde heeft er immers belang bij cijfers zo te spinnen of verdraaien dat deze zijn boodschap optimaal versterken.

Op dat gebied vond ik het interview sowieso weinig kritisch. Thierry Aartsen bepleitte dat volkscultuur meer subsidie moet krijgen en noemde als voorbeelden ringsteken en carbidschieten. Een kilo carbid kost vier euro en is goed voor twintig knallen. Is het te veel gevraagd als journalist om dan even te informeren wat je daar in hemelsnaam aan wilt subsidiëren?”

Heb je nog een tip voor de ombudsman?

“Probeer open te staan voor kritiek en neem deze serieus. Kijk niet alleen wie de kritiek uit maar vooral ook waar die kritiek over gaat. Wat dat betreft kan hij wellicht eens kijken naar zijn collega’s bij NRC. Ik verzorg daar regelmatig analyses op het gebied van communicatie – zoals recensies van de Troonrede en adviezen aan politici – en publiceer artikelen over het functioneren van journalistiek. De redactie daar moedigt me steevast aan niet enkel anderen te analyseren maar vooral ook kritisch te kijken naar de verslaggeving van NRC. Niet omdat de journalisten het daar altijd leuk vinden om te horen. Wel omdat ze er graag van leren.”

Alexander Pleijter

Het artikel “De Volkskrant-ombudsman houdt niet van kritische lezers die hun kritiek uiten op Twitter” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Nick Kivits maakt juridisch jargon begrijpelijk voor freelancers: “Het moet natuurlijk wel lekker lezen”

Journalist Nick Kivits

Het zijn ellelange documenten vol ingewikkeld juridisch jargon: de voorwaarden waarmee Nederlandse freelancers akkoord moeten gaan wanneer ze een nieuwe opdracht aannemen. Journalist Nick Kivits bedacht een manier om freelancers te helpen. Op freelancevoorwaarden.nl bundelt hij op ludieke wijze voorwaarden van Nederlandse mediabedrijven tot een behapbaar geheel. “Van Twitterfitties krijg ik geen energie, maar van deze website wel!”

Voor zijn werk bij vakblad Villamedia pluisde Nick Kivits dikwijls zelf al freelancevoorwaarden uit. Dat bleef in zijn omgeving niet onopgemerkt. “Mensen gooiden het ineens bij mij over de schutting”, grapt hij. De stap naar openbaarheid was klein: waarom de bevindingen niet inzichtelijk maken, om zo medejournalisten tegemoet te komen?

Zo ontstond het idee voor freelancevoorwaarden.nl: een in Jip-en-Janneke taal geschreven website die Nederlandse freelancevoorwaarden tot een overzichtelijk, leesbaar pakket bundelt. “Ik maak de voorwaarden inzichtelijk voor mensen die juridische taal niet kunnen of willen begrijpen en doorgronden”, vertelt Kivits. Een hels karwei lijkt het, maar de journalist haalt er volop voldoening uit. “Ik zocht een hobby,” beaamt hij, “iets voor ertussendoor.”

Pareltjes

Pakweg twee uur is Kivits bezig met het uitpluizen van één set voorwaarden. “Het is niet heel arbeidsintensief”, erkent hij. “Er zit nu iets van 24 uur werk in.” De website is geschreven in een soort FAQ-format. Aan ironie en licht cynisme ontbreekt Kivits bij het beantwoorden van zijn eigen vragen niet. “Het moet natuurlijk ook wel lekker lezen. En zo maak ik het schrijven voor mezelf leuker!”

Met zijn humoristische benadering weet Kivits ad rem de draak te steken met soms uiterst merkwaardige voorwaarden. “Bijvoorbeeld die schijnzelfstandigheid van Sanoma. Dat is eigenlijk een soort verkapte bezuinigingsmaatregel.”

Hoe zit het met schijnzelfstandigheid?
Ze zijn bij Sanoma doodsbang dat de Belastingdienst vindt dat jij eigenlijk in dienst bent. De uitgeverij heeft allerlei rare fratsen bedacht om de blauwebrievenbrigade ervan te overtuigen dat jij niet in dienst bent. Zo mag je wanneer je op de redactie werkt geen laptop van Sanoma gebruiken (behalve als dat écht niet anders kan), krijg je de reiskosten naar de redactie niet meer vergoed en mag je niet op bedrijfsfeestjes komen. Jammer, want iedereen weet dat feestjes zonder freelancers erbij saai zijn.

Mag ik wel gewoon koffie uit de automaat halen bij Sanoma of krijg ik daar ook gezeik mee?
Dat mag. Maar doe maar niet. De automatenkoffie is in Hoofddorp niet te hachelen. Zéker de cappuccino niet.

Of hij tijdens het schrijven nog andere pareltjes is tegengekomen? “Jawel, zo claimt Hearst het auteursrecht op de artikelen van de freelancer. Om auteursrecht te claimen heb je akte nodig, maar de voorwaarden die je tekent zíjn zo’n akte. Gelukkig kan dit met een addendum op het contract voorkomen worden.”

Over de voorwaarden van Villamedia is Kivits meer te spreken: “Het is een beetje preken voor eigen parochie, maar de hoofdredacteur stuurde mij een half beschreven A4’tje toe met ‘Dit zijn de voorwaarden en voor de rest houden we ons aan de wet’. Dat vond ik erg verfrissend.”

Sportief

Met oog op de voorwaarden staat de Nederlandse freelancer er niet heel voordelig voor. “Er worden vergaande licenties geclaimd, zoals het verkopen van stukken aan derden”, legt Kivits uit. “Maar als freelancer leef je van je stukken. Dit is echt een foute kant, die uitgeverijen opgaan.”

“Het is niet de bedoeling om uitgeverijen af te zeiken”, benadrukt de journalist. Tot nu toe zijn de reacties op het project dan ook louter positief, zowel van collega’s als van uitgevers. “Zelfs van Persgroep-topman Bart Verkade kreeg ik complimenten!” vertelt Kivits enthousiast. “De flauwe opmerkingen vatte hij gelukkig sportief op.”

Juist deze positieve reacties maken het voor Kivits waard het project voort te zetten. Donaties zijn altijd welkom, maar freelancevoorwaarden.nl blijft een vrijwillig hobbyproject. “Het gaat mij niet om het geld, maar om de blijk van waardering”, benadrukt hij. De toekomstplannen liggen voor de hand: “De lijst die je nu ziet langer laten worden.” Vijf sets voorwaarden liggen nu klaar om verwerkt te worden, en ook die van omroepen komen eraan. “Maar ik doe geen beloften,” besluit Kivits, “anders wordt het werk.”

Sarah Sramota

Het artikel Nick Kivits maakt juridisch jargon begrijpelijk voor freelancers: “Het moet natuurlijk wel lekker lezen” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

iCulture Podcast interviewserie ’10 jaar App Store’ → Eric Hammink en Alexander Griekspoor

We hebben een nieuwe aflevering van de iCulture Podcast in de serie ’10 jaar App Store’! Luister naar Eric Hammink en Alexander Griekspoor, die vertellen hoe het is om meerdere Apple Design Awards te winnen en hoe lukt het om met een notitie-app door te breken, terwijl er al zoveel aanbod is.

Het artikel iCulture Podcast interviewserie ’10 jaar App Store’ → Eric Hammink en Alexander Griekspoor verscheen voor het eerst op iCulture

Erik Mouthaan (RTL Nieuws): “Twitteraars en bots zijn bewust bezig verslaggevers angstig te maken”

Amerika-correspondent over de vuile toon op Twitter

Erik Mouthaan is nog vrijwel dagelijks actief op Twitter, maar de Amerika-correspondent van RTL Nieuws krijgt het vaak zwaar te verduren. In het kielzog van zijn tweets verschijnen steevast negatieve opmerkingen over zijn werk als journalist. “Er zijn Twitteraars en bots die proberen de vrijheid van journalisten in te perken om nieuwswaardige zaken onder de aandacht te brengen. Dat laat ik niet gebeuren.”

Het is me de afgelopen weken opgevallen dat je op Twitter voortdurend wordt bekritiseerd. Wanneer is dat begonnen?

“De vuile toon begon tijdens de Trump-campagne in de aanloop naar de presidentsverkiezing van 2016. Naarmate de president meer controversiële beslissingen nam en ik daarover berichtte werd er ook meer kritiek op mij gepost.”

Lees je alle reacties die je krijgt op je tweets?

“Bijna allemaal.”

Je krijgt allerlei kritiek, zoals ‘partijdig’, ‘niet objectief’, ‘activistisch’, ‘geen verstand van zaken’. En dan vaak niet vriendelijk geformuleerd. Wat doet dat met je als journalist?

“Op zich vind ik het goed dat mensen kritisch kijken naar het werk dat journalisten doen. In de beginjaren van Twitter kwamen mensen met opbouwende opmerkingen of brachten een interessante artikel onder mijn aandacht. Tegenwoordig is bijna het merendeel ongefundeerde kritiek, van mensen die vaak niet eens mijn artikelen lezen of tv-items bekijken, of niet eens in mijn tijdlijn terugkijken. Dan is het verhaal dat ik nooit iets aardigs zeg over Trump, ook al heb ik de dag ervoor nog iets gemeld over positieve cijfers over de Amerikaanse economie.”

Beïnvloedt de kritiek je berichtgeving?

“Ik heb ervan geleerd dat je voorzichtig moet zijn met bewoordingen, ook omdat mensen soms dingen anders kunnen lezen dan ik ze bedoel. Een bepaald woord dat voor mijn gevoel niet gekleurd is, wordt door anderen wel als zodanig opgevat. Zeker in 280 tekens kan dat lastig zijn.

Daarnaast is het altijd goed om een veelheid aan meningen tot je te nemen, zodat je goed weet hoe je publiek over dingen denkt. Van de andere kant zijn er ook Twitteraars en zelfs bots bewust bezig om verslaggevers angstig te maken en daarmee onze vrijheid inperken om nieuwswaardig gedrag onder de aandacht te brengen. Dat laat ik niet gebeuren.”

Wat doe je met dat soort reacties?

“De mensen die een vervelende of bedreigende toon aanslaan, en het op de man spelen, zet ik op mute of ik block ze helemaal.”

Wat voor dingen vind jij vervelend genoeg voor een mute of block?

“Mensen die me plat spammen met Infowars-achtige theorieën. En overduidelijke bots. Beledigingen. Het is fascinerend en ergens ook wel vrij triest dat veel van de mensen die boos op mij zijn ook mijn geaardheid erbij halen. Ik geef zelden iets door aan de politie of aan Twitter, behalve die ene keer dat iemand zei ‘die vieze flikker moet dood’.”

Waarom blijf je ondanks die stroom aan negatieve reacties actief op Twitter?

“Ik weet dat er genoeg mensen zijn die mijn werk waarderen. Ik heb niet voor niets meer dan 100.000 volgers. Daarnaast is Twitter voor mij een heel goed middel om zelf informatie te verkrijgen. Ik zit nog steeds graag op Twitter.”

Volg Erik Mouthaan op Twitter.

Alexander Pleijter

Het artikel Erik Mouthaan (RTL Nieuws): “Twitteraars en bots zijn bewust bezig verslaggevers angstig te maken” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Emil van Oers over de uitlegvideo’s van NOS op 3: “Dat is echt mijn kindje”

Interview met een verteller die van uitleggen houdt

Emil van Oers vindt dingen uitleggen het leukste wat er is. Hij is dan ook niet voor niets redacteur, verslaggever en presentator bij NOS op 3. “Ik vind het vooral leuk om dat op een laagdrempelige en creatieve manier te doen, zodat je een groot publiek kunt bereiken, maar ook zodat mensen het nieuws vervolgens beter begrijpen.”

Op weg naar Hilversum gooit hij maandagochtend vast zijn eerste verhaalideeën op communicatieplatform Slack, net als de rest van het redactieteam. Eenmaal aangekomen in het NOS-gebouw is het tijd om de verhaalideeën te pitchen. “Wat hebben we nodig? Wat moeten we daarvoor doen?” Op maandag zet de redactie alle lijntjes uit voor de rest van de week. En zo ontstaan de eerste elementen voor een videoproductie.

Geen presentator, wel een verteller

Voor Emil is het geen kleinejongensdroom geweest om verslaggever of presentator te worden, maar journalistiek zat wel altijd al in zijn achterhoofd. Uiteindelijk begon hij in 2008 met de master Journalistiek in Groningen en is hij serieus het vakgebied ingedoken. Inmiddels is Emil hét gezicht van de uitlegvideo’s – de explainers – van NOS op 3. Maar dat is per toeval ontstaan. Na de start van NOS op 3 kwam de redactie er al snel achter dat het in sommige verhalen prettiger is om een verteller in beeld te hebben.

“Soms moet je gewoon wat in de camera vertellen, want dan kan je de boodschap beter overbrengen en een grapje maken. De toegevoegde waarde van vertellers in beeld is online net zo groot als op tv.” NOS op 3 laat dan ook niet voor niets steeds meer mensen in beeld. Steeds vaker vertellen redacteuren in de video’s hoe zij het journalistieke proces hebben doorgemaakt. “Het gaat daarbij dus niet zozeer om een rol als presentator, maar om een rol als verteller.”

Gewoon kwaliteit

Hoewel NOS op 3 eerst ook tv-programma’s maakte, heeft de redactie al snel de focus gelegd op online. “Sinds we zijn overgestapt naar online, is het als een trein gegaan. Je hoeft je dan bijvoorbeeld ook niet meer per verhaal aan maximaal twee minuten uitzendtijd te houden, dus we zijn gaan experimenteren en gaan kijken wat er werkt.” Zo was bijvoorbeeld het verhaal over klimaatvluchtelingen een bevestiging om door te gaan met de explainers. “Dat was de eerste keer dat zo’n verhaal echt booming ging. Die video is iets van 2,5 miljoen keer bekeken op Facebook. Voor ons was dat zoiets van: oké, deze verhaalvorm werkt, we maken inhoudelijk een punt en het is een eye opener voor het publiek.”

Ook inhoudelijk zijn de producties veranderd sinds de focus op online ligt. “Met het tv-programma waren we bezig om met het nieuws mee te gaan. Nu houden we ons bezig met andere relevante zaken die wel met actualiteit te maken hebben, maar niet per se hard eerstelijnsnieuws zijn. We merken dat mensen toch wel aan nieuws komen. Wij zijn er om meer context te bieden bij dat nieuws. En daarmee zijn we echt een toegevoegde waarde voor onze doelgroep en binnen het medialandschap.” Nu bereikt NOS op 3 met zijn online focus namelijk de doelgroep van twintigers en dertigers, in plaats van de veertigers die tv kijken.

Bij NOS op 3 vond er dan ook een duidelijke verschuiving plaats van tv-denken naar online-denken. Tegenwoordig plaatst de redactie zo’n drie à vier video’s per week op het YouTube-kanaal, maar dit is minder dan voorheen. “Het jongerenpubliek is niet meer zo geïnteresseerd in kwantiteit. Die willen gewoon kwaliteit. En dat kost tijd.” Voor NOS op 3 is het dan ook belangrijk om gehoor te geven aan die behoeften van de doelgroep. Commentaren worden bijgehouden. Volgers worden bedankt. “We vragen ons publiek ook welke verhalen zij willen horen. En dat levert steeds meer reacties en vruchtbare ideeën op.”

Controlfreak binnen een veranderlijk vak

De explainers zijn voor NOS op 3 nu een een vaste rubriek geworden. “Dat is echt mijn kindje.” Emil voelt zich dan ook erg verantwoordelijk voor de producties. “Ik ben echt een controlfreak wat dat betreft. Ik wil het onderzoek zelf doen, de teksten zelf schrijven en de animaties zelf bedenken.” Uiteraard gaat dat niet zonder hulp. “Zowel intern als extern schakelt NOS op 3 deskundigen in om ervoor te zorgen dat alles inhoudelijk honderd procent klopt. Bovendien komt de vormgever regelmatig met betere ideeën over de animaties dan die ik had. Maar uiteindelijk wil ik wel alles onder controle houden.”

Inmiddels weet Emil ook dat het veranderlijke journalistieke vak niet uit een boek te leren valt. “Veel van wat ik op mijn studie had geleerd over storytelling kon ik meteen vergeten. Journalistiek is geen exacte wetenschap. Elke redacteur heeft een andere mening en dat kan per verhaal verschillen. Je wil graag alles in beton gieten, maar dat kan gewoon niet. Journalistiek is heel veranderlijk. En zeker NOS op 3.”

De vraag is dan ook hoe NOS op 3 er over tien jaar uit zal zien. “Ik denk dat wat wij nu doen over tien jaar veel meer gemeengoed is over de hele breedte van de NOS.” Want NOS op 3 mag steeds nieuwe vormen van online journalistiek uitproberen. Of het nu gaat om het gebruik van grafische middelen, uitlegmethodes en een andere manier van filmen. “Wij hebben alle vrijheid om te experimenteren.” En wat lukt, wordt uiteindelijk ook op hoger niveau doorgevoerd. “Ik hoop dat NOS op 3 het kleine broertje blijft van de NOS, maar ook wel een kweekvijver voor nieuw talent en nieuwe vormen van journalistiek.”

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl, de portfoliowebsite van masterstudenten Journalistiek en Nieuwe Media van de Universiteit Leiden.

Kelly van Zuijdam

Het artikel Emil van Oers over de uitlegvideo’s van NOS op 3: “Dat is echt mijn kindje” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Jesse Frederik (De Correspondent): “Ik ben wel meer van het lekker zeiken”

Interview met een rebelse onderzoeksjournalist

Jesse Frederik. Foto: Charlotte Klein©.

Op opleidingen hield hij het nooit lang uit. Maar toen hij besloot om journalist te worden, wist hij al snel De Tegel te winnen, met zijn leermeester Eric Smit. Na zijn overstap naar De Correspondent sleepte hij de aanmoedigingsprijs van De Loep binnen. Het rebelse blijft: ‘Aan een hbo-journalistiek heb je volgens mij geen reet.’

Bij binnenkomst zit Jesse Frederik nog het laatste hapje van zijn ontbijt te eten. We hebben afgesproken bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde, zo’n 100 meter naast het oude pand van De Correspondent. Frederik slaapt daar sinds kort op de oude ICT-afdeling en drinkt af en toe bier met de huurbaas die ook in het pand woont.

Interviews geven is niet iets wat hij graag doet. ‘Ik vind het moeilijker om over mezelf te praten dan over een echt onderwerp. Maar het is prima.’

Ooit begon hij als broekie bij Follow the Money (FTM), vervolgens werd hij vaste columnist bij de Groene Amsterdammer en nu is hij al enige tijd een bekend gezicht bij De Correspondent. In 2013 won hij samen met Eric Smit de journalistieke prijs De Tegel en afgelopen april ontving hij de aanmoedingsprijs van De Loep. Hij heeft geen journalistieke studie gevolgd.

Een gemis?

‘Oh nee dat denk ik echt niet. Beetje lullig om te zeggen misschien, maar bij De Correspondent werkt geloof ik één persoon die wel journalistiek heeft gestudeerd.’

Even later nuanceert hij: ‘Die master is misschien wel anders. Aan een hbo-journalistiek heb je volgens mij geen reet. Uiteindelijk komt het er toch op neer dat je het heel vaak moet doen en dan word je beter.’

Toch merk je als aankomend journalist dat er vaak om een dergelijk papiertje wordt gevraagd.

‘Dat is bullshit van de werkgevers, van die kranten, die denken dat iemand een papiertje nodig heeft voordat-ie iets kan. Dat was voor mij een voordeel bij FTM. Dat was zo’n anarchistische club. Ze hadden een vacature voor economiestudenten die passie voor het onderwerp hadden. Ik stuurde: “Ik ben geen economiestudent, ik heb niks gedaan, maar ik vind het wel leuk.” Toen zei FTM-hoofdredacteur Eric Smit: “Kom maar hier zitten.” Dan heb je in een keer wel journalistieke ervaring. En omdat het derde verhaal dat ik schreef die Tegel won, dan nemen in een keer al die hoofdredacteuren je wel serieus. Terwijl ik dacht: ik ben heus niet zo veel anders dan een half jaar geleden.’

Ik las dat je journalist wilde worden omdat je in je moeders kelder zat en je boos was en je wat wilde veranderen.

‘Ik mag van mijn moeder nooit meer zeggen dat het een kelder was, want dat was helemaal niet zo. Ik zat op één hoog op een kamer met een balkon, maar de gordijnen zaten vaak dicht dus het voelde als een kelder. Het was niet echt een plan ofzo. Ik moest echt wat doen, anders werd mijn moeder boos. Dus het was niet alsof ik er heel erg naar toe heb gewerkt om journalist te worden. Ik had geen werk en weer zo’n opleiding die gefaald was en ik vond economie heel erg leuk. Ik dacht: misschien ga ik later weer een opleiding doen, maar voor nu, voor het komende jaar ga ik dit doen.’

Want je had filosofie geprobeerd en de lerarenopleiding geschiedenis?

‘En pedagogiek.’

Waarom besloot je weg te gaan bij Follow the Money?

‘Toen, maar dat is nu wel minder, was het elke maand van: gaan we het overleven? Daarnaast waren we anders van insteek. FTM was meer van: we gaan deze persoon bij de knieën afzagen. Eric heeft dat sowieso heel erg. Hij loopt de kooi met iemand in en dan wil hij gewoon winnen. Ze hebben bij FTM de veronderstelling dat er heel veel kwaadwillende mensen in de wereld zijn en dat de oplichter elke keer om de hoek zit.

Waar ik steeds meer achter kom, is dat het vaak helemaal niet een zaak van kwaadwillendheid is, maar gewoon van “Goh, zo had ik er nog niet over nagedacht”. Het is vaak een beetje stupide waardoor slechte dingen in de wereld gebeuren, het is niet allemaal een soort complot. Ik denk dat veel grote onderwerpen zich niet lenen voor die kijk op de wereld. Verder is mijn grootste gebrek nooit de inhoud geweest, maar hoe ik het opschrijf. Bij FTM kunnen ze ook niet schrijven, dus daar werd ik niet beter van. Ik was heel loyaal geweest aan Eric omdat hij mij gered heeft, maar ik ging er niet vooruit.’

Moet FTM dan niet wat van De Correspondent leren?

‘Ja, maar Rob Wijnberg lanceert zo’n medium en zegt: “Hope and change. Je hebt geen idee wat het gaat worden, maar betaal maar.” Dan heeft hij ineens 18 duizend leden en dan kan je ook echt wat neerzetten. FTM heeft het probleem dat ze al langer bestaan. Dus iedereen denkt: “Oké, ga ik dan nu betalen voor dit?” Rob had gewoon in één keer uit het niks heel veel geld en kon een beeldredactie en een eindredactie betalen.’

Hoe vind je het werken bij De Correspondent?

‘Ten eerste groeien we, dat is leuk. Verder zitten we met een leuke club van mensen die allemaal wel echt dingen kunnen en die het werk ook leuk vinden. En gewoon alles wat je verzint, kan in principe wel. Ik zei een keer: “Kom Rutger, we gaan een podcast opnemen.” En dat zijn we toen gewoon gaan doen. Dat kan allemaal en daar hoeven niet honderd meetings met acht mensenlagen aan vooraf te gaan, want er is geen management. Ik denk niet dat zoiets kan bij de Volkskrant. Het is bij ons nog niet dicht gebureaucratiseerd.’

Vind je het niet lastig dat je niet buiten je correspondentschap economie kan schrijven?

‘Er is geen correspondentschap. Bij economie kan je alles erin flikkeren. Nu schrijf ik over het parkeerbeleid in Amsterdam. Parkeerbeleid, is dat economie? Geen haan die daarnaar kraait bij De Correspondent, zolang je maar een goed stuk schrijft.’

Voel je na een onderwerp waar je boos over wordt, de behoefte om te schrijven over een wat lichter, positiever onderwerp?

‘Ik ben wel meer van het lekker zeiken, ik denk dat dat sowieso wel een kwaaltje van journalisten is. Dat je vaak de lelijke dingen ziet.’

Je collega Rutger Bregman schrijft, wat positiever toch?

‘Ja, precies en ik bied daar een gezond tegengewicht aan. Hij is nu in Brazilië het deugd-evangelie aan het verkondigen. Maar het is niet alsof ik me ervan bewust ben, van: ‘Goh, nu weer iets vrolijks.’ Voor mij is parkeerbeleid lichte stof, want uiteindelijk gaat niemand hier echt van naar de klote. Ik ga nu niet tegenover iemand zitten die kapot is van de stress en zijn huis uit is geflikkerd en dakloos is. Dat is zwaar. Parkeerbeleid is licht verteerbare journalistiek.’

Krijg je wel eens negatieve reacties?

‘Tuurlijk.’

En bedreigende reacties?

‘Nee joh, ik schrijf toch niet over hoofddoekjes.’

Ik heb geen idee hoe snel je een bedreigende reactie krijgt als journalist.

‘Nou ja, ik ga nu over parkeerbeleid schrijven, dus misschien wordt dat de eerste doodsbedreiging. Na mijn artikel over blockchain waren mensen wel boos, maar niet echt boos. Het was meer van “Wat een onzin”, maar niet van “Ik weet waar je woont”.’

Denk je niet dat dat ligt aan het feit dat het bij de Correspondent ‘preaching to the choir’ is? Heb je niet soms bij een stuk dat je het wil schrijven voor een wat diverser publiek?

‘Het is wel waar wat je zegt, het zijn allemaal wel linkse mensen die De Correspondent lezen. Maar die stukken worden ook wel in bredere kring gelezen als het gewoon goed geschreven is. Dan haalt zo’n stuk 200, 300 duizend lezers. Maar misschien zijn dat ook allemaal linkse mensen.’

En hoe bereiken jullie dan mensen die zich niet als heel erg links profileren?

‘Ik denk dat het altijd wel een beetje in de taal zit. Ik kan me voorstellen dat als je gaat zeggen van “We gaan de straatnaamborden veranderen in vrouwennamen,”, je al 80 a 90% van de mensen kwijt bent. Dat klinkt gewoon heel erg linksig. Ik probeer in mijn stukken niet allemaal van die linkse signaalwoorden te gebruiken als ‘neoliberalisme’ en ‘marktwerking’. Ik probeer het gewoon zo concreet mogelijk te houden. Het hoeft niet per se linksig te klinken. Maar ja, misschien is de onderwerpkeuze dat dan wel al.’

En het medium zelf niet ook al?

‘Ja het medium zelf ook, maar goed daar kan ik niet zo veel aan doen. Ik probeer het te vermijden, maar ik doe het natuurlijk ook wel denk ik.’

Jullie trekken wellicht wel een breder publiek met de acties die jullie koppelen aan jullie onderzoek. Vinden jullie collega’s dat interessant of zijn ze meer van: Waar zijn jullie mee bezig?

‘Die vinden dat helemaal niks, maar dat hoeft ook niet. Ik merkte bijvoorbeeld bij het manifest schuldvrij dat andere journalisten de hele tijd gingen vragen: “Kan dat wel als journalist?” En niet over de inhoud van heel die campagne, terwijl iedereen in andere beroepsgroepen er geen enkel probleem mee had. Die hadden meer van: “Vertel, wat ga je doen?” Voor journalisten is het bizar allemaal en die denken dan: “Gaan mensen je nog wel vertrouwen? Krijg je dan geen problemen?” Maar dat is niet zo. Sterker nog, de deuren gaan alleen maar open. Ze willen juist met mij praten. Dus dat hele gevaar dat zij zien – dat je ongeloofwaardig wordt voor bronnen – is er niet. Het werkt juist heel goed dat wij de ‘hoe’ aandragen.’

Je bent eigenlijk altijd best wel eerlijk in interviews. Ik las bijvoorbeeld dat je had gezegd dat jij en Eric Smit gingen blowen voordat je De Tegel ging ophalen

‘Daarna! Daarna.’

…maar heb je daar wel eens problemen mee gehad?

‘Nou ja, soms. Soms ook wel eens dingen die ik over De Correspondent zeg. Dan zegt Rob Wijnberg: “Moet dat nou?” Maar eigenlijk niet echt problemen.’

En als het over personen gaat? Want bij de Rudi & Freddie Show noemen jullie mensen vaak bij naam en zeggen julile vaak ook wat jullie van die personen vinden.

‘Nou, andere media hebben sowieso wel een hekel aan ons, dus dat is meer een soort van gegeven. Bij mensen leert de ervaring dat het uiteindelijk ook wel weer grappig kan zijn. Ik kan het niet helemaal uitleggen, maar diegene weet dat je dan niet zo onder de indruk bent. Ik heb er nooit echt last van. Maar misschien wordt het een probleem als ik hier ooit ontslagen wordt. Mensen denken dat je niet negatief kan zijn over mensen, maar volgens mij kan dat best wel. Ik heb zelden dat deuren echt dicht gaan. Je moet er toch ook een beetje de humor van inzien?’

Maar jij doet het ook met humor. Niet iedereen kan dat, of doet dat.

‘Ja, hopelijk. Ik had wel eens bij een schuldig-ding dat ik had gezegd dat een man praatte als een wandelende dagvaarding. Hij had dat gelezen en vond het erg leuk. Daarna hebben we gewoon een biertje gedronken en daarna heeft hij nog enorm geholpen met schuldvrij. Zo kan het ook.’

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl, de portfoliowebsite van masterstudenten Journalistiek en Nieuwe Media van de Universiteit Leiden.

Links uit dit interview

Charlotte Klein

Het artikel Jesse Frederik (De Correspondent): “Ik ben wel meer van het lekker zeiken” verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Succes met je content: bij Schiphol is relevantie het toverwoord

Conversiepercentages, social shares en interactiecijfers vliegen je om de oren als je door de gangen van het Schipholgebouw loopt. Hier huist het team dat de content voor de luchthaven maakt – van blogs en webpagina’s tot video’s en social posts. ‘Door in te spelen op behoeftes, maak je écht contact via je content.’ Copy & […]

Voormalig Marokko-correspondent Sjoukje Rietbroek: “Ik was correspondent voor de NOS, maar kon geen televisie maken”

sjoukje rietbroek

Freelancer Sjoukje Rietbroek (36) sloot eind vorig jaar haar 4-jaar durende correspondentschap in Marokko af. Haar beweegreden om te stoppen had echter niet met geld te maken, maar met een onwerkbare situatie in Marokko. ‘Toch leent het land zich ontzettend goed om buiten je kaders te denken.’

Je bent rond je 30ste begonnen in de journalistiek. Waarom wist je toen pas dat je journalist wilde worden?
‘Ik had een paar kantoorbanen achter de rug, maar dat was het allemaal niet. Ik zat er niet op mijn plek. Daarom besloot ik een carrièrecoach in de armen te nemen en die vroeg op een gegeven moment aan mij waarom ik hier op aarde was. Wat een stomme vraag, dacht ik. Toch ging ik er over nadenken.

Een tijd later ging ik met twee vriendinnen naar Marokko. We reden met een autootje midden door het Atlasgebergte en in die middle of nowhere kwam het besef: dit is het. Ik wil deze wereld ontdekken en ik wil mensen hierover vertellen. Met dat idee ben ik teruggegaan naar Nederland. Ik heb hier nog een competentietest gedaan en daaruit bleek dat schrijven een sterk punt van mij was. Zo ben ik op journalistiek gekomen en begon ik in 2010 aan de journalistiekopleiding van Fontys in Tilburg. Die deed ik overigens naast mijn kantoorbaan, al stond destijds eigenlijk al vast dat ik correspondent zou worden in Marokko.’

Dat werd je uiteindelijk in november 2013. Wat deed je in de tussentijd?
‘In 2011 had ik er één studiejaar op zitten en had ik mijn propedeuse gehaald. Toen vond ik dat ik het wel kon. Ik zei mijn vaste baan op en ging ik freelancen. Toevallig kende ik iemand die bij het Brabants Dagblad werkte. Hij had in de gaten dat het een stom plan van mij was om direct te gaan beginnen, dus hij zei: ‘Sjouk, misschien moet je eerst even een tijdje bij ons komen werken op de digidesk.’ Dat heb ik gedaan.

In de periode dat ik bij Brabants Dagblad werkte, kwam bij BN de Stem een functie vrij voor verslaggever in Roosendaal. Daar heb ik op gesolliciteerd en ben ik aangenomen. Maar bij Wegener was er op een gegeven moment een ontslagronde, waar ik de dupe van werd. Dat zag ik overigens al wel aankomen, want ik had geen vast contract.

Na mijn ontslag had ik nog één jaar studie te gaan. Ik nam mezelf voor naar Marokko te gaan als ik mijn studie had afgemaakt en mijn Frans had bijgespijkerd. Daar had ik mooi dat ene jaar nog voor. Maar precies op dat moment benaderde Rik Goverde, een oud-collega van het Brabants Dagblad, mij. Hij wist dat ik hem het een en ander over Marokko kon vertellen en wilde informatie over het land. Hij overwoog namelijk om daar correspondent te worden, aangezien de vorige correspondent, Ellen van de Bovenkamp, al een tijd het land uit was.’

Maar Marokko-correspondent worden was toch jouw droom?
‘Ja, precies, dat wilde ik juist. Daarom besloten Rik en ik dat we allebei correspondent in Marokko zouden worden. Hij ging in oktober naar het land en ik een maand later. Opvallend was dat Ellen van de Bovenkamp al in januari was vertrokken uit Marokko. Er heeft dus in 2013 negen maanden lang geen Nederlandse correspondent in het land gezeten! En vanaf november van dat jaar werden dat er dus ineens twee.

Rik en ik vonden dat we beter collega’s konden zijn in plaats van concurrenten. Daarom hebben we samen een aantal media benaderd toen we nog in Nederland waren. Die zeiden eigenlijk allemaal hetzelfde: kom maar met een voorstel en dan zien we wel wat we er van vinden. Uiteindelijk werd Rik de correspondent voor onder andere NRC en AD en ging ik voor Trouw en NOS verhalen maken. Zo zouden we elkaar niet in de weg zitten.’

En de studie in Tilburg dan?
‘Die heb ik nooit meer afgemaakt. Ik wilde het eigenlijk in Marokko afmaken, maar in het eerste jaar komt er zoveel op je af dat afstuderen er gewoon niet meer tussen past. Daarnaast liep ik al wat langer met een studieachterstand, dus ik besloot de studie te laten varen en ben ik mij gaan richten op mijn carrière als correspondent in Marokko.’

Dat heeft je geen windeieren gelegd.
‘Ik had het geluk dat ik in mijn eerste maanden direct aan de slag kon. Er gebeurt heel veel in Marokko dat ook interessant en relevant is voor Nederland. Zo is het al een lange tijd onrustig in het Rifgebied. Wat dat betreft heb ik qua werk een enorme luxepositie gehad in de vier jaar dat ik in Marokko zat, zeker als je het vergelijkt met Nederlandse correspondenten elders op de wereld. Ik heb nooit tekort aan werk gehad en ik heb daarom nooit andere klussen moeten doen om rond te komen. Daarnaast was er weinig concurrentie, helemaal toen Rik in 2015 het land werd uitgegooid.’

‘Het blijft onduidelijk waarom, maar ik denk dat zijn uitzetting het gevolg was van het werk dat hij in Marokko deed. De autoriteiten waren niet zo blij met hem. Hij zette het systeem een beetje onder druk en ging vaak net naar plekken waar hij liever niet gezien werd. Al in een van zijn eerste verhalen ging hij naar een dorp vlakbij de grens bij Algerije. Daar wilde hij een verhaal over smokkelen maken. Voordat hij überhaupt aan zijn verhaal kon beginnen, werd hij van de markt geplukt en kon hij al zijn spullen inleveren. Dat soort akkefietjes met de autoriteiten maakte hij wel vaker mee.

Voor zijn laatste verhaal was hij naar het Rifgebied gegaan voor een verhaal. Dat verhaal had geloof ik met geradicaliseerde jongeren te maken die naar Syrië trokken. Hij had het nog niet eens gepubliceerd of hij werd op straat opgepakt. Dezelfde avond nog zat hij op de boot naar Spanje en hij zou niet meer terugkeren: een rode stempel in zijn paspoort.

De officiële lezing is overigens dat hij zonder persvergunning aan het werk was, maar dat was ik in het overgrote deel van mijn periode in Marokko ook. Ik heb in die vier jaar tijd maar ongeveer zeven maanden mijn perskaart gehad. Zo’n kaart bemachtigen was in Marokko echt een enorm gedoe.’

Kon je dan wel verhalen maken?
‘Zonder perskaart was het gelukkig wel mogelijk om stukken te schrijven en radio te maken. Ik kon alleen niks voor de tv doen. Op het moment dat ik een camera tevoorschijn toverde, kwamen er mannen op mij af die mij om mijn perskaart vroegen. Die had ik dus niet. Ik was dan wel de correspondent voor de NOS, maar ik kon geen televisie maken. Daarnaast had ik zonder perskaart niet de mogelijkheid om met een official in gesprek komen. Ik kon – als ik bijvoorbeeld een verhaal over de onrust in het Rifgebied maakte – alleen met activisten praten. Dat maakte het erg lastig.’

Hadden die moeilijkheden met een perskaart ermee te maken dat je freelancer was?
‘Dat zou mee kunnen spelen. Als Rik en ik een afspraak hadden, vroegen ze op het ministerie wie ze ter verantwoording konden roepen wanneer we iets zouden publiceren wat niet kon. Als ik vast in dienst zou zijn, zou Marokko sancties kunnen opleggen aan dat medium of het medium in ieder geval ter verantwoording kunnen roepen. Nu kon dat niet, althans dat vonden zij.

Ik was het daar niet mee eens. De NOS en Trouw zijn er niet bij gebaat als ik dingen zou opschrijven die niet kloppen. Daar willen ze ook gewoon gedegen journalistieke stukken ontvangen. Als ik niet integer ben, raak ik mijn freelancefunctie kwijt, zei ik dan, maar die uitleg leken ze vaak niet te begrijpen. Daarnaast is er in Marokko nog wel wat mis als we kijken naar persvrijheid. Dat zal ik nooit goedpraten, maar ik snap ook wel weer waar dat vandaan komt. Er heerst nog steeds veel angst voor opstanden en onrust in het land.

Bovendien hadden die moeilijkheden met een perskaart ook nog een hele andere reden. In 2014 gaven Rik en ik een duo-interview voor debuitenlandredactie.nl. Daarin zeiden we onder andere dat we in de gaten gehouden werden door de autoriteiten als we met ons vak bezig waren. Een Marokkaanse Belg had dat interview gelezen en hij was erg boos over wat we hadden gezegd. Hij vond blijkbaar dat we leugens hadden verteld. Maar in alle eerlijkheid zijn het geen leugens. Je wordt in Marokko in de gaten gehouden als je journalist bent.

Om wraak te nemen fabriceerde die Marokkaanse Belg een vraag-antwoordinterview met mij, terwijl ik hem nooit heb gesproken. Aan dat interview voegde hij toe dat ik vond dat in Marokko een milieu heerst dat IS ondersteunt. Voor de duidelijkheid: dat vind ik dus niet. Het interview werd op de meest gelezen online nieuwssite van Marokko geplaatst. Nadat ik de autoriteiten heel vaak heb uitgelegd dat ik die man nooit had gesproken en dat ik sommige dingen nooit had gezegd, ontving ik in het voorjaar 2016 nog wel even een perskaart en ondertussen liep mijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Toch merkte ik dat het vertrouwen in mij geschaad was.’

Hoe merkte je dat?
‘Toen mijn perskaart in januari 2017 verliep, probeerde ik een nieuwe aan te vragen. Daarnaast liep toen nog steeds mijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Die had ik na meer dan een half jaar nog steeds niet gekregen. Terwijl beide aanvragen liepen, ging ik voor een verhaal naar het Rifgebied. Daar had ik een interview met Nasser Zafzafi, een van de leiders van de opstand die daar destijds aan de gang was.

Nog voordat ik dat interview had afgenomen, werd ik gebeld door het politiebureau van Rabat: of ik na mijn reis even langs wilde komen in verband met mijn verblijfsvergunning. Die bleek geweigerd te zijn en ik had twee weken om het land te verlaten. Ik kon wel terugkomen als toerist.

Ik probeerde daarna nog wel een perskaart te bemachtigen, maar ik werd van het kastje naar de muur gestuurd. Telkens als ik door het ministerie van communicatie werd gebeld zeiden ze dat ze nog geen nieuws hadden. Toen ik op gegeven moment voor de zoveelste keer werd gebeld zonder nieuws, dacht ik: zoek het maar uit. Ik heb veel te veel in mijn mars om hierop te wachten en ik besloot mijn werk in Nederland voort te zetten.’

Wat voor werk is dat?
‘Ik fix nog steeds voor televisieprogramma’s die in Marokko willen filmen, zoals ik heb gedaan voor Kaaskop of Mocro of De Gevaarlijkste Wegen van de Wereld.

Daarnaast organiseer ik studentenreizen naar Marokko. Studenten journalistiek van de onderwijsinstelling Windesheim in Zwolle gaan elk jaar naar Marokko en ook bij Fontys maken studenten aardrijkskunde ieder jaar een reis naar het land. Ik vind het heel belangrijk dat ik dat blijf doen, want wij kunnen veel leren van Marokko. Het land leent zich heel goed om buiten je kaders te denken.

Ik dacht ook dat ik buiten mijn kaders dacht toen ik naar Marokko ging, maar al snel bleek hoe vastgeroest ik zat. Ik heb geleerd dat het belangrijk is dat je begrijpt dat de zaken in andere landen niet hetzelfde geregeld hoeven te zijn als in Nederland. Wij kunnen daar een mening over hebben, maar soms is het nu eenmaal zo. Dat er in Marokko nog genoeg dingen fout gaan, daar ben ik het mee eens, maar het is van belang om ook begrip te hebben waarom dat zo is. Dat probeer ik anderen bij te brengen.’

Hoe doe je dat?
‘Ik gebruik vaak het volgende voorbeeld. Voor Marokkanen geldt de regel dat zij tijdens de ramadan niet in openbare ruimtes mogen eten, drinken of roken. Als je de regel schendt heb je de kans dat je wordt veroordeeld tot drie tot zes maanden cel. En dat gebeurt ook nog wel eens. Voor mij was dat een opvallend onderwerp en daar heb ik tijdens de eerste ramadan dat ik in Marokko was dan ook een verhaal over gemaakt voor Trouw. Dat verhaal ging specifiek over activisten die het recht wilden hebben om te eten tijdens de ramadan waar en wanneer ze dat wilden.

Ik heb gaandeweg mijn tijd in Marokko gemerkt – door er met veel Marokkanen over te praten  – dat eigenlijk iedereen die wet niet raar vindt. Hoe meer ik erover na ging denken, hoe meer ik dat ook vond. Je zou het kunnen vergelijken met een groep mensen die in Nederland naakt over straat wil lopen. Als je morgen gaat demonstreren en expres naakt over straat gaat lopen, komt er waarschijnlijk ook een agent langs die jou meeneemt en je vertelt dat dat niet de bedoeling is. Afgezien van een enkeling, is iedereen het daar in Nederland mee eens.

Op dezelfde manier hebben ze in Marokko afgesproken dat het erg respectloos is om de regels tijdens de ramadan te schenden. Dan kun je er nog van vinden wat je wil – zo vind ik zelf dat iedereen het recht heeft om te bepalen wanneer en wat hij of zij eet, ook tijdens de ramadan – maar dat is mijn mening. Dat betekent niet dat ze in Marokko die mening maar moeten delen.’

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl.

Lees ook het interview met oud-Argentinië-correspondent Peter Scheffer: “Nederlandse media willen voor een dubbeltje op de eerste rij zitten”

The post Voormalig Marokko-correspondent Sjoukje Rietbroek: “Ik was correspondent voor de NOS, maar kon geen televisie maken” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Oud-Brazilië-correspondent Katy Sherriff: “Iedere maand moest ik bekijken of ik het financieel gezien zou gaan halen”

katy sherriff

Afrika-correspondent Niels Posthumus vertelde in dit interview dat sommige freelancecorrespondenten stoppen met hun vak, omdat ze te lage vergoedingen voor hun werk ontvangen. Freelancer Katy Sherriff (36) was vijf jaar lang correspondent in Brazilië voor veel verschillende media, waaronder Trouw, BNR Nieuwsradio, de BBC en de VRT, tot ze eind vorig jaar terug naar Nederland keerde. Ze is trots op wat ze in die vijf jaar heeft bereikt: ‘Collega’s met vastere posities vertelden me wel eens dat ze mij bewonderden, omdat ik zoveel ballen tegelijk in de lucht kon houden.’

‘Wat leuk dat je Niels al eerder hebt geïnterviewd. Ik heb hem via Facebook leren kennen en ik heb regelmatig contact met hem via Facebook Messenger. Heeft hij je daarover verteld?’

Dat weet ik even niet meer, het is al een tijd geleden dat ik hem sprak.

‘Nou, rond de tijd dat ik in Brazilië begon – dat was in 2012 – is een aantal correspondenten een besloten groep op Facebook gestart voor correspondenten. Daar zijn in de loop van de tijd steeds meer correspondenten bijgekomen. Het was erg fijn om zo’n groep te hebben, want je kon met collega’s over de hele wereld praten die met vergelijkbare dingen worstelden als jij.

Het correspondentschap is heel interessant en heeft iets romantisch: je bent een echte veldwerker en gaat op pad om het vreemde te ontdekken. Maar daarnaast is het ook een eenzaam beroep. Je moet jezelf constant blijven motiveren om ideeën te bedenken en te pitchen. Daarom was die groep op Facebook zo fijn. We konden niet alleen tegen elkaar zeggen waar we mee worstelden, maar we konden elkaar ook vertellen wat we meemaakten. Daarnaast gaven we elkaar advies bij aanbiedingen van opdrachtgevers. Het werd een soort vertrouwelijke koffieclub en daar heb ik leuke contacten aan overgehouden, waaronder Niels dus. Sommige contacten heb ik overigens nog nooit in het echt ontmoet. Dat is eigenlijk wel gek.’

Is dat niet een beetje wat correspondenten missen, een gezamenlijk vereniging waar zaken collectief geregeld kunnen worden?

‘Daar heb ik het wel eens met collega’s over gehad. Freelancers in het buitenland – en veel correspondenten zijn natuurlijk freelancer – kunnen zich niet aansluiten bij een broodfonds. Dat maakt je best kwetsbaar en dat ben je sowieso al in het buitenland. Daarom hebben we wel gekeken om iets gezamenlijks op te richten, maar dat is nooit van de grond gekomen. De reden daarvoor is dat het correspondentenlandschap erg divers is. De een doet er ander werk naast, de ander werkt voor maar één opdrachtgever – en kan zich voldoende redden – en weer een ander is echt freelancecorrespondent. Dat maakt het ingewikkeld om een club op te zetten.

Dat zoiets er nog niet is, vind ik wel een gemis, want ik vond de contacturen met collega’s heel fijn. Toen Trouw op een gegeven moment een van mijn opdrachtgevers werd, kreeg ik voor het eerst een uitnodiging voor een correspondentendag. Zo’n dag organiseerde de krant wel eens voor hun correspondenten. Het is ontzettend leuk om daar bij te zijn en dat is niet alleen omdat je collega’s uit andere landen kan ontmoeten en herkenbare zaken kan bespreken. Door zo’n uitnodiging krijg je namelijk ook het gevoel dat je bij een club hoort, ook al ben je freelancer. Het is jammer dat ik dat niet bij meer media heb gehad. Ook wel begrijpelijk, want ik werkte toch veelal voor wat kleinere spelers.’

Hoe ben je eigenlijk correspondent geworden?

‘Ik werkte vanaf 2006 als buitenlandredacteur op de radioafdeling van de NOS tot ik in 2009 voor de VPRO bij het radioprogramma Bureau Buitenland aan de slag ging. In 2012 liep mijn derde jaarcontract af en wist ik dat ik geen vast contract aangeboden zou krijgen. Er waren namelijk bezuinigingen op komst bij de omroep, dus ik zou zonder werk komen te zitten.

Inmiddels had ik al redelijk wat ervaring opgedaan bij de NOS en de VPRO in de buitenlandjournalistiek. Ik had altijd al de droom om correspondent in Latijns-Amerika te worden, dus het was voor mij het geschikte moment om te gaan. Dat neemt niet weg dat ik geen idee had hoe het me in Brazilië zou vergaan. Daarom ben ik in eerste instantie voor een half jaar op proef gegaan. Ik wilde even afwachten of het me beviel en daarna zou ik nog wel zien.’

Uiteindelijk heb je van dat half jaar vijf jaar gemaakt.

‘Toen het half jaar verstreken was, vond ik dat nog niet klaar was in Brazilië; ik begon pas net. Gelukkig zag mijn man – toen nog mijn vriend – een avontuur in Brazilië ook wel zitten. Hij was na drie maanden op bezoek gekomen en hij vond Brazilië net als ik een interessant land. Mijn man is muzikant en hij had in het verleden al eens in een Braziliaanse band gespeeld, dus de feeling met het land was er bij hem ook. We hebben nog anderhalf jaar een latrelatie gehad, voordat hij zich uiteindelijk bij mij voegde.’

Wat maakt Brazilië zo bijzonder?

‘Op mijn achttiende ben ik naar Paraguay geweest om vrijwilligerswerk te doen. Daarna heb ik nog een maand door Brazilië gereisd en het land sprak mij direct aan. De geuren, de kleuren, de mensen, de muziek, de geschiedenis, het is allemaal heel fascinerend en indrukwekkend. En de taal vind ik erg mooi, veel mooier dan Spaans. Bovendien was het land op journalistiek vlak erg interessant. Het was destijds – en nu nog steeds overigens, ondanks de economische crisis – een economische grootmacht en het WK en de Olympische Spelen zouden eraan komen. Er lagen dus veel kansen om over het land te schrijven.’

Vond je het niet spannend om naar de andere kant van de wereld te vertrekken?

‘Het is best wel wat als je ineens van jezelf gaat zeggen dat je Brazilië-correspondent bent als je pas net bent gearriveerd in het land. Gelukkig had ik een hele goed tip van Arjen van der Ziel gekregen, nu werkzaam bij Trouw, maar toentertijd zat hij voor de Volkskrant in Turkije. Hij zei tegen mij: ‘Katy, vanaf de eerste dag ben jij correspondent en ga je fulltime aan het werk. Dat betekent elke dag kranten lezen en ideeën pitchen, anders kom je er niet tussen en wordt het een verkapte vakantie.’ Dat heb ik toen wel in mijn oren geknoopt.

Ik had overigens meerdere freelancecorrespondenten om advies gevraagd naast Arjen. Ik ben dus niet op de bonnefooi naar Brazilië vertrokken. Ik nam bijvoorbeeld ruim voor mijn vertrek Portugese lessen. Gelukkig sprak ik al goed Spaans en die basis hielp wel. Daarnaast had ik al veel potentiële opdrachtgevers in Nederland benaderd. BNR had direct interesse en de VPRO ging natuurlijk met mij in zee, omdat ze me al kenden. Ook bij het magazine OneWorld vertelden ze dat ik altijd met ideeën kon komen. Andere opdrachtgevers kreeg ik tijdens mijn tijd in Brazilië erbij, zoals Trouw, het Financieele Dagblad en zelfs de BBC. Zo is het dus gaandeweg gaan groeien, maar dat komt ook omdat ik iedere dag actief met mijn vak bezig was.’

Wat bedoel je daarmee?

‘Ik maakte voorheen dus alleen radio, maar om als correspondent het hoofd boven water te houden moet je ook kunnen schrijven en eventueel videoreportages kunnen maken. Ik wilde me ook graag op die gebieden verbreden. Daarom probeerde ik over een onderwerp verhalen te maken voor verschillende platformen, zodat ik meer uit een onderwerp kon halen. Dan maakte ik bijvoorbeeld een radioreportage voor de Nederlandse radio, maakte ik er een kleinere versie van voor de Belgische radio, deed ik het in het Engels voor de BBC en schreef ik erover voor een krant. Op die manier kon je een verhaal als het ware uitsmeren. En niet onbelangrijk, ik fixte soms voor televisieprogramma’s die in Brazilië wilden filmen.

Ik denk dat je tegenwoordig op die manier moet werken als freelancer, al is dat niet makkelijk. Een verhaal in de krant steekt heel anders in elkaar dan een radioverhaal. Om die werkzaamheden te combineren voor zoveel verschillende media is best pittig. Daarnaast is werken in verschillende talen lastig. Voor radioreportages moest ik het Portugees soms ter plekke in het Nederlands en Engels vertalen. Omdat ik zo hard werkte, zat ik af en toe tegen overspannenheid aan. Ik nam soms iets te veel hooi op mijn vork.’

‘Toen ik naar Brazilië ging, was me wel verteld dat het een relatief duur land is, maar als je daar dan eenmaal woont merk je dat pas. Dat had ik wel onderschat. Ik woonde in São Paulo en dat is een dure stad. De huurprijzen zijn vergelijkbaar met grote steden in Nederland en eten is zelfs nog duurder. Het is niet zo dat je van een paar euro per dag kan leven, zoals andere correspondenten wel kunnen, terwijl die hetzelfde tarief uitbetaald krijgen. Verhoudingsgewijs moest ik dus veel harder werken om dezelfde levensstandaard te behalen als collega’s in andere landen. Sommigen konden zelfs sparen, terwijl ik iedere maand moest bekijken of ik het financieel gezien zou gaan halen. Dat is best zwaar, vijf jaar lang.’

Verdient die discussie niet meer aandacht? Dat redacties hun correspondenten proportioneel zouden moeten betalen?

‘Ik zou het wel goed vinden als er meer over wordt nagedacht op redacties. Nu zie je dat er nooit over wordt gediscussieerd. Alleen is de afstand tussen redacties en freelancers best groot. Dat merk ik nu zelf, nu ik weer in Nederland op de redactie van Bureau Buitenland van de VPRO werk. Iedereen is toch bezig met de dagelijkse deadline die gehaald moet worden.

We staan allemaal onder druk, niet alleen de correspondenten in het buitenland. Daarom is er weinig tijd om veel bezig te zijn met de situaties van de mensen die in het buitenland werken. Bovendien is het erg moeilijk te realiseren dat iedereen proportioneel betaald krijgt en loop je het risico dat redacties minder verhalen afnemen uit de ‘dure’ landen, zoals Brazilië. Dat zou zonde zijn.’

Heeft het financiële plaatje bijgedragen aan het feit dat je eind vorig jaar bent gestopt als correspondent?

‘Dat ik stopte kwam door een combinatie van factoren. Op een gegeven moment wil je je op journalistiek vlak verder ontwikkelen. Als freelancer houd je natuurlijk je oren en ogen open voor nieuwe kansen en die kwamen ook. Zo zochten RTL en NRC naar een freelance correspondent in de regio. Als correspondent voor deze media had ik waarschijnlijk ook in de omringende landen van Brazilië verhalen kunnen maken en zou mijn financiële positie iets zekerder worden. Helaas gingen die opdrachtgevers aan mijn neus voor bij.

Op een gegeven moment dacht ik bij mezelf: in hoeverre bouw ik hier iets op? Sparen zat er niet in en door de economische crisis was ook het werk van mijn man weggevallen. Omdat er bij onze familie in Nederland en bij ons in Brazilië wat privéomstandigheden speelden, vonden we het tijd om terug te keren. We waren het avontuur voorbij en een basis opbouwen in Brazilië zat er niet in.

Je ziet daarom steeds vaker dat beginnende correspondenten tussen de 25 en 30 jaar oud zijn. Zo was ik zelf 30 toen ik met het correspondentschap begon. Dat zijn de avonturiers die vrij zijn en willen ontdekken. Wanneer ze dan heel veel hebben geleerd over het vak, stoppen ze omdat zekerheid inbouwen erg lastig is. Dat komt volgens mij het vak niet ten goede. Je moet natuurlijk niet vastroesten en het is goed als er nieuwe frisse blikken bij komen, maar op deze manier gaan we de verkeerde kant op.’

Wat zou een oplossing kunnen zijn?

‘Ik weet dat sommige media gebruikmaken van retainers. Dan krijg je als freelancer een vast bedrag per maand als een soort basisgarantie van een opdrachtgever. Dat bedrag blijft gelijk en is onafhankelijk van het aantal producties dat je aflevert. Zo heb je in ieder geval een beetje zekerheid. Dat betekent natuurlijk wel dat je je ideeën eerst pitcht bij dat medium, maar dat lijkt me niet meer dan normaal.

Ik denk dat het werk door retainers een stuk aantrekkelijker wordt voor de ervaren journalisten, want sommige vergoedingen zijn nu wel erg karig. Bovendien geeft het niet alleen financiële zekerheid, maar krijgen correspondenten ook het gevoel dat ze erbij horen. De media waar ik voor werkte maakten geen gebruik van retainers; dat was helaas de keuze die zij maakten.

Zo kozen de meeste media er ook voor om tijdens de sportevenementen werknemers naar Brazilië te sturen die het land helemaal niet kenden. Dat zijn de snoepreisjes die het werk ook leuk maken voor de journalisten die normaal aan het bureau zitten op Nederlandse redacties. Die keuze kan ik me heel goed voorstellen. Toch blijft het jammer dat de media waar ik voor werkte mij in die tijd nauwelijks hebben benaderd. Ik heb in aanloop naar het WK en de Olympische Spelen wel veel voorverhalen kunnen maken, maar tijdens die evenementen had ik minder werk dan ik had gehoopt. Daardoor heb ik een commerciële klus moeten doen om de rekeningen te kunnen betalen.

Toch wil ik benadrukken dat het mijn eigen keuze is geweest om op die onzekere basis naar het buitenland te gaan. Ik ben hartstikke trots ben op wat ik die vijf jaar heb bereikt. Ik heb vaak van collega’s met vastere posities gehoord dat ze me bewonderden, omdat ik zoveel ballen tegelijk in de lucht moest houden in een onzekere positie. Het was niet makkelijk, maar ik heb zoveel meegemaakt, gezien, beleefd en geleerd, dat ik de ervaring nooit had willen missen.’

Zou je daarom ooit nog eens correspondent willen worden?

‘Ik heb erg veel geluk gehad dat ik na mijn periode in Brazilië direct aan de slag kon bij Bureau Buitenland. Wat de volgende stap wordt, weet ik niet. Ik heb in Brazilië wel geleerd om me daar niet druk om te maken. Tot het eind van het jaar heb ik een contract en wat daarna komt zie ik wel. Het is zeker niet uitgesloten dat ik correspondent word, want het is erg mooi werk. Ik ga alleen niet meer op dezelfde manier als in Brazilië: daarvoor was er te weinig financiële zekerheid.’

Dit interview verscheen eerder op Queester.nl.

 

The post Oud-Brazilië-correspondent Katy Sherriff: “Iedere maand moest ik bekijken of ik het financieel gezien zou gaan halen” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Nieuw interview met Steve Jobs verschenen: “Niet gedacht dat de App Store zo groot zou zijn”

Er is een niet eerder gepubliceerd interview met Steve Jobs opgedoken, waarin hij praat over de App Store, de toekomst van de downloadwinkel en de apps die hij zelf op zijn iPhone had staan.

Het artikel Nieuw interview met Steve Jobs verschenen: “Niet gedacht dat de App Store zo groot zou zijn” verscheen voor het eerst op iCulture

Oud-Argentinië-correspondent Peter Scheffer: “Nederlandse media willen voor een dubbeltje op de eerste rij zitten”

Foto-Peter-Scheffer-1-600x400

Sommige freelance correspondenten stoppen met hun vak, omdat ze te lage vergoedingen voor hun werk ontvangen. Een van die gestopte freelancers is Peter Scheffer, oud-correspondent Argentinië voor onder andere Trouw, RTL, ANP en EenVandaag. Voor de 38-jarige Scheveninger was geld de hoofdreden om er vorig jaar, na zes jaar correspondentschap, een punt achter te zetten. ‘Het was financieel onverantwoord om nog langer door te gaan.’

‘‘Ik werkte een tijd als verslaggever voor Omroep West, totdat ik eind 2011 – heel cliché – voor de liefde naar Buenos Aires in Argentinië vertrok. Een paar maanden later schreef ik al voor De Pers en Trouw. Die dagbladen had ik heel brutaal benaderd met ideeën die ze wel interessant vonden. De televisie is een ander verhaal, want de televisiemedia kwamen juist naar mij toe. Ik was namelijk erg actief op Twitter, waarop ik liet zien waar ik allemaal kwam en mee bezig was. Hierdoor werd ik een interessant figuur om iets te vertellen over Argentinië.

Dat ik mijn verhalen voor zoveel verschillende media heb kunnen maken, was ook een kwestie van geluk. Ik was namelijk de enige correspondent in het land, dus ik had niet veel concurrentie. Daarnaast was er veel vraag naar verhalen. Op economisch gebied ging het erg goed in Zuid-Amerika, terwijl Europa in een diepe crisis zat. Mensen waren nieuwsgierig hoe dat kon.

Bovendien vonden Nederlandse media de progressieve omwenteling die Argentinië onderging interessante materie. Zo was Argentinië het eerste land in Zuid-Amerika dat het homohuwelijk doorvoerde en kwam er een transgenderwet. Dat Máxima de koningin van ons land werd en een Argentijn tot Paus werd gekozen – nota bene op mijn verjaardag – was de kers op de taart.

Het kwam wel eens voor dat ik voor verschillende media een verhaal produceerde over hetzelfde onderwerp. In die gevallen maakte ik goede afspraken met de werkgevers zodat ze toch een wezenlijk ander verhaal kregen. Dat ging eigenlijk altijd goed. Voorwaarden over exclusiviteit wees ik altijd van de hand. Ik vind namelijk dat een medium pas exclusiviteit op mij of mijn verhalen mag eisen, als ze daarvoor betalen. Zo lang de Nederlandse media karig blijven en dus niet willen betalen voor exclusiviteit, kun je niet van mij verwachten dat ik die breng.

Van leuk kan ik niet leven

Hoe vaak ik wel niet door een Nederlands radiostation ben opgebeld met de vraag of ik niet gratis iets over Argentinië kon komen vertellen in de uitzending.

‘Dat is toch gewoon leuk?’, zeiden ze dan. Sorry, maar van leuk kan ik niet leven. Ik verdiende in de periode dat ik in Argentinië zat gemiddeld het minimumloon. Ik had zelfs meer maanden dat ik onder het minimumloon zat dan dat ik erboven zat. Nu kun je het in een land als Argentinië prima redden  met een Nederlands minimumloon, maar uit je koffer leven doe je niet je hele leven lang.

Als correspondent ben je je eigen merk. Dat betekent dat je zelf moet opdraaien voor de apparatuur, de cursussen, huisvesting en de risico’s die aan het beroep verbonden zijn. Zo heb ik voor Vice een documentaire gemaakt over de Tangolijn, een belangrijke drugssmokkelroute in Argentinië  ?   . Ik vond het fantastisch om die documentaire te maken, maar Vice heeft geen veiligheidsmaatregelen genomen om mij te beschermen. Als ik was gekidnapt door een drugsbende, waren ze me niet komen halen.

Alles wat ik nodig had om mijn verhalen te maken kwam dus voor mijn eigen rekening. In de zes jaar dat ik in Argentinië zat, heb ik zeker tienduizend euro aan eigen spaargeld geïnvesteerd. Als je dan buiten Nederland ook nog eens geen pensioen opbouwt, wordt het op den duur financieel onverantwoord om nog langer correspondent te blijven.

Ik denk dat het correspondentschap om die reden vooral iets is voor jonge mensen. Als je 25 of 30 jaar bent, dan ben je nog wel zo avontuurlijk en sta je nog niet zo vast in het leven. Naarmate je ouder wordt, krijgen de financiën echter een steeds groter gewicht en wegen de baten niet meer op tegen de lasten. Daarom besloot ik vorig jaar te stoppen als correspondent. Ik kreeg gewoon te weinig binnen voor mijn verhalen en dat is te wijten aan de instelling van Nederlandse media.

Voor een dubbeltje op de eerste rij

Als je ‘onze’ media vergelijkt met Amerikaanse en Britse media, dan zie je dat zij hun correspondenten het dubbele per verhaal betalen. Veel mensen denken dat dat komt omdat Angelsaksische media rijker zijn of een groter bereik hebben, maar dat is het niet. Amerikaanse en Britse media betalen meer omdat ze ook het beste van hun correspondenten verwachten. Zij verwachten in ruil voor de fikse vergoedingen ook het beste resultaat. Geld speelt daarbij geen rol.

Nederlandse media daarentegen willen voor een dubbeltje op de allereerste rij zitten. Ze verwachten wel kwaliteit, maar willen daar niet voor betalen. Je ziet dat goed terug in de reportages die in de Angelsaksische media verschijnen. Daar heb je de meest schitterende reportages en buitengewoon goed doorwrochte analyses, waarin veel mensen met verstand aan het woord komen  ‘Onze’ reportages komen daar in de meeste gevallen niet bij in de buurt.

Nederlandse buitenlandjournalistiek is middelmatig

Daarnaast spelen Nederlandse correspondenten niet alleen de lage vergoedingen parten, maar speelt de deadline die erbij komt kijken ook een rol. Amerikanen en Britten krijgen de tijd voor hun stukken. Als we het hebben over fake news, nou, Amerikaanse en Britse correspondenten krijgen een volle dag om hun stukken te checken. Een volle dag! Die tijd kreeg ik nooit, hoor. Zo blijft de kwaliteit van de Nederlandse buitenlandjournalistiek middelmaat en kwakkelt die maar door.

Ik hoop daarom dat mediabedrijven gaan inzien dat ze correspondenten meer tijd en geld moeten geven voor hun stukken. Ik ben zelf een groot voorstander van het terug onder contract nemen van correspondenten. Dat hoeft niet per se bij één krant, maar dat kan ook bij een groep kranten. Zo denk ik dat de kranten van de Persgroep wel wat geld bij elkaar kunnen sprokkelen en hun correspondenten met elkaar kunnen delen.

Als ik voor mezelf spreek, durf ik te beweren dat ik minder goede verhalen heb geproduceerd omdat ik niet onder contract stond. Ik heb namelijk andere, meer commerciële klussen naast mijn correspondentschap moeten doen. Anders kwam ik simpelweg niet rond. Ik had de tijd die ik in randzaken stopte om geld te verdienen veel liever gestoken in het maken van mooie verhalen of reportages.’’

Dit artikel verscheen eerder op Queester.nl.

The post Oud-Argentinië-correspondent Peter Scheffer: “Nederlandse media willen voor een dubbeltje op de eerste rij zitten” appeared first on De Nieuwe Reporter.

Page generated in 1.175 seconds. Stats plugin by www.blog.ca