Opinie: Waarom het onderling draadloos opladen via je iPhone een uitkomst zou zijn

Als we de geruchten mogen geloven, kun je straks met een iPhone ook andere apparaten draadloos opladen. Dit opent deuren voor mensen die vaak onderweg zijn en zowel de AirPods als de Apple Watch hebben.

Het artikel Opinie: Waarom het onderling draadloos opladen via je iPhone een uitkomst zou zijn verscheen voor het eerst op iCulture

Opinie: Bundeling App Stores macOS en iOS is goed nieuws voor iedereen

Als we de geruchten mogen geloven, heeft Apple voor de komende jaren grote veranderingen gepland. De App Stores van macOS en iOS zouden samengevoegd worden tot één platform, zodat je apps maar één keer hoeft aan te schaffen. Dit is goed nieuws voor iedereen.

Het artikel Opinie: Bundeling App Stores macOS en iOS is goed nieuws voor iedereen verscheen voor het eerst op iCulture

Ongefundeerde berichten over klimaatverandering verdienen het niet om eindeloos herhaald te worden door de journalistiek

Niet alle media dragen dezelfde boodschap uit als het gaat om klimaatverandering. Dat is niet erg, zolang de verkondigde informatie maar gefundeerd is. In de berichtgeving van De Telegraaf is dat niet het geval, legt hoogleraar Guido van der Werf uit.

Studio Energie interviewde onlangs Paul Jansen, hoofdredacteur van De Telegraaf, over de rol van die krant in het energie- en klimaatdebat. De Telegraaf is met 350.000 abonnees de grootste krant van Nederland. In het Nederlandse medialandschap verkondigen met name De Telegraaf en Weekblad Elsevier een andere boodschap dan veel andere media op klimaatgebied. Zij leggen bijvoorbeeld veel meer nadruk op klimaat-sceptische opvattingen.

Het was een interessant interview, onder andere door de vraag van interviewer Remco de Boer of De Telegraaf hiermee niet de polarisering – die er nu eenmaal in het klimaatdebat is – in de hand speelde. Nee, was het antwoord van Jansen, met als toelichting dat een krant ook andere geluiden moet laten horen. In deze blog beperk ik me tot het klimaatdebat en zal niet op het energiedebat ingaan waar overigens het grootste deel van het interview over ging.

Het andere geluid

Met andere geluiden bedoelde Jansen een ander verhaal dan de mainstream wetenschappelijke conclusie dat de aarde opwarmt, dat de mens daar grotendeels verantwoordelijk voor is, en dat deze opwarming gevolgen heeft, met name in de toekomst.

“Een ander geluid laten horen lijkt mij een belangrijke rol van de media.”

Een ander geluid laten horen lijkt mij een belangrijke rol van de media. Sterker nog, onafhankelijke journalistiek is een van de pijlers van een gezonde maatschappij en debat is enorm belangrijk.

Maar wat als dat andere geluid niet gefundeerd is? Wie verkondigt die boodschap dat niet de mens maar natuurlijke factoren voor de huidige opwarming zorgde? Een mening die Jansen aanhangt, hoewel hij wel aangaf dat de mens ook zeker een rol speelt.

Sceptische klimaatwetenschappers

In Nederland ken ik geen actieve klimaatwetenschappers die het met Jansen eens zijn over de relatieve rol van de mens versus natuur, dus daar kan hij zich niet op baseren. Met actieve klimaatwetenschappers bedoel ik mensen die hun bevindingen voorleggen aan collega-wetenschappers en dit in de wetenschappelijke tijdschriften publiceren.

In Amerika lijkt dat anders, een aantal bekende sceptische klimaatwetenschappers zijn Roy Spencer, Judith Curry, en Richard Lindzen. Deze mensen worden vaak aangehaald als bewijs dat er een wetenschappelijk debat zou zijn over de vraag óf de mens een belangrijke rol is gaan spelen in de opwarming van de aarde. Maar is dat zo? Dit is wat Roy Spencer onlangs op zijn website schreef:

“I cannot think of a single credentialed, published skeptical climate scientist who doesn’t believe in the “existence” of climate change, or that “the Earth is getting hotter”, or even that human activity is likely a “major cause”. Pat Michaels, Richard Lindzen, Judith Curry, John Christy, and myself (to name a few) all believe these things.”

Dat geldt in zekere mate ook voor Nederlands bekendste klimaatscepticus die regelmatig in De Telegraaf aan het woord komt, Marcel Crok. Hij wijst er vaak op dat klimaatmodellen mogelijk “te warm” draaien maar gaat er in zijn rapporten van uit dat de aarde meer dan 2 graden zal opwarmen in 2100, tenzij we onze uitstoot gaan beperken (zie tabel 3 in ‘Een gevoelige kwestie’ [pdf]).

Het klimaat-sceptische geluid zoals Paul Jansen het interpreteert, is dus niet gefundeerd in de wetenschappelijke literatuur. In de wetenschap bestaat absolute zekerheid echter bijna niet, en er zijn genoeg mensen die daar handig gebruik van maken. Als iemand bijvoorbeeld laat zien dat er iets niet klopt bij een klimaatmodel, dan kan je dat naïef interpreteren als dat er niets klopt aan dat klimaatmodel.

Het andere geluid

Een ander voorbeeld: ik heb zelf wel eens gepubliceerd over de invloed van een oceaanstroming in de Atlantische oceaan op de mondiale temperatuur en dat artikel werd in de klimaat-sceptische blogosfeer graag aangehaald.

De nadruk lag dan op de invloed van die oceaanstroming op de temperatuur, niet op de hoofdconclusie dat het merendeel van de recente opwarming door de mens kwam. En dat onder andere variaties in oceaanstromingen zorgen voor variabiliteit rond de langjarige opwarmende trend. Daardoor koelt het ook in een warmer wordende wereld wel eens tijdelijk af.

Gedurende dat soort periodes is het ‘feest’ op een klimaatsceptische website zoals Climategate, onder leiding van Hans Labohm. Tot nu is dit altijd een tijdelijk verschijnsel gebleken, in overeenstemming met ons begrip van het klimaatsysteem:

Mondiale maandelijkse temperatuurafwijking in de onderste lagen van de atmosfeer zoals gemeten door satellieten op basis van het algoritme van o.a. Roy Spencer (UAH). Dit algoritme geeft overigens minder opwarming dan data van RSS gebaseerd op dezelfde satellieten.

Het andere geluid komt dus niet van klimaatwetenschappers, maar dat betekent niet dat er geen andere geluiden te horen zouden zijn. De recente brief van 24 ‘professoren, ingenieurs en andere experts’ waar De Telegraaf aandacht aan besteedde is wat dat betreft duidelijk.

Hoewel dat stuk voornamelijk over het energiedebat gaat, heeft die groep ook een duidelijke mening over de rol van CO2, maar heeft dat nooit willen onderbouwen in de literatuur. Sterker nog, op deze en andere websites zijn vaak tekortkomingen van hun argumenten benoemd (zie o.a. hier en hier [pdf]), maar daar is nooit een weerwoord op gekomen.

Correlatie

Een terugkerend thema is bijvoorbeeld het veronderstelde gebrek aan correlatie tussen CO2 en temperatuur. Kees de Lange, ook een van de emeritus hoogleraren die zich de laatste tijd in het debat bemoeit, zegt het bijvoorbeeld zo (hier, vanaf 12:30 en met iets andere bewoordingen in een recent rondetafelgesprek van de Tweede Kamer):

“Well, there is always the confusion between what correlation is and what the causal effects are. Even when you look at the slight temperature rise that we experienced during a century, there is hardly any correlation with the CO2 concentration, certainly not if you look at the most modern ways of measuring temperature, via satellites.” … “Well, if there is no correlation, there can be no causal effect.”

Uiteraard heeft De Lange gelijk dat correlatie niet noodzakelijkerwijs een oorzakelijk verband impliceert. Maar correlatie is er wel degelijk, ook met de satellietmetingen!

Temperatuurafwijking en CO2 concentratie voor de 1850-2018 periode. Over de hele periode kan statistisch gezien de CO2 concentratie meer dan 80% van het temperatuurverloop verklaren. In het eerste deel van de tijdserie is het verband minder duidelijk en over bepaalde periodes negatief, niet verrassend aangezien CO2 daar een relatief kleine verandering doormaakte en natuurlijke processen dat signaal konden overtreffen. Naarmate de CO2 stijging sterker wordt zal de rol van natuurlijke factoren relatief steeds minder duidelijk zichtbaar zijn, maar uiteraard wel voor periodes van jaren tot decennia het CO2 signaal verzwakken of versterken. Klimaatwetenschappers die dat soort factoren (inclusief de zon) meenemen kunnen statistisch gezien meer dan 90% van het temperatuurverloop verklaren. Bron: HadCRUT4 voor temperatuur, CDIAC (Law Dome) en NOAA (Mauna Loa) voor CO2.

Moraal van het verhaal: ongefundeerde berichten over de klimaatwetenschap verdienen het niet om door de journalistiek eindeloos herhaald te worden, dit wakkert alleen maar de polarisatie aan.

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Klimaatverandering.

Guido van der Werf

Het artikel Ongefundeerde berichten over klimaatverandering verdienen het niet om eindeloos herhaald te worden door de journalistiek verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Opinie: Het is hoog tijd voor iPad-versies van Instagram en WhatsApp

De iPad nadert bijna zijn tiende levensjaar, maar toch zijn er nog apps die ontbreken op Apple’s tablet. Het wordt tijd dat ontwikkelaars eens meer aandacht besteden aan de iPad. Twee goede voorbeelden zijn WhatsApp en Instagram. Die zijn al wel jarenlang beschikbaar op de iPhone, maar slechts met trucs en omwegen op de iPad te gebruiken.

Het artikel Opinie: Het is hoog tijd voor iPad-versies van Instagram en WhatsApp verscheen voor het eerst op iCulture

Opinie: Apple moet beloften over waterbestendigheid nakomen

“Hang je rond bij het zwembad en valt je telefoon in het water? Wees niet ongerust. Laat het opdrogen en er is niks aan de hand.” Met woorden van die strekking probeerde Apple-topman Phil Schiller ons ervan te overtuigen dat de nieuwe iPhones écht waterdicht zijn. Maar het bedrijf geeft er geen garantie op en dat is raar.

Het artikel Opinie: Apple moet beloften over waterbestendigheid nakomen verscheen voor het eerst op iCulture

Opinie: het is tijd voor Apple Prime, één bundel voor hardware en diensten

Apple wil meer geld halen uit diensten, om minder afhankelijk te zijn van hardware. Een van de oplossingen is om een bundel met hardware-producten en diensten te maken, waar je een vast maandbedrag voor betaalt. Is het tijd voor Apple Prime?

Het artikel Opinie: het is tijd voor Apple Prime, één bundel voor hardware en diensten verscheen voor het eerst op iCulture

Kunnen we nu eens serieus gaan discussiëren over de toekomst van de lokale journalistiek in Nederland?

Politiek journalist Chris Aalberts ergert zich aan de denigrerende manier waarop er over lokale journalistiek wordt gesproken. Daarmee wordt het debat over de toekomst en financiering van lokale journalistiek geen dienst bewezen. Wanneer kan dat debat nu eens serieus beginnen, vraag hij zich af.

De lokale journalistiek zit in het slop en er zijn maar weinig ideeën hoe dat kan verbeteren. Een van de weinige concrete voorstellen is het Leids Mediafonds: een fonds gefinancierd door de gemeente Leiden waar journalisten subsidie kunnen aanvragen voor onderzoeksjournalistieke projecten. Of het een goed idee is blijft afwachten. Gelukkig is de discussie over het fonds van een erg hoog niveau. Een citaat:

‘En daar verscheen (…) een journalistieke productie die de wereld moet veranderen. In het Leiderdorps Weekblad – wie leest hem niet? – stond de allereerste productie van het Leids Mediafonds, een initiatief dat de kwijnende regionale journalistiek in Leiden en omgeving moet redden.’

Aan het woord is Maarten Keulemans, een wetenschapsjournalist voor de Volkskrant. Hij schrijft dit op De Nieuwe Reporter, een blog waarvan je zou denken dat het dé plek is om het debat over de toekomst van de lokale journalistiek te voeren. Maar nee. Keulemans meldt dat hij de eerste publicatie – enkele interviews – beneden alle peil vindt. Dat was het.

Weg met het neerbuigende gedoe

Het stuk van Keulemans begint precies zoals je dat van landelijke journalisten verwacht: met een neerbuigende toon. In theorie vindt iedereen lokale journalistiek belangrijk, maar de onderstroom is heel anders. Zou een stukje in het Leiderdorps Weekblad ‘de wereld veranderen’? Natuurlijk niet, want het betreft een krantje uit Leiderdorp. En dat is ook maar een van de honderden gemeenten in Nederland. Er is niets speciaals aan Leiderdorp, net als dat het Leiderdorps Weekblad ongetwijfeld een krantje is zoals je het in elke gemeente in Nederland kunt tegenkomen.

Een jaar lang deed ik verslag van de politiek in Den Helder. Een veel voorkomende reactie op die stukken was de vraag waarom ik in hemelsnaam over een oninteressante, kleine gemeente schreef. Soms twijfelde men aan de relevantie en het belang van het schrijven over gemeentepolitiek op zich. In andere gevallen zei men dat er vast wel ‘een lokaal sufferdje’ was die dit al deed. Die manier om een medium te categoriseren zegt alles. Als de journalistiek zelf niet met waardering over lokale journalistiek spreekt, hoe moet deze dan ooit nog opleven?

Geen echte primeurs natuurlijk

Keulemans suggereert dat het Leids Mediafonds tot enorme primeurs moet leiden. Het punt is nou juist dat de meeste lokale journalistiek dat niet doet omdat primeurs, schandalen en scoops in één gemeente per definitie beperkt zijn.

Waar is in een gemeente nou eigenlijk behoefte aan? Juist: stukjes over gemeenteraadsvergaderingen die over hele lokale thema’s gaan die buiten de gemeente niemand iets interesseren maar waar burgers bij lokale verkiezingen toch wellicht wel hun stem op willen baseren. Heel alledaags en lokaal. Maar vooral nuttig.

Zo komen we bij het echte probleem van het Leids Mediafonds. In Leiden is men kennelijk erg bezorgd over de lokale journalistiek. Dat is niet terecht want er zijn meerdere media, waaronder een dagblad, een weekblad en een lokale omroep. Die laatste krijgt al subsidie. Het is best nobel om geld in journalistiek te willen steken, maar als je dat doet zoals het Leids Mediafonds, krijg je heel veel losse projectjes die in essentie niet doen waar behoefte aan is: meer structurele politieke verslaggeving. Dat laatste is via het fonds niet structureel subsidieerbaar.

Meer diepgang in Leiden

Wat is echt nodig? Er moeten gewoon meer verslaggevers bij gemeenteraadsvergaderingen zitten en die moeten meer tijd hebben voor achtergrondsgesprekken met politici en met andere betrokkenen. Er is nu een enorm gebrek aan tijd voor verdieping. Subsidie kan dat wellicht oplossen. Dat zou ertoe kunnen leiden dat journalisten meer research kunnen doen, niet meteen alles online hoeven te gooien en zo zou de lokale journalistiek echt een kwalitatieve impuls kunnen krijgen. Maar in Leiden zijn alleen losse projecten subsidieerbaar waarvan niemand weet of er überhaupt een publiek voor is.

Ik was een tijdje terug bij de introductie van het Leids Mediafonds. Iedereen was blij want er kwam meer geld voor de journalistiek. Ik was daarna ook bij een conferentie van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek: een hele zaal vol journalisten klapte de handen blauw voor de Leidse wethouder die een grote zak geld kwam brengen. Niemand kwam een stap verder dan dat er gelukkig weer geld voor journalistiek was. Zouden we het niet eens moeten hebben over wat er echt aan lokale journalistiek nodig is en hoe we dat kunnen financieren? Zonder neerbuigende toon graag.

Chris Aalberts kreeg voor een project ook subsidie van het Leids Mediafonds.

Chris Aalberts

Het artikel Kunnen we nu eens serieus gaan discussiëren over de toekomst van de lokale journalistiek in Nederland? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Gaat dit mediafonds de regiojournalistiek echt redden?

Een heuglijk moment: de eerste journalistieke verhalen die zijn gesubsidieerd door het Leids Mediafonds, zijn gepubliceerd. Hoewel, heuglijk? Maarten Keulemans wordt niet erg blij van de producties en vraagt zich af of het fonds niet te laat is om de op sterven liggende regiojournalistiek te redden.

En daar verscheen, zo tussen Sint en de Kerstman door, een journalistieke productie die de wereld moet veranderen. In het Leiderdorps Weekblad – wie leest hem niet? – stond de allereerste productie van het Leids Mediafonds, een initiatief dat de kwijnende regionale journalistiek in Leiden en omgeving moet redden.

Het idee is geweldig, vind ik althans. De regionale journalistiek wordt immers ernstig bedreigd, door afhakende lezers, opdrogende advertentie-inkomsten en kapot bezuinigde redacties. En daarmee dreigen de dorpen en middelgrote steden, toch de haarvaten van de samenleving, iedere vorm van onafhankelijke journalistieke controle te verliezen.

Bij de meeste gemeenteraden staan de perstribunes inmiddels stof te vergaren; laat staan dat er ooit nog een journalist de gemeentelijke declaraties controleert, kritische vragen stelt aan de wethouder of zich verdiept in het handjeklap tussen de gemeente en de projectontwikkelaars.

De gemeente betaalt zijn eigen waakhond

Het Leids Mediafonds moet daarin verandering brengen. Het fonds, onafhankelijk beheerd, verdeelt subsidie van de gemeente Leiden over journalistieke projecten. Uniek, moedig en best visionair eigenlijk: de gemeente die zijn eigen waakhond betaalt.

Dan moet die waakhond alleen wel een beetje kunnen keffen natuurlijk. En de eerste journalistieke productie betaald door het fonds laat wat dat betreft toch wel wat te wensen over, bemerkte ik toen ik licht rillend van opwinding de eerste staats-PDF open klikte.

Geen splijtende primeur. Geen stof opwaaiende reportage. Geen spraakmakend interview. Nee: het eerste dat we te zien kregen was… jawel, een interview met de wethouder van Leiderdorp. SAMEN MET BEWONERS NADENKEN OVER ENERGIETRANSITIE IN DE ORANJEWIJK stond erboven. Een kop die de lezer op het puntje van zijn stoel zal brengen, zullen we maar zeggen.

Ambtelijk jargon zonder tegenvragen

In het interview legt de wethouder in beheerst ambtelijk jargon en niet gehinderd door enige tegenvraag uit dat de CO2-uitstoot ook in Leiderdorp omlaag moet en welke procedures daarvoor in stelling zijn gebracht. Citaat: ‘Dat zijn stevige doelstellingen en er wordt hard gezocht naar maatregelen om die te realiseren.’

Waarna de wethouder nogmaals benadrukte dat hij toch echt vooral samenwerkt met de bewoners. En dat er een ‘drukbezochte’ bijeenkomst was geweest waar volgens de wethouder allemaal ‘positieve’ dingen waren gebeurd, maar waar de verslaggever merkwaardigerwijs ontbrak.

Vooruit, volgende artikel dan maar. Alweer een interview. Met de ‘EnergieAmbassadeur’ ditmaal en alweer onder een kop waarvan het nog lang onrustig zal zijn in Leiderdorp: PRATEN OVER DUURZAAMHEID WERKT OOK NOG VERBINDEND IN DE WIJK. Knalt de interviewer er eens flink in: ‘Hoe pak jij je rol als energieambassadeur op?’

De journalistiek wakker kussen?

Artikel nummer drie, misschien? We zien een grijze mevrouw die glimlachend naar haar meterkast wijst. VOLOP BEZIG MET VOORBEREIDINGEN OP EEN GASVRIJE TOEKOMST verduidelijkt de kop boven – alweer – een interview. Want ook mevrouw Van Goozen is er ‘klaar voor’ en is ‘hard bezig’ om ‘van het gas af’ te komen, stelt het stuk monter.

Nou ja, tot je bij de een na laatste alinea komt. Van Goozen is waarschijnlijk al te oud om haar investering nog terug te verdienen, staat daar kort, en trouwens: onduidelijk is hoe ze sowieso aan het geld moet komen om haar woning om te bouwen. ‘Kortom, nog volop vragen, vooral over de financiële kant’, strijkt de interviewer die onverwachte dissonant vlug glad.

Kom, het is het Leiderdorps Weekblad maar, zult u zeggen. Het plaatselijk sufferdje, waar het gouden echtpaar een hand krijgt van de burgemeester en klaverjasvereniging Hartje Troef zijn uitslagen publiceert. Dat zal, maar was dit initiatief niet juist bedoeld om de kritische, onafhankelijke journalistiek wakker te kussen? Júíst hier, tussen de aankondigingen van de kerkdiensten op zondag en het laatste nieuws over de rolstoeluitleen in de Winkelhof in?

Te laat?

Toegegeven, dit was nog maar de eerste productie, op stapel staan nog zeventien projecten die er stuk voor stuk best veelbelovend uit zien. Maar toch, zorgen baart het me wel. Zo’n pagina waarop de wethouder zijn plannen mag toelichten en mevrouw Van Goozen mag zeggen hoe blij ze daarmee is: noemden we dat vroeger niet gewoon ‘de gemeenteberichten’?

Ik hoop van harte dat het Mediafonds opzienbarende, mooie en belangrijke producties voortbrengt. Ik hoop dat er onthullingen komen, en eye-openers, want journalistiek hoort nu eenmaal een beetje te schuren.

Maar ik sluit ook niet uit dat het voor de regiojournalistiek inmiddels te laat is – en dat het fonds in al zijn goede bedoelingen bezig is een allang opgegeven lijk te reanimeren.

Maarten Keuelmans

Het artikel Gaat dit mediafonds de regiojournalistiek echt redden? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Waarom elke redactie een nieuwsombudsman zou moeten aanstellen

Elke redactie verdient een ombudsman, vindt Huub Evers, die zelf ombudsman is voor De Limburger. Zo’n ombudsman fungeert als een luis in de pels van de redactie: iemand  die voortdurend over de schouders van de redactie meekijkt en daar publiekelijk commentaar op geeft. Dat is een goede stimulans voor journalisten om hun werk zorgvuldig te doen.

Hoe kunnen burgers zich snel en adequaat verdedigen tegen aanvallen in de pers? Is het zinvol daartoe een wettelijk vastgelegd antwoordrecht in te voeren zoals onze zuider- en oosterburen dat hebben in de vorm van een droit de réponse c.q. een Gegendarstellungsrecht?

Dat was enkele weken geleden aan de orde in een opiniestuk van Jan van Vegchel in Trouw. Enkele hoofdredacteuren lieten desgevraagd op De Nieuwe Reporter weten niet veel te zien in zo’n idee. Daarmee was dit proefballonnetje onschadelijk gemaakt, terwijl de vraag blijft staan: waar kan de mondige mediaconsument met zijn ongenoegen naar toe?

Partijtje mediakritiek

Een rondje langs de velden van de websites van landelijke en regionale dagbladen en omroepen plus een enkele nieuwssite maakt duidelijk dat op de meeste plaatsen de mogelijkheden om kritische opmerkingen of regelrechte klachten achter te laten vrij beperkt zijn. Meestal is er een contactformulier en een algemeen telefoonnummer en mailadres, soms van de redactie als geheel, soms per deelredactie.

Een uitvoerig colofon met alle namen van de dames en heren journalisten kom je niet zo vaak tegen. Een mailadres van al die journalisten vond ik alleen bij Het Parool. Een profielpagina per journalist trof ik nog nergens aan. Wel een lijst met foto’s en kort cv van presentatoren en redacteuren, maar dan weer zonder mailadres, bijvoorbeeld bij Brandpunt+ en De Monitor.

Op sommige sites (bijvoorbeeld bij NRC Handelsblad) is er de mogelijkheid om te reageren op een artikel door een formulier in te vullen. Daarmee kan de lezer de redacteur wijzen op een taalfout of feitelijke onjuistheid of kan hij een opmerking maken over het artikel. Ook het geven van een al dan niet anonieme tip behoort tot de mogelijkheden.

De NOS heeft voor taalfouten een speciaal mailadres en voor allerlei reacties het mailadres van de afdeling publieksreacties. In kranten staan vaak de mailadressen van de schrijvers onder de stukken. Bovendien is er altijd nog de oude vertrouwde ingezonden brief. En daarnaast kan ieder die dat wil zijn kritiek kwijt op sociale media als Twitter en Facebook. Op deze fora speelt zich van tijd tot tijd een stevig partijtje mediakritiek af.

Doelmatig en adequaat

Beter dan het invoeren van een antwoordrecht is het aanstellen van een nieuwsombudsman op iedere redactie. Hij of zij zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het herstellen of vergroten van het vertrouwen van het publiek in de pers. Overigens is het in ons land helemaal niet zo slecht gesteld met dat vertrouwen, zo blijkt uit recent onderzoek. Ook over de betrouwbaarheid van nieuws zijn de meeste Nederlanders in deze tijden van nepnieuws en verwijten aan de “linkse en bevooroordeelde Lügenpresse” niet negatief.

Toch is er van tijd tot tijd discussie over de vraag wat redacties zouden kunnen doen om verdwijnend vertrouwen te herstellen of te vergroten. In de antwoorden op deze vragen komen steevast de volgende antwoorden terug: gewoon kwaliteit blijven leveren, transparant zijn en verantwoording afleggen. Journalisten, zo is dan de redenering, nemen alles en iedereen de maat, maar waar blijft de mediakritiek, de kritische toetsing van het journalistieke handelen aan de eigen kwaliteitsstandaarden?

Zelfkritiek en zelfreflectie is onderdeel van elke professionele beroepsbeoefening (of zou dat moeten zijn), maar in de journalistieke praktijk kan de huidige werkdruk op veel redacties met zich meebrengen dat voor reflectie op eigen en andermans handelen weinig tijd wordt uitgetrokken.

Hier kan zo’n ombudsman goede diensten bewijzen. Idealiter is dat iemand:

“die op basis van volledige onafhankelijkheid de klachten van de nieuwsconsument doelmatig en adequaat behandelt, die het journalistieke product van het medium waaraan hij is verbonden publiekelijk kritisch beoordeelt op kwaliteit en presentatie en die zijn beoordeling plaatst in het licht van relevante vraagstukken van journalistieke ethiek.”

Deze interne of externe criticus schrijft geregeld (meestal wekelijks) een rubriek waarin hij op basis van klachten of van eigen observaties het handelen van de redactie onder de loep neemt. Alleen al het feit dat er iemand is die voortdurend over de schouders van de redactie meekijkt en daar publiekelijk zijn licht over laat schijnen, is al een stimulans voor journalisten om hun werk zorgvuldig te doen.

Raad voor de Journalistiek

Heeft de mondige mediaconsument niet genoeg mogelijkheden om uiting te geven aan zijn ongenoegen? En kan in dit digitale tijdperk niet volstaan worden met de opmerking dat elke journalist zijn of haar eigen ombudsman moet zijn? Maar wat te doen wanneer journalisten niet adequaat reageren, bijvoorbeeld pas na een week met een nietszeggend tweeregelig antwoord? Of wanneer de boze burger helemáál geen antwoord krijgt? Of wanneer de ingezonden brief niet wordt geplaatst? Of wanneer de kritiek niet betrekking heeft op een artikel, maar op de koers van de krant of het programma? Of op de door journalisten gevolgde werkwijze?

Burgers kunnen met klachten toch naar de Raad voor de Journalistiek? Daarbij moet worden bedacht dat niet alle redacties meewerken met de Raad en dat in dat geval een klacht niet in behandeling wordt genomen, tenzij die klacht volgens de Raad “van algemene strekking of principieel belang is”. Ook moet een klager direct belanghebbende zijn. Dat betekent meestal dat hij in het artikel of in de uitzending genoemd wordt of herkenbaar aangeduid.

Bovendien is het in de praktijk vaak toch nog een hele stap voor mensen om met hun ongenoegen de weg naar de Raad in te slaan. Heel vaak, zo is mijn ervaring, is dat ook helemaal niet de bedoeling. Mediaconsumenten willen serieus genomen worden, willen een adequate reactie op hun kritiek. Daarom zou elke redactie een vast aanspreekpunt moeten hebben waar de lezer, kijker of luisteraar met vragen, opmerkingen of kritiek terecht kan.

Dat zou een ombudsman of lezersredacteur kunnen zijn zoals we die kennen. Meestal afkomstig uit de gelederen van de redactie zelf. Soms een extern ombudsman zoals de schrijver van dit artikel. Het zou ook een ombudsfunctie kunnen zijn in de vorm van een lezersredactie, althans wanneer men daar met vragen, opmerkingen, kritiek en klachten terecht kan.

Genderneutrale ombudsman

Tien jaar geleden, zo blijkt uit een inventarisatie [pdf], telde ons land bij de landelijke media twee ombudsmannen, namelijk bij de Volkskrant en de NOS. Daarnaast waren er bij de regionale dagbladen acht lezersredacteuren en één ombudsman. Het AD had eerder ook een ombudsman en daarna een uit negen personen bestaande lezersredactie die in de landelijke editie en in de regionale titels een rubriek hadden waarin ze uitleg gaven en inspeelden op vragen van lezers.

Nu, tien jaar later, zijn de lezersredacteuren bij de regionale dagbladen verdwenen. De landelijke kranten de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw hebben een ombudsman. Bijna twee jaar geleden benoemde de NPO een ombudsman bij wie het publiek terecht kan met opmerkingen en klachten over alle journalistieke programma’s (zowel radio als televisie als online) van alle publieke omroepen. In de wereld van de regionale kranten en omroepen is er welgeteld één (externe) ombudsman, namelijk bij het dagblad De Limburger.

Overigens is de term ‘ombudsman’ een uit het Zweeds afkomstige, genderneutrale term waarmee zowel mannen als vrouwen worden aangeduid. Daarom heeft de NPO een vrouwelijke ombudsman! Soms wordt de term ‘nieuwsombudsman’ gebruikt om verwarring met bijvoorbeeld de Nationale Ombudsman te voorkomen. In mijn eigen praktijk als ombudsman is het wel eens voorgekomen dat iemand mailde in de veronderstelling met de Nationale Ombudsman te maken te hebben.

Meer criticus dan uitlegger

Hoe onafhankelijk is zo’n nieuwsombudsman eigenlijk? Die vraag is niet onbelangrijk, zeker wanneer hij of zij afkomstig is uit de eigen redactie en/of op de loonlijst staat van het mediabedrijf waarover hij of zij geacht wordt zich kritisch uit te laten. Vaak is er een statuut waarin die onafhankelijke positie is vastgelegd. Doorgaans legt de ombudsman zijn column vooraf voor aan de hoofdredactie, overigens enkel ter informatie. Uiteindelijk is en blijft de hoofdredactie immers verantwoordelijk voor de gehele redactionele inhoud van een krant.

De vraag hoe kritisch en onafhankelijk een ombudsman zich opstelt, kan, althans ten dele, beantwoord worden door de columns te analyseren zoals onderzoekers dat deden [pdf]. Dan blijkt dat de ombudsman zich afwisselend opstelt als uitlegger van redactionele praktijken en van het redactionele beleid en als huiscriticus van datzelfde beleid. Ook worden zij door de eigen redactie(s) wel eens benaderd om achteraf hun oordeel te geven over het journalistieke proces of product. Zo dragen zij bij aan de transparantie van en de verantwoording door de nieuwsmedia.

Idealiter is een ombudsman meer criticus dan uitlegger. Hij is vooral de luis in de pels van de redactie die een stevige bijdrage levert aan de kwaliteit van het journalistieke product. Wanneer de nieuwsmedia vertrouwen willen winnen of vergroten door “gewoon kwaliteit te blijven leveren”, zou het aanstellen van een nieuwsombudsman een stevige impuls daartoe kunnen zijn.

Huub Evers

Het artikel Waarom elke redactie een nieuwsombudsman zou moeten aanstellen verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Page generated in 1,630 seconds. Stats plugin by www.blog.ca