Opinie: het is tijd voor Apple Prime, één bundel voor hardware en diensten

Apple wil meer geld halen uit diensten, om minder afhankelijk te zijn van hardware. Een van de oplossingen is om een bundel met hardware-producten en diensten te maken, waar je een vast maandbedrag voor betaalt. Is het tijd voor Apple Prime?

Het artikel Opinie: het is tijd voor Apple Prime, één bundel voor hardware en diensten verscheen voor het eerst op iCulture

Kunnen we nu eens serieus gaan discussiëren over de toekomst van de lokale journalistiek in Nederland?

Politiek journalist Chris Aalberts ergert zich aan de denigrerende manier waarop er over lokale journalistiek wordt gesproken. Daarmee wordt het debat over de toekomst en financiering van lokale journalistiek geen dienst bewezen. Wanneer kan dat debat nu eens serieus beginnen, vraag hij zich af.

De lokale journalistiek zit in het slop en er zijn maar weinig ideeën hoe dat kan verbeteren. Een van de weinige concrete voorstellen is het Leids Mediafonds: een fonds gefinancierd door de gemeente Leiden waar journalisten subsidie kunnen aanvragen voor onderzoeksjournalistieke projecten. Of het een goed idee is blijft afwachten. Gelukkig is de discussie over het fonds van een erg hoog niveau. Een citaat:

‘En daar verscheen (…) een journalistieke productie die de wereld moet veranderen. In het Leiderdorps Weekblad – wie leest hem niet? – stond de allereerste productie van het Leids Mediafonds, een initiatief dat de kwijnende regionale journalistiek in Leiden en omgeving moet redden.’

Aan het woord is Maarten Keulemans, een wetenschapsjournalist voor de Volkskrant. Hij schrijft dit op De Nieuwe Reporter, een blog waarvan je zou denken dat het dé plek is om het debat over de toekomst van de lokale journalistiek te voeren. Maar nee. Keulemans meldt dat hij de eerste publicatie – enkele interviews – beneden alle peil vindt. Dat was het.

Weg met het neerbuigende gedoe

Het stuk van Keulemans begint precies zoals je dat van landelijke journalisten verwacht: met een neerbuigende toon. In theorie vindt iedereen lokale journalistiek belangrijk, maar de onderstroom is heel anders. Zou een stukje in het Leiderdorps Weekblad ‘de wereld veranderen’? Natuurlijk niet, want het betreft een krantje uit Leiderdorp. En dat is ook maar een van de honderden gemeenten in Nederland. Er is niets speciaals aan Leiderdorp, net als dat het Leiderdorps Weekblad ongetwijfeld een krantje is zoals je het in elke gemeente in Nederland kunt tegenkomen.

Een jaar lang deed ik verslag van de politiek in Den Helder. Een veel voorkomende reactie op die stukken was de vraag waarom ik in hemelsnaam over een oninteressante, kleine gemeente schreef. Soms twijfelde men aan de relevantie en het belang van het schrijven over gemeentepolitiek op zich. In andere gevallen zei men dat er vast wel ‘een lokaal sufferdje’ was die dit al deed. Die manier om een medium te categoriseren zegt alles. Als de journalistiek zelf niet met waardering over lokale journalistiek spreekt, hoe moet deze dan ooit nog opleven?

Geen echte primeurs natuurlijk

Keulemans suggereert dat het Leids Mediafonds tot enorme primeurs moet leiden. Het punt is nou juist dat de meeste lokale journalistiek dat niet doet omdat primeurs, schandalen en scoops in één gemeente per definitie beperkt zijn.

Waar is in een gemeente nou eigenlijk behoefte aan? Juist: stukjes over gemeenteraadsvergaderingen die over hele lokale thema’s gaan die buiten de gemeente niemand iets interesseren maar waar burgers bij lokale verkiezingen toch wellicht wel hun stem op willen baseren. Heel alledaags en lokaal. Maar vooral nuttig.

Zo komen we bij het echte probleem van het Leids Mediafonds. In Leiden is men kennelijk erg bezorgd over de lokale journalistiek. Dat is niet terecht want er zijn meerdere media, waaronder een dagblad, een weekblad en een lokale omroep. Die laatste krijgt al subsidie. Het is best nobel om geld in journalistiek te willen steken, maar als je dat doet zoals het Leids Mediafonds, krijg je heel veel losse projectjes die in essentie niet doen waar behoefte aan is: meer structurele politieke verslaggeving. Dat laatste is via het fonds niet structureel subsidieerbaar.

Meer diepgang in Leiden

Wat is echt nodig? Er moeten gewoon meer verslaggevers bij gemeenteraadsvergaderingen zitten en die moeten meer tijd hebben voor achtergrondsgesprekken met politici en met andere betrokkenen. Er is nu een enorm gebrek aan tijd voor verdieping. Subsidie kan dat wellicht oplossen. Dat zou ertoe kunnen leiden dat journalisten meer research kunnen doen, niet meteen alles online hoeven te gooien en zo zou de lokale journalistiek echt een kwalitatieve impuls kunnen krijgen. Maar in Leiden zijn alleen losse projecten subsidieerbaar waarvan niemand weet of er überhaupt een publiek voor is.

Ik was een tijdje terug bij de introductie van het Leids Mediafonds. Iedereen was blij want er kwam meer geld voor de journalistiek. Ik was daarna ook bij een conferentie van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek: een hele zaal vol journalisten klapte de handen blauw voor de Leidse wethouder die een grote zak geld kwam brengen. Niemand kwam een stap verder dan dat er gelukkig weer geld voor journalistiek was. Zouden we het niet eens moeten hebben over wat er echt aan lokale journalistiek nodig is en hoe we dat kunnen financieren? Zonder neerbuigende toon graag.

Chris Aalberts kreeg voor een project ook subsidie van het Leids Mediafonds.

Chris Aalberts

Het artikel Kunnen we nu eens serieus gaan discussiëren over de toekomst van de lokale journalistiek in Nederland? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Gaat dit mediafonds de regiojournalistiek echt redden?

Een heuglijk moment: de eerste journalistieke verhalen die zijn gesubsidieerd door het Leids Mediafonds, zijn gepubliceerd. Hoewel, heuglijk? Maarten Keulemans wordt niet erg blij van de producties en vraagt zich af of het fonds niet te laat is om de op sterven liggende regiojournalistiek te redden.

En daar verscheen, zo tussen Sint en de Kerstman door, een journalistieke productie die de wereld moet veranderen. In het Leiderdorps Weekblad – wie leest hem niet? – stond de allereerste productie van het Leids Mediafonds, een initiatief dat de kwijnende regionale journalistiek in Leiden en omgeving moet redden.

Het idee is geweldig, vind ik althans. De regionale journalistiek wordt immers ernstig bedreigd, door afhakende lezers, opdrogende advertentie-inkomsten en kapot bezuinigde redacties. En daarmee dreigen de dorpen en middelgrote steden, toch de haarvaten van de samenleving, iedere vorm van onafhankelijke journalistieke controle te verliezen.

Bij de meeste gemeenteraden staan de perstribunes inmiddels stof te vergaren; laat staan dat er ooit nog een journalist de gemeentelijke declaraties controleert, kritische vragen stelt aan de wethouder of zich verdiept in het handjeklap tussen de gemeente en de projectontwikkelaars.

De gemeente betaalt zijn eigen waakhond

Het Leids Mediafonds moet daarin verandering brengen. Het fonds, onafhankelijk beheerd, verdeelt subsidie van de gemeente Leiden over journalistieke projecten. Uniek, moedig en best visionair eigenlijk: de gemeente die zijn eigen waakhond betaalt.

Dan moet die waakhond alleen wel een beetje kunnen keffen natuurlijk. En de eerste journalistieke productie betaald door het fonds laat wat dat betreft toch wel wat te wensen over, bemerkte ik toen ik licht rillend van opwinding de eerste staats-PDF open klikte.

Geen splijtende primeur. Geen stof opwaaiende reportage. Geen spraakmakend interview. Nee: het eerste dat we te zien kregen was… jawel, een interview met de wethouder van Leiderdorp. SAMEN MET BEWONERS NADENKEN OVER ENERGIETRANSITIE IN DE ORANJEWIJK stond erboven. Een kop die de lezer op het puntje van zijn stoel zal brengen, zullen we maar zeggen.

Ambtelijk jargon zonder tegenvragen

In het interview legt de wethouder in beheerst ambtelijk jargon en niet gehinderd door enige tegenvraag uit dat de CO2-uitstoot ook in Leiderdorp omlaag moet en welke procedures daarvoor in stelling zijn gebracht. Citaat: ‘Dat zijn stevige doelstellingen en er wordt hard gezocht naar maatregelen om die te realiseren.’

Waarna de wethouder nogmaals benadrukte dat hij toch echt vooral samenwerkt met de bewoners. En dat er een ‘drukbezochte’ bijeenkomst was geweest waar volgens de wethouder allemaal ‘positieve’ dingen waren gebeurd, maar waar de verslaggever merkwaardigerwijs ontbrak.

Vooruit, volgende artikel dan maar. Alweer een interview. Met de ‘EnergieAmbassadeur’ ditmaal en alweer onder een kop waarvan het nog lang onrustig zal zijn in Leiderdorp: PRATEN OVER DUURZAAMHEID WERKT OOK NOG VERBINDEND IN DE WIJK. Knalt de interviewer er eens flink in: ‘Hoe pak jij je rol als energieambassadeur op?’

De journalistiek wakker kussen?

Artikel nummer drie, misschien? We zien een grijze mevrouw die glimlachend naar haar meterkast wijst. VOLOP BEZIG MET VOORBEREIDINGEN OP EEN GASVRIJE TOEKOMST verduidelijkt de kop boven – alweer – een interview. Want ook mevrouw Van Goozen is er ‘klaar voor’ en is ‘hard bezig’ om ‘van het gas af’ te komen, stelt het stuk monter.

Nou ja, tot je bij de een na laatste alinea komt. Van Goozen is waarschijnlijk al te oud om haar investering nog terug te verdienen, staat daar kort, en trouwens: onduidelijk is hoe ze sowieso aan het geld moet komen om haar woning om te bouwen. ‘Kortom, nog volop vragen, vooral over de financiële kant’, strijkt de interviewer die onverwachte dissonant vlug glad.

Kom, het is het Leiderdorps Weekblad maar, zult u zeggen. Het plaatselijk sufferdje, waar het gouden echtpaar een hand krijgt van de burgemeester en klaverjasvereniging Hartje Troef zijn uitslagen publiceert. Dat zal, maar was dit initiatief niet juist bedoeld om de kritische, onafhankelijke journalistiek wakker te kussen? Júíst hier, tussen de aankondigingen van de kerkdiensten op zondag en het laatste nieuws over de rolstoeluitleen in de Winkelhof in?

Te laat?

Toegegeven, dit was nog maar de eerste productie, op stapel staan nog zeventien projecten die er stuk voor stuk best veelbelovend uit zien. Maar toch, zorgen baart het me wel. Zo’n pagina waarop de wethouder zijn plannen mag toelichten en mevrouw Van Goozen mag zeggen hoe blij ze daarmee is: noemden we dat vroeger niet gewoon ‘de gemeenteberichten’?

Ik hoop van harte dat het Mediafonds opzienbarende, mooie en belangrijke producties voortbrengt. Ik hoop dat er onthullingen komen, en eye-openers, want journalistiek hoort nu eenmaal een beetje te schuren.

Maar ik sluit ook niet uit dat het voor de regiojournalistiek inmiddels te laat is – en dat het fonds in al zijn goede bedoelingen bezig is een allang opgegeven lijk te reanimeren.

Maarten Keuelmans

Het artikel Gaat dit mediafonds de regiojournalistiek echt redden? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Waarom elke redactie een nieuwsombudsman zou moeten aanstellen

Elke redactie verdient een ombudsman, vindt Huub Evers, die zelf ombudsman is voor De Limburger. Zo’n ombudsman fungeert als een luis in de pels van de redactie: iemand  die voortdurend over de schouders van de redactie meekijkt en daar publiekelijk commentaar op geeft. Dat is een goede stimulans voor journalisten om hun werk zorgvuldig te doen.

Hoe kunnen burgers zich snel en adequaat verdedigen tegen aanvallen in de pers? Is het zinvol daartoe een wettelijk vastgelegd antwoordrecht in te voeren zoals onze zuider- en oosterburen dat hebben in de vorm van een droit de réponse c.q. een Gegendarstellungsrecht?

Dat was enkele weken geleden aan de orde in een opiniestuk van Jan van Vegchel in Trouw. Enkele hoofdredacteuren lieten desgevraagd op De Nieuwe Reporter weten niet veel te zien in zo’n idee. Daarmee was dit proefballonnetje onschadelijk gemaakt, terwijl de vraag blijft staan: waar kan de mondige mediaconsument met zijn ongenoegen naar toe?

Partijtje mediakritiek

Een rondje langs de velden van de websites van landelijke en regionale dagbladen en omroepen plus een enkele nieuwssite maakt duidelijk dat op de meeste plaatsen de mogelijkheden om kritische opmerkingen of regelrechte klachten achter te laten vrij beperkt zijn. Meestal is er een contactformulier en een algemeen telefoonnummer en mailadres, soms van de redactie als geheel, soms per deelredactie.

Een uitvoerig colofon met alle namen van de dames en heren journalisten kom je niet zo vaak tegen. Een mailadres van al die journalisten vond ik alleen bij Het Parool. Een profielpagina per journalist trof ik nog nergens aan. Wel een lijst met foto’s en kort cv van presentatoren en redacteuren, maar dan weer zonder mailadres, bijvoorbeeld bij Brandpunt+ en De Monitor.

Op sommige sites (bijvoorbeeld bij NRC Handelsblad) is er de mogelijkheid om te reageren op een artikel door een formulier in te vullen. Daarmee kan de lezer de redacteur wijzen op een taalfout of feitelijke onjuistheid of kan hij een opmerking maken over het artikel. Ook het geven van een al dan niet anonieme tip behoort tot de mogelijkheden.

De NOS heeft voor taalfouten een speciaal mailadres en voor allerlei reacties het mailadres van de afdeling publieksreacties. In kranten staan vaak de mailadressen van de schrijvers onder de stukken. Bovendien is er altijd nog de oude vertrouwde ingezonden brief. En daarnaast kan ieder die dat wil zijn kritiek kwijt op sociale media als Twitter en Facebook. Op deze fora speelt zich van tijd tot tijd een stevig partijtje mediakritiek af.

Doelmatig en adequaat

Beter dan het invoeren van een antwoordrecht is het aanstellen van een nieuwsombudsman op iedere redactie. Hij of zij zou een belangrijke rol kunnen spelen bij het herstellen of vergroten van het vertrouwen van het publiek in de pers. Overigens is het in ons land helemaal niet zo slecht gesteld met dat vertrouwen, zo blijkt uit recent onderzoek. Ook over de betrouwbaarheid van nieuws zijn de meeste Nederlanders in deze tijden van nepnieuws en verwijten aan de “linkse en bevooroordeelde Lügenpresse” niet negatief.

Toch is er van tijd tot tijd discussie over de vraag wat redacties zouden kunnen doen om verdwijnend vertrouwen te herstellen of te vergroten. In de antwoorden op deze vragen komen steevast de volgende antwoorden terug: gewoon kwaliteit blijven leveren, transparant zijn en verantwoording afleggen. Journalisten, zo is dan de redenering, nemen alles en iedereen de maat, maar waar blijft de mediakritiek, de kritische toetsing van het journalistieke handelen aan de eigen kwaliteitsstandaarden?

Zelfkritiek en zelfreflectie is onderdeel van elke professionele beroepsbeoefening (of zou dat moeten zijn), maar in de journalistieke praktijk kan de huidige werkdruk op veel redacties met zich meebrengen dat voor reflectie op eigen en andermans handelen weinig tijd wordt uitgetrokken.

Hier kan zo’n ombudsman goede diensten bewijzen. Idealiter is dat iemand:

“die op basis van volledige onafhankelijkheid de klachten van de nieuwsconsument doelmatig en adequaat behandelt, die het journalistieke product van het medium waaraan hij is verbonden publiekelijk kritisch beoordeelt op kwaliteit en presentatie en die zijn beoordeling plaatst in het licht van relevante vraagstukken van journalistieke ethiek.”

Deze interne of externe criticus schrijft geregeld (meestal wekelijks) een rubriek waarin hij op basis van klachten of van eigen observaties het handelen van de redactie onder de loep neemt. Alleen al het feit dat er iemand is die voortdurend over de schouders van de redactie meekijkt en daar publiekelijk zijn licht over laat schijnen, is al een stimulans voor journalisten om hun werk zorgvuldig te doen.

Raad voor de Journalistiek

Heeft de mondige mediaconsument niet genoeg mogelijkheden om uiting te geven aan zijn ongenoegen? En kan in dit digitale tijdperk niet volstaan worden met de opmerking dat elke journalist zijn of haar eigen ombudsman moet zijn? Maar wat te doen wanneer journalisten niet adequaat reageren, bijvoorbeeld pas na een week met een nietszeggend tweeregelig antwoord? Of wanneer de boze burger helemáál geen antwoord krijgt? Of wanneer de ingezonden brief niet wordt geplaatst? Of wanneer de kritiek niet betrekking heeft op een artikel, maar op de koers van de krant of het programma? Of op de door journalisten gevolgde werkwijze?

Burgers kunnen met klachten toch naar de Raad voor de Journalistiek? Daarbij moet worden bedacht dat niet alle redacties meewerken met de Raad en dat in dat geval een klacht niet in behandeling wordt genomen, tenzij die klacht volgens de Raad “van algemene strekking of principieel belang is”. Ook moet een klager direct belanghebbende zijn. Dat betekent meestal dat hij in het artikel of in de uitzending genoemd wordt of herkenbaar aangeduid.

Bovendien is het in de praktijk vaak toch nog een hele stap voor mensen om met hun ongenoegen de weg naar de Raad in te slaan. Heel vaak, zo is mijn ervaring, is dat ook helemaal niet de bedoeling. Mediaconsumenten willen serieus genomen worden, willen een adequate reactie op hun kritiek. Daarom zou elke redactie een vast aanspreekpunt moeten hebben waar de lezer, kijker of luisteraar met vragen, opmerkingen of kritiek terecht kan.

Dat zou een ombudsman of lezersredacteur kunnen zijn zoals we die kennen. Meestal afkomstig uit de gelederen van de redactie zelf. Soms een extern ombudsman zoals de schrijver van dit artikel. Het zou ook een ombudsfunctie kunnen zijn in de vorm van een lezersredactie, althans wanneer men daar met vragen, opmerkingen, kritiek en klachten terecht kan.

Genderneutrale ombudsman

Tien jaar geleden, zo blijkt uit een inventarisatie [pdf], telde ons land bij de landelijke media twee ombudsmannen, namelijk bij de Volkskrant en de NOS. Daarnaast waren er bij de regionale dagbladen acht lezersredacteuren en één ombudsman. Het AD had eerder ook een ombudsman en daarna een uit negen personen bestaande lezersredactie die in de landelijke editie en in de regionale titels een rubriek hadden waarin ze uitleg gaven en inspeelden op vragen van lezers.

Nu, tien jaar later, zijn de lezersredacteuren bij de regionale dagbladen verdwenen. De landelijke kranten de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw hebben een ombudsman. Bijna twee jaar geleden benoemde de NPO een ombudsman bij wie het publiek terecht kan met opmerkingen en klachten over alle journalistieke programma’s (zowel radio als televisie als online) van alle publieke omroepen. In de wereld van de regionale kranten en omroepen is er welgeteld één (externe) ombudsman, namelijk bij het dagblad De Limburger.

Overigens is de term ‘ombudsman’ een uit het Zweeds afkomstige, genderneutrale term waarmee zowel mannen als vrouwen worden aangeduid. Daarom heeft de NPO een vrouwelijke ombudsman! Soms wordt de term ‘nieuwsombudsman’ gebruikt om verwarring met bijvoorbeeld de Nationale Ombudsman te voorkomen. In mijn eigen praktijk als ombudsman is het wel eens voorgekomen dat iemand mailde in de veronderstelling met de Nationale Ombudsman te maken te hebben.

Meer criticus dan uitlegger

Hoe onafhankelijk is zo’n nieuwsombudsman eigenlijk? Die vraag is niet onbelangrijk, zeker wanneer hij of zij afkomstig is uit de eigen redactie en/of op de loonlijst staat van het mediabedrijf waarover hij of zij geacht wordt zich kritisch uit te laten. Vaak is er een statuut waarin die onafhankelijke positie is vastgelegd. Doorgaans legt de ombudsman zijn column vooraf voor aan de hoofdredactie, overigens enkel ter informatie. Uiteindelijk is en blijft de hoofdredactie immers verantwoordelijk voor de gehele redactionele inhoud van een krant.

De vraag hoe kritisch en onafhankelijk een ombudsman zich opstelt, kan, althans ten dele, beantwoord worden door de columns te analyseren zoals onderzoekers dat deden [pdf]. Dan blijkt dat de ombudsman zich afwisselend opstelt als uitlegger van redactionele praktijken en van het redactionele beleid en als huiscriticus van datzelfde beleid. Ook worden zij door de eigen redactie(s) wel eens benaderd om achteraf hun oordeel te geven over het journalistieke proces of product. Zo dragen zij bij aan de transparantie van en de verantwoording door de nieuwsmedia.

Idealiter is een ombudsman meer criticus dan uitlegger. Hij is vooral de luis in de pels van de redactie die een stevige bijdrage levert aan de kwaliteit van het journalistieke product. Wanneer de nieuwsmedia vertrouwen willen winnen of vergroten door “gewoon kwaliteit te blijven leveren”, zou het aanstellen van een nieuwsombudsman een stevige impuls daartoe kunnen zijn.

Huub Evers

Het artikel Waarom elke redactie een nieuwsombudsman zou moeten aanstellen verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Naar impact hoeft een journalist niet te zoeken. Naar wát voor impact des te meer

Moeten journalisten louter uitzoeken, of ook helpen zoeken naar oplossingen voor problemen waarover ze publiceren? Karel Smouter betoogt dat journalisten niet alleen nieuwsgierig moeten zijn naar de oorzaken en gevolgen van een probleem, maar ook naar wat er mogelijk aan gedaan kan worden.

In hun knappe VVOJ-essay, ook verschenen in NRC Handelsblad, moedigen Investico-redacteuren Jeroen Trommelen en Thomas Muntz hun collega’s aan vooral niet te veel en te nadrukkelijk op zoek te gaan naar ‘impact’. Dit zou namelijk ten koste gaan van het meest essentiële ingrediënt voor goede journalistiek: nieuwsgierigheid.

Uitzoeken hoe het zit, eventuele missstanden blootleggen, dat is ‘impact’ genoeg voor een journalist, betoogt het tweetal. In hun essay wordt de verklaring voor dit streven naar impact gezocht bij de opkomst van ‘constructieve journalistiek’. Journalistiek die er naar streeft een constructieve bijdrage te leveren aan de samenleving waar zij verslag van doet. Dat streven zou een ongewenste vooringenomenheid met zich meebrengen.

Zowel in mijn vorige rol als adjunct-hoofdredacteur bij De Correspondent als, tegenwoordig, journalistiekdocent bij Hogeschool Windesheim te Zwolle ben ik een overtuigd pleitbezorger van deze journalistieke beroepsopvatting. Daarom klim ik graag even in de pen op hun essay te reageren.

Elk journalistiek product heeft impact

Nu is het verleidelijk om te reageren met ‘jullie hebben het niet begrepen, laten we het nog eenmaal uitleggen’. Want op Hogeschool Windesheim en op andere plekken waar ik trainingen verzorg hamer ik júist op constructieve journalistiek als extra uitzoekwerk, bovenop het uitzoeken van de essentiële vijf W’s: Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom.

We vragen op Windesheim onze studenten om door te vragen naar wat er aan een maatschappelijk probleem of misstand wordt gedaan. We vragen ze om de vraag ‘Wat nu?’ toe te voegen aan hun journalistieke repertoire, in plaats van alles alleen nog maar door een constructieve lens te bekijken. De tegenstelling tussen ‘oplossen’ en ‘uitzoeken’ is er dus een die ik niet uit de praktijk herken.

Ook het idee dat streven naar impact een doel op zichzelf zou zijn, herken ik niet. Wel maken we studenten en collega’s bewust van het feit dat élk journalistiek product impact heeft, of je daar nu naar streeft of niet. Als een regionale omroep in 80% van haar berichten over criminaliteit rept, heeft dat invloed op het gevoel van veiligheid van burgers. Daarom is het óók je taak om je bewust te zijn van de rol die je hebt als journalist. Je bent geen neutraal doorgeefluik, maar jouw keuzes dóen er toe.

Het hoe en waartoe van de journalistiek

Mits goed uitgevoerd en onderwezen levert dat juist nieuwsgieriger journalisten op. Sterker nog: geslaagde constructieve journalistiek is net zo serieus en rigoureus in het blootleggen van maatschappelijke problemen als in het analyseren van de interventies die deze problemen proberen te verhelpen. Wie over eerlijke handel bericht moet bijvoorbeeld júist op zoek naar wat de beste manier is om dit te bevorderen. En of die keurmerken die in het leven zijn geroepen bijvoorbeeld doen wat ze beloven en wat de pleitbezorgers van eerlijker handel hebben opgestoken van hun jarenlange lobby.

Maar ik geloof niet dat zo’n repliek de bezwaren van de heren hiermee overtuigend wegneemt. Liever zou ik die geformuleerde bezwaren dan ook gewoon laten staan. Want ja, constructieve journalistiek brengt – zoals elke reflectie op ons vak– inderdaad mogelijke valkuilen, eenzijdigheden en blinde vlekken met zich mee. En het is eigenlijk wel prettig om daar zo nu en dan eens op gewezen te worden.

Sterker nog: constructieve journalistiek is voor alles een wereldwijd gesprek over het hoe en waartoe van de journalistiek en geen ideologie die te vuur en te zwaard moet worden verdedigd. Ik verwelkom het essay van Trommelen en Muntz dan ook als een belangrijke bijdrage aan dit gesprek.

Is alle constructieve journalistiek constructief?

Wat de discussie vaak vertroebeld is dat niet alles dat constructieve journalistiek lijkt te zijn dat daadwerkelijk is. Of, zoals elke journalistieke stroming, er zijn geslaagde en minder geslaagde voorbeelden te geven.

In een bijzonder nuttig artikel op de website van het Solutions Journalism Network – de Amerikaanse evenknie van het Europese Constructive Journalism Network – worden zeven voorbeelden genoemd van journalistiek die zich voordoet als constructieve journalistiek, maar de plank niettemin net misslaat.

Journalistiek waarin eenzijdig een held op een voetstuk wordt geplaatst, bijvoorbeeld, of artikelen waarin één oplossing als ‘silver bullet’ voor een groot probleem gepostuleerd wordt. Of denk bijvoorbeeld aan ‘denktank’-journalistiek waarin oplossingen worden opgevoerd die nog niet bestaan en dus nog niet door de realiteit getest zijn. Ook van ‘instant activisme’, ofwel artikelen met een doneer- of petitieknop op het einde wordt in het artikel nadrukkelijk afstand genomen.

De belangrijkste toetssteen voor goede constructieve journalistiek, zo leer ik ook aan mijn studenten, is deze: ben je net zo nieuwsgierig naar de oorzaken en gevolgen van een probleem als naar wat daar mogelijk aan gedaan kan worden?

Geslaagde voorbeelden van constructieve journalistiek

Wat zijn dan wél geslaagde voorbeelden van constructieve journalistiek? Die vind je juist in de onderzoeksjournalistiek. Zo wil ik toch de ook in het essay van Muntz en Trommelen aangehaalde De Correspondent-producties van Jesse Frederik over de schuldenindustrie. Pas na een dik jaar diepgravend onderzoek naar de structurele oorzaken van de Nederlandse schuldencrisis ging hij op zoek naar mogelijke oplossingen. Deze oplossingen hield hij – samen met zijn publiek – ook beleidsmakers voor middels het Schuldvrij-manifest.

Zijn verhalen hadden hoe dan ook impact, maar in plaats van zijn publiek achter te laten met een machteloos gevoel gaf hij hen iets in handen om – samen met hem – de macht beter te controleren. Hij verleent als het ware nazorg voor zijn publiek. Wanneer deze oplossingen worden geïmplementeerd wordt het interessant om uit te zoeken of deze oplossingen hun belofte waarmaken.

Wat dat betreft is de berichtgeving van Jesse’s collega Rutger Bregman over het basisinkomen een goed voorbeeld. Hij begint met het signaleren van de tekortkomingen van de verzorgingsstaat zoals die is, introduceert vervolgens een mogelijke oplossingsrichting – het basisinkomen – maar blijft vervolgens kritisch monitoren in hoeverre de experimenten die daar wereldwijd mee gedaan worden uitpakken als beloofd. Een oplossing is voor een constructieve onderzoeksjournalist weinig anders dan een werkhypothese die in de werkelijkheid moet worden getoetst. Als de werkelijkheid anders uitpakt dan verwacht bericht een goede constructieve journalist daar vanzelfsprekend net zo goed over.

Een goed voorbeeld van deze werkwijze is te zien in een ander artikel op De Correspondent: Maite Vermeulens stuk over door de EU gefinancierde cursussen voor teruggekeerde migranten in Nigeria. Dat stuk is praktisch lesboek materiaal voor constructieve journalisten in opleiding. Ze schetst eerst uitvoerig en indringend het probleem (migranten keren depressief terug naar huis), vervolgens de geboden oplossing (cursussen om je leven opnieuw in te richten) om tenslotte op basis van haar journalistieke bronnen tot een gewogen oordeel over die oplossing te komen. De oplossing werkt, zo concludeert ze, maar lijkt tegelijk een nieuw probleem te scheppen: jaloezie onder degenen die níet getracht hebben Europa te bereiken maar wél de cursus zouden willen krijgen

Nadenken over impact van onthullingen

Laat ik ten slotte duidelijk zijn. Dat onderzoeksjournalistiek in voorkomende gevallen tot onthullingen leidt die populisten in de kaart speelt, zoals Joris Luyendijk eerder dit jaar signaleerde, is geen reden om daar van af te zien. Wél lijkt het me nuttig om je als onderzoeksjournalisten af te vragen welke reacties je met je onthullingen oproept bij het publiek. Wat voor impact je precies hebt.

Dáármee kun je als constructieve journalist het verschil maken. Bijvoorbeeld door incidenten die je aan het licht brengt goed in context te zetten. Signaleer je ergens fraude? Vertel er dan óók bij wat daar aan gedaan wordt en of die pogingen een beetje succesvol zijn. Ben je – zoals ikzelf geregeld in mijn journalistieke werk – een misstand in een kerk op het spoor? Laat dan óók zien of dit een marge- of een mainstreamverschijnsel is.

De manier om populisten de wind uit de zeilen te nemen is, lijkt me, júist niet door een andere kant op te kijken, maar door het héle verhaal over de werkelijkheid te vertellen. Om te laten zien dat tegenover elke schurk een held staat, tegenover iedere boef een klokkenluider en tegenover iedere ramp een plan om dit te voorkomen.

Want of je die nu zoekt of niet: impact héb je, als journalist. Soms groot, soms nauwelijks merkbaar. Maar toch. En dus ook de verantwoordelijkheid over het sóórt impact dat je op de wereld achterlaat. Trommelen en Muntz zijn van harte welkom om daar – bijvoorbeeld op ons volgende CoJo Café, 14 december te Zwolle – met ons over te spreken.

Lees het VVOJ-essay van Jeroen Trommelen en Thomas Muntz op nrc.nl: Journalist, los niet op, maar zoek uit.

Lees meer over constructieve journalistiek op de website constructievejournalistiek.nl van Hogeschool Windesheim .

Karel Smouter

Het artikel Naar impact hoeft een journalist niet te zoeken. Naar wát voor impact des te meer verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Het recht op weerwoord zal de journalistiek transparanter en betrouwbaarder maken

Reactie op een Pavlov-reactie van hoofdredacteuren

Hoofdredacteuren van Nederlandse media reageren afwijzend op het idee om burgers recht op weerwoord te geven als ze negatief in het nieuws komen. Jan van Vegchel vindt het een Pavlovreactie en is ervan overtuigd dat door het recht op weerwoord het vertrouwen in de journalistiek alleen maar zal groeien.

De meeste hoofdredacteuren zien weinig in mijn voorstel om burgers een recht op een (digitaal) antwoord te geven als ze in de media worden genoemd, concludeert De Nieuwe Reporter op 2 november.

Eric Smit (Follow the Money) is er niet op tegen, maar anderen vrezen een ontsporing zoals in België (Peter Vandermeersch, NRC), een uitholling van de functie van de journalistiek om feiten te wegen (Joost Oranje, Nieuwsuur), een inbreuk op de autonomie van het medium (Arendo Joustra, Elsevier) en onterechte aandacht voor allerlei gekkies (Jeroen Trommelen, Investico). Bovenal is een van bovenaf opgelegde verplichting ongewenst (Marcel Gelauff, NOS Nieuws) en ook niet nodig (Martijn Roessingh, Trouw), want wie iets te klagen heeft kan naar de Raad voor de Journalistiek of de rechter. Helaas regeert de Pavlov-reactie.

Natuurlijk, in de ideale wereld waarin journalisten afgewogen, fair en foutloos berichten, altijd wederhoor halen, die reacties ruimhartig opnemen en hoofdredacties onvermoeibaar een welwillend luisterend oor bieden aan teleurgestelde lezers, kijkers en luisteraars is een recht van antwoord niet nodig. Helaas bestaat dat journalistieke paradijs niet.

Betere journalistiek

De praktijk is dat burgers regelmatig (naar hun gevoel) worden beschadigd door berichtgeving, soms opzettelijk, soms per ongeluk, en dat hoofdredacties dat niet altijd adequaat kunnen of willen repareren. De Raad voor de Journalistiek en de rechter kunnen dat leed enigszins verzachten, maar omdat ze traag werken (en forse drempels kennen) hebben de getroffen burgers daar à la minute niets aan.

Het resultaat is dat ze het heft in eigen hand nemen door op Twitter of Facebook het betreffende medium af te fakkelen (hetgeen het medium meestal geen goed doet) of zich helemaal af te keren van de journalistiek omdat die toch niet te vertrouwen zou zijn (waar het medium evenmin blij van zou moeten worden).

Mijn pleidooi om de, al dan niet terecht, verongelijkte burger een alternatief te geven, juist omdat dat dankzij internet zo makkelijk kan, is dan ook ingegeven door de overtuiging dat dit de journalistiek transparanter en betrouwbaarder zal maken. Het vertrouwen in de betere media zal alleen maar groeien.

Bezwaren

In België en Duitsland bestaat het recht van antwoord al meer dan 150 jaar. Natuurlijk is het daar niet perfect, zoals ook blijkt uit mijn onderzoek [pdf], maar zowel de Belgische als de Duitse hoofdredacteuren kunnen er blijkbaar mee leven. En de burgers ook, want het wordt in beide landen regelmatig gebruikt. De excessen waar Vandermeersch voor vreest, zijn op de vingers van één hand te tellen.

Bovendien veegt mijn voorstel om burgers het recht te geven op een hyperlinkje dat leidt naar hun eigen website of Facebook-pagina, als ze in een artikel worden genoemd, juist de grootste praktische bezwaren van tafel: het kost zendtijd noch krantenmillimeters. De journalist kan nog steeds alle feiten wegen, deze met zijn ‘waarheidskeurmerk’ publiceren, in volledige autonomie, alleen krijgt de lezer of kijker die wil weten hoe de betrokkene er zelf over denkt een hulpmiddel om ook die kant van het verhaal te horen. Een beetje journalist die zijn huiswerk heeft gedaan, zou daartegen bestand moeten zijn. (En als de reactie ontaardt in een ordinaire scheldpartij kan het medium altijd nog het linkje verwijderen.)

Gebod

De ‘linkje-verplichting’ als moderne versie van het recht van antwoord vult het gat dat de Raad voor de Journalistiek en de rechter laten vallen omdat ze niet de passende instrumenten hebben om te reageren op de digitale journalistiek.

Rest de vraag of dat digitale antwoord inderdaad een wettelijk recht moet worden, waarvoor de journalistiek traditioneel zo allergisch is. Mijn antwoord daarop is dat ik het grootste vertrouwen heb in de goede wil van mijn voormalige collega’s, maar een stok achter de deur kan nooit kwaad. Zolang sommige journalisten, verslaggevers en (hoofd)redacteuren het nog steeds moeilijk vinden om het bastion-van-het-eigen-gelijk te verlaten, is de burger geholpen met een wettelijk redmiddel om zich te kunnen laten horen.

Lees ook

Jan van Vegchel

Het artikel Het recht op weerwoord zal de journalistiek transparanter en betrouwbaarder maken verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Waarom stelt Buitenhof geen enkele kritisch vraag als de anti-vaccinatiebeweging in de uitzending is?

In het VPRO-programma Buitenhof ging het vandaag over vaccinaties. Te gast was onder andere Anne-Marie van Raaij, voorzitter van de Nederlandse Vereniging Kritisch Prikken (NVKP). Maar waarom stelt de interviewer helemaal geen kritisch vragen, vraagt wetenschapsjournalist Maarten Keulemans zich af.

Het was weer zo ver. Nadat Jeroen Pauw zich al eens vergaloppeerde aan het onderwerp, mocht de anti-vaccinatiebeweging ditmaal plaatsnemen bij Diana Matroos aan tafel, in het VPRO-programma Buitenhof ditmaal.

Vragen om moeilijkheden, natuurlijk. Maar ja, je moet toch wat met de hete aardappel die vaccinatie heet. De vaccinatiegraad daalt immers, en experts maken zich daarover grote zorgen. Journalistieke reflex: laat dan ook degenen eens aan het woord om wie het allemaal om gaat.

Een terechte gedachte natuurlijk. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de journalistieke plicht tot waarheidsvinding vereist dat je af en toe ook eens die ander aan het woord laat. Al is het maar om eens met eigen oren te horen wat voor standpunten die er eigenlijk op na houdt.

Maar diezelfde plicht tot waarheidsvinding vereist nóg iets. Namelijk: kritische vragen stellen.

Standpunten geven

En daar gaat het steeds mis. In Buitenhof zakte Diana Matroos weg in de rol van moderator in een debat. Aan tafel zit een mevrouw die tegen prikken is en een mevrouw die vóór is, laat ze het maar lekker uitzoeken met elkaar, dan zorg ik er wel voor dat ze ongeveer even vaak aan het woord komen en het item op tijd af is.

Met, toen de tijd om was, de onvergetelijke samenvatting:

‘U bent het duidelijk niet met elkaar eens. Maar u heeft allebei uw standpunt kunnen geven.’

Het ‘kunnen geven van uw standpunt’ als hoogste doel, missie bereikt! En zoekt u het thuis verder maar lekker uit.

Kritische vragen stellen

Natuurlijk had Matroos zich moeten inlezen in het onderwerp. Een goede vraag aan de jeugdarts (pro-vaccinatie):

‘Maar als vaccins echt zo veilig zijn, waarom worden er dan toch ieder jaar zo’n honderd ernstige bijwerkingen gemeld?’

Of:

‘U zegt nu dat er in de derde wereld zoveel kinderen aan mazelen overlijden, maar we leven hier toch in een land waar de gezondheidszorg beter op orde is?’

En dan Madam Prik-me-niet eens even wat kritische vragen stellen natuurlijk.

‘U zegt dat u zich heeft verdiept in het onderwerp. Dan kent u ook dat recente Nederlandse onderzoek dat uitwijst dat er zo’n 9000 kinderlevens zijn gered door vaccins tot 1992 alleen al. Hadden die dan maar dood gemoeten?’

Of:

‘U zegt dat vaccins autisme veroorzaken. Maar hoe verklaart u dan dat een recente, onafhankelijke analyse van in totaal 1,3 miljoen kinderen geen enkel verband vond?’

Of:

‘Op uw website beweert u dat je autisme kunt genezen met homeopathie. Kunt u ons eens laten zien op welk onafhankelijk medisch onderzoek u dat baseert?’

En:

‘U zegt dat er geen medisch vergelijkende onderzoeken zijn die vaccins met een placebo vergelijken. Waarom vind je er dan met één keer Googelen al meer dan tienduizend?’

En:

‘Heeft u soms zitten snoepen van de wonderpaddestoelen in het sprookjesbos, dat u dit soort rare dingen zegt?’

Goed, die vraag misschien niet, maar u snapt het idee.

Valse balans

Wat er nu ontstaat is wat experts een valse balans noemen. Enerzijds-anderzijds, alsof je twee eeuwen zorgvuldig opgebouwde medisch-wetenschappelijke kennis zomaar kunt afzetten tegen het ‘gevoel’ van een handvol moeders.

Ik zeg niet dat je dat gevoel niet serieus moet nemen. Ik ben tegen sanitaire cordons en spreekverboden. Maar schat dat gevoel in op waarde – een tamelijk particuliere mening, en maak het niet belangrijker dan het is – en onderzoek het eerlijk en kritisch. Juist dán neem je je sprekers serieus.

Afgezien daarvan, het gaat hier om kinderlevens. Geen onderwerp waarbij je als een soort technisch voorzitter achterover kunt leunen en een beetje met grote vragende ogen gaan zitten kijken (Pauw) of er vooral op letten dat alle gasten goed aan het woord komen (Matroos).

Mensen serieus bevragen kan zomaar nog aardige resultaten opleveren ook. Ik geloof dat ik dat vorige week in mijn eigen stuk over vaccinweigeren heb bewezen.

Dit stuk verscheen eerder op het weblog van Maarten Keulemans.

Maarten Keulemans

Het artikel Waarom stelt Buitenhof geen enkele kritisch vraag als de anti-vaccinatiebeweging in de uitzending is? verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Laten wij het internet temmen voor het internet ons temt

Jan Kuitenbrouwer publiceerde onlangs het boek ‘Datadictuur’. Het is een pleidooi om het internet te reguleren. Want de internetgiganten vormen een kartel. De hoogste tijd dus om het internet te onderwerpen aan publieke waarden en democratische controle.

Als ik mijn essay ‘Datadictatuur’ in één zin zou moeten samenvatten, dan zou het zijn: laten wij het internet temmen voor het internet ons temt. Het internet is de enige industrie ter wereld die nagenoeg niet gereguleerd is. In ‘Datadictatuur’ reconstrueer ik hoe dat zo gekomen is. De eenvoudigste verklaring: het internet is een neoliberaal project. Bij geboorte van het internet heeft men de omstandigheden gecreëerd zoals zij waren aan het begin van het olietijdperk: laat de pioniers met rust, geef ze de ruimte en des te sneller zullen zij deze zegenrijke technologie tot bloei brengen.

Zo ontstond begin twintigste eeuw het oliekartel (‘trust’) van John D. Rockefeller, Standard Oil, het grootste industriële conglomeraat ooit, een massief, ongereguleerd monopolie met volledige controle over het levensbloed van de economie: olie. Vervang het woord ‘olie’ door ‘informatie’ en je hebt de geschiedenis van het internet.

Ook ten tijde van de vorming van Standard Oil waren er mededingingswetten in Amerika, zij werden alleen niet gehandhaafd, tot Theodore Roosevelt Standard Oil in 1906 voor de rechter bracht. Olie werd té belangrijk voor de samenleving om de productie en distributie volledig over te laten aan private enterprise en niet wettelijk te reguleren. Data zijn de nieuwe olie, wordt wel gezegd, dus Big Tech is het nieuwe Standard Oil. Niet voor niets worden Facebook, Google en Amazon ook wel aangeduid als The Web Trust.

In de jaren tachtig werd de Amerikaanse anti-trustwetgeving te slapen gelegd, het laisser faire regeerde, maar zoals in ‘Datadictatuur’ beschrijf tekent zich in Washington sinds kort een hernieuwde belangstelling af voor trustbusting, het doorbreken van kartels. De Democraten wonnen er honderd jaar geleden immers verkiezingen mee?

Het bedorven internet

Bij de presentatie van ‘Datadictatuur’, onlangs tijdens een speciale avond in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam, debatteerde ik over dit onderwerp met Marleen Stikker. In het boek citeer ik haar uitspraak dat het internet in 25 jaar ‘bedorven’ is, en dat het misschien wel net zo lang zal duren om het weer gezond te maken. Dat wil zeggen: om het te onderwerpen aan publieke waarden en democratische controle. Stikker is directeur van Waag, een denktank over technologie en samenleving, zij was medegrondlegger van de Digitale Stad en is dé Nederlandse vertegenwoordiger van het idealisme uit die begindagen, het internet als een democratisch publiek domein, met zijn eigen ‘soevereiniteit’.

Stikker sprak lovende woorden over mijn boek, noemde het ‘belangrijk’ en ‘noodzakelijk’, maar zij had ook aanmerkingen. ‘Datadictatuur’ is een pleidooi om een eind te maken aan de speciale voorechten die de techindustrie geniet, een erfenis van toen zijn nog kwetsbare startups waren, om cyberspace niet langer te behandelen als een buitenaards gebiedsdeel en te reguleren als elke andere industrie. Of, beter nog, in sommige gevallen, als een nutsvoorziening, onderdeel van de publieke infrastructuur. Stikker had in het boek graag meer aandacht gezien voor wat organisaties als Waag doen: het ontwikkelen van alternatieven.

Maatschappelijke idealen delven het onderspit

Fundamenteel nadenken over de maatschappelijk verantwoorde toepassing van technologie is uiteraard heel nuttig, uit dat soort denken is het internet ook voortgekomen, maar het is niet voor niets dat die beweging sindsdien ernstig gemarginaliseerd is. Het economisch potentieel van digitale technologie is zo kolossaal, maatschappelijke idealen blijven in zo’n commerciële schokgolf zelden overeind.

De internetindustrie bestaat uit bedrijven voor wie ‘making the world a better place’ nog slechts een holle PR-frase is, terwijl er in werkelijkheid een keihard kapitalistisch spel gespeeld wordt met als inzet groei, winst en een gezonde beurskoers, en uit bedrijfjes die ernst maken met hun idealen en een marginaal bestaan leiden. Het is logisch: je hoeft echt niet zo heel veel talent te hebben om in de tech-wereld heel veel geld te verdienen, tegen die verleiding zijn niet zoveel mensen bestand.

Marleen Stikkers oude kompanen uit de tijd van computertijdschrift Hack-tic en de Digitale Stad waren ook de oprichters van XS4All, dat zij in 1998 verkochten aan KPN, het voormalige staatsbedrijf waarmee zij het als hackers geregeld aan de stok hadden. De argumenten waren geijkt: schaal, marktontwikkelingen, synergie, niemand leeft op een eiland, enzovoorts. En, o ja, 120 miljoen voor de oprichters.

Luxe liefhebberij

Voor een boer hoeft de omschakeling naar biologische landbouw geen financieel offer te zijn, sterker, velen doen het uit commerciële overwegingen. Hoe meer boeren en producenten dat doen, hoe goedkoper biologische producten worden, hoe groter het marktaandeel, enzovoorts. Zo werkt het in de digitale industrie niet: wie daar voor het ideële alternatief kiest, zegt ‘nee’ tegen een flinke zak geld.

En dan is er nog de zogeheten killzone: elke startup die maar enig potentieel vertoont wordt door Big Tech direct opgekocht, gestript voor onderdelen of zelfs dat niet en integraal in de ijskast gezet.

Natuurlijk moet er gewerkt worden aan alternatieve technologie, maar veel meer dan een luxe liefhebberij van de happy few zal het niet gauw worden. Neem de Fairphone, een mens- en milieuvriendelijke mobiele telefoon, in Nederland ontwikkeld, mede door Waag. (Een schitterend product, overigens, al is het mij een raadsel waarom het met Android werkt, onderdeel van megamonopolist Google.) In de vijf jaar die het kostte om 200.000 Fairphones te verkopen (optimistische schatting), werden wereldwijd in totaal ongeveer 1 miljard smartphones geproduceerd. Dat komt neer op een marktaandeel van 0,02 procent.

De overige 99,98% kan intussen ongehinderd door Big Tech worden gemanipuleerd. De enige manier om daar iets aan te veranderen, is met regulering. Daarom ligt daar het accent op in ‘Datadictatuur’. Want, zoals de koppenmaker van NRC het boek in één zin nóg beter samenvatte: ‘Als wij het internet vrij laten, neemt het ons gevangen.’

Jan Kuitenbrouwer (2018). Datadictatuur: Hoe de mens het internet de baas blijft. 128 pagina’s. Uitgever: Prometheus.

Jan Kuitenbrouwer

Het artikel Laten wij het internet temmen voor het internet ons temt verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Journalisten zouden transparant moeten zijn over de afspraken die ze maken met geïnterviewden

Over worst en interviews

Foto: Pixabay (CCO).

In alle commotie – en opiniebijdragen – na het geïmplodeerde gesprek dat Twan Huys op vrijdagavond 12 oktober in RTL Late Night hield met voor- en tegenstanders van Zwarte Piet, wordt steevast een wezenlijke vraag niet besproken: waarom wordt de kijker eigenlijk nooit over ‘deals’ rond interviews geïnformeerd?

Vooropgesteld: de discussie is niet nieuw. In 2012 deed ondergetekende, samen met Dolf Rogmans, Frènk van der Linden en Clairy Polak in aanloop naar Kamerverkiezingen, de oproep aan journalisten om vooral in het politieke interview transparant te zijn over afspraken rond vraaggesprekken. De term ‘achterkamertjesjournalistiek’ werd daarbij gemunt.

Wat voor politieke vraaggesprekken geldt, gaat – zij het in mindere mate – ook op voor ‘gewone interviews’, en daarbij maakt het in beginsel niet uit voor welk medium dat interview bedoeld is.

Onderhandelingsfase

Laten we om te beginnen realistisch zijn. Wie een interview wil afspreken, raakt daarbij onontkoombaar in een onderhandelingsfase. Wanneer gaat het gesprek plaatsvinden? Waar? Hoe lang duurt het? Waar gaat het over? Mag de geïnterviewde (bij een geschreven interview) het artikel lezen? Welke rechten gelden daarbij? Wie levert de foto? Enzovoorts. Interviewer en geïnterviewde hebben beiden hun wensen en proberen die te realiseren.

Dat een kandidaat-geïnterviewde daarbij zelfbewust eisen op tafel legt, is al helemaal geen probleem als je bedenkt dat een interview in feite een ongelijkwaardige gebeurtenis is. De interviewer heeft de regie en daardoor in beginsel niet veel te verliezen en alles te winnen. Voor een geïnterviewde geldt eerder het omgekeerde. En dus doen nogal wat geïnterviewden aan risicomanagement door vooraf afspraken te (willen) maken.

Het groeiende belang van onderhandelingsjournalistiek werd in 2011 al op de kaart gezet door Ad van Liempt in de tijd dat hij lector was aan de Utrechtse journalistenopleiding. Van Van Liempt zou het onderdeel ‘onderhandelingen’ een volwaardiger plaats mogen krijgen op de journalistenopleidingen.

Kiftende opposanten

Dat Twan Huys dus van twee partijen wensen en eisen kreeg voor het gesprek over Zwarte Piet op die 12e oktober, is dus geen uitzonderlijke situatie. Dat het uit de hand liep, uiteraard wel.

Maar stel nou dat Huys erin zou zijn geslaagd om de twee kiftende opposanten nog voor het begin van de uitzending op één lijn te krijgen? Stel dat de ene partij zich daarbij had geschikt in een rol op de eerste rij van het publiek en de andere partij akkoord was gegaan met die ‘setting’? Zou de kijker dan ooit hebben geweten waarom de ene partij wel en de andere niet aan tafel mocht zitten?

Nog verder: hoe vaak gebeurt het dat ‘het publiek’ een interview-met-afspraken leest, ziet of hoort, zonder dat het ook maar het minste vermoeden heeft van de deal die vooraf ging aan dat gesprek?

Publiek serieus nemen

Moet dat dan altijd? Nee, uiteraard niet. Afspraken over tijd, plaats, etc. zijn doorgaans niet relevant. Maar wie het standpunt huldigt dat het recht van het publiek op de waarheid voor een journalist op de allereerste plaats dient te komen (lees alle journalistencodes er maar op na), kan niet anders dan tot de conclusie komen dat in sommige gevallen dergelijke informatie wel degelijk relevant is. Ofwel: een kwestie van je publiek serieus nemen.

Eisen die vooraf worden gesteld zeggen namelijk ook iets over de denkwereld van personen. Dat Zwarte Piet-beschermvrouwe Jenny Douwes niet aan één tafel met tegenstanders in debat wilde, is wezenlijke informatie over hoe zij in de kwestie zit (en hoezeer de standpunten zijn verhard). Sterker: ik zou daar als interviewer een vraag over stellen.

Iedere redactie kan zelf wel vaststellen wanneer afspraken zo ver gaan dat een ‘disclaimer’ op zijn plaats is. Regels zijn daarvoor niet nodig. Een redactie moet alleen wat vaker de vraag stellen: ‘En mijn publiek dan?’

Hoe worst gemaakt wordt

Vooral tv-journalisten zijn daar – zo bleek ook al bij de discussies in 2012 over ‘achterkamertjesjournalistiek’ – huiverig voor. Het publiek zou helemaal niet geïnteresseerd zijn in onderliggende afspraken. Wat er in de keuken van een restaurant gebeurt is helemaal niet boeiend. Of, zoals een journalist het deze week op Twitter verwoordde: ‘Wil jij ook weten hoe worsten worden gemaakt’?

En dat is de spijker op z’n kop. Want we weten meer (zie de etiketten op de verpakkingen) over wat er in ons voedsel gaat dan over hoe interviews tot stand komen. Voor huis-, tuin- en keukeninterviews is dat ook helemaal geen probleem. We spellen immers ook niet dagelijks de etiketten van onze potten pindakaas (maar die informatie is er wel). Maar bij interviews die een brandende politieke of sociale kwestie behandelen, waar kijkers, luisteraars en lezers hun opinie op baseren, is dat andere koek.

Een rem op onzinnige eisen

Daar komt nog een aspect bij. Zodra redacties meteen aan het begin van de onderhandelingsfase uitspreken dat afspraken denkbaar zijn, maar dat die per definitie altijd openbaar zullen zijn (het publiek staat immers voorop), zullen partijen afwegen of sommige deals hen niet eerder schade dan voordeel opleveren. Met andere woorden: het dempt het ongeremd stellen van onzinnige eisen. De politicus die eist dat hij wel wil aanschuiven in een talkshow, mits er geen andere gasten zijn, heeft iets uit te leggen. De voorlichter die weet dat dergelijke eisen openbaar gemaakt worden, zal tweemaal nadenken of zo’n eis gesteld moet worden.

En dat laat nog steeds onverlet dat een politicus vooraf moet kunnen verzoeken een aspect van zijn of haar privéleven niet te willen bespreken (in het verleden herhaaldelijk gebeurd). Een redactie kan dan nog steeds afwegen (als het verzoek begrijpelijk is) om daarin toe te stemmen en het daar verder bij te laten. We willen geen regeltjes. We willen intenties.

Kortom: journalisten, neem je publiek serieus! Het zijn geen worsten!

Lees meer

Theo Dersjant

Het artikel Journalisten zouden transparant moeten zijn over de afspraken die ze maken met geïnterviewden verscheen eerst op De Nieuwe Reporter.

Hoe ‘publiek’ is deze publieke omroep nog?

npo

Paul Römer van de NTR heeft besloten om niet langer langs de zijlijn te staan omdat hij vindt dat er bij de publieke omroep ‘echt iets moet gebeuren’, omdat we ‘anders de publieke omroep straks kwijt zijn’. Arthur Vierboom vindt dat een dappere stap en gaat in dit artikel in op het plan dat Römer in het Algemeen Dagblad naar voren heeft gebracht.

Beste Paul,

Je stelt in je plannen voor om 1 uitzendende omroep te vormen: de NPO. Of eigenlijk noem je het NPO 2.0 om te benadrukken dat ook daar iets moet veranderen en om te voorkomen dat bestaande beelden over de NPO de discussie kleuren. De acht bestaande omroepen veranderen – wat jou betreft – in ‘productiehuizen’ waar in de toekomst ‘minimaal’ 50 procent van het huidige programmabudget – zo’n 370 miljoen euro – naar toe gaat. Je noemt dit categorie A. Er is ook een categorie B en die bestaat uit commerciele productiehuizen zoals Blue Circle, CCCP, Human Factor, Talpa, Freemante en Tuvalu. Ook zij kunnen in jouw plannen voortaan – zonder tussenkomst van een omroep – direct programmavoorstellen indienen bij de NPO en zo een beroep doen op ‘maximaal’ 50 procent van het programmabudget.

Competitief element

Die woordjes maximaal en minimaal vind ik een ‘nice touch’ omdat die – na een overgangsperiode van vier jaar – een competitief element aan ons bestel gaan toevoegen. Want de beste ‘publieke producenten’ van de commerciële productiehuizen belanden – als de Raad voor Cultuur en het Commissariaat voor de Media daarmee instemmen – na 4 jaar in categorie A. En te commercieel producerende publieke omroepen (die productiehuis geworden zijn, AV) kunnen dan in categorie B belanden. Een mooi nieuw speelveld waar voor iedereen plaats is en alleen de publiekste programma’s en producenten een beroep kunnen doen op de publiekste gelden.

Omdat minimaal 50 procent van het budget in A zal worden besteed is die categorie in ieder geval verzekerd van een flink budget. Dat is categorie B niet. Sterker nog. Als ik het goed begrijp kan het zelfs zo zijn dat ook die andere 50 procent van het programmabudget – die ‘maximaal’ in categorie B kan belanden – uiteindelijk ook in categorie A kan belanden. Want categorie B heeft geen gegarandeerd minimum, dat categorie A met 50% van het programmabudget wel heeft.

Websites zonder reclame

Jouw plan is een origineel plan dat dit keer niet uitstraalt dat bestaande publieke omroepen onderling naar manieren zoeken om de bestaande koek onderling te verdelen. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom in de media nog weinig positieve geluiden over het plan te horen zijn geweest van je collega’s. Wellicht geeft de ‘status aparte’ in jouw plan voor de NTR – waar je nu de baas van bent – bij sommigen een gefronste wenkbrauw. Maar ik geloof dat het toch vooral van realisme getuigt om binnen een publieke omroep – net als nu – culturele programma’s een safe haven te bieden, dus ook in dit plan.

Bovendien biedt het plan – als kers op de taart – alle omroepen veel vrijheid om websites zonder reclame te beginnen en content te verspreiden op YouTube. Spannend omdat publieke omroepen doorgaans geen bijdrage mogen leveren aan ‘winst door derden’ – en YouTube of Facebook zou je als zulke ‘derden’ kunnen zien – maar de realiteit van het huidige landschap is dat een groot deel van je doelgroep alleen nog zo bereikt kan worden en je het dus moet proberen te zien als een distributieplatform, dat niks kost. Je hebt met je plan een knap staaltje synergetisch denkwerk verricht. Maar ondanks een veelbelovend begin hoop ik dat het denken doorgaat…

Aanstaande donderdag gaat minister (zonder portefeuille) voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media Arie Slob – na een kort ziekbed waardoor een eerder debat moest worden uitgesteld – in debat in de Tweede Kamer over de publieke omroep. En hopelijk gaat dat debat niet alleen over de nieuwe bezuinigingen en wordt niet met louter overlevingsdrang – maar ook met visie – naar de toekomst van de publieke omroep gekeken. Een stevig pleidooi voor een brede, goed functionerende publieke omroep, lijkt mij hier – in tijden van versnippering door digitalisering, populistische sentimenten, toenemende invloed van oncontroleerbare algoritmen en de ontwrichtende ervaringen met leugens van politici en fake news – niet nodig. Toch?

Drie publieke lagen

Meedenken dus. Ons publieke bestel bestaat uit 3 lagen. Naast de landelijke laag met 3 fusieomroepen (AVRO-TROS, VARA-BNN, KRO-NCRV) 3 ledenomroepen (MAX, EO, VPRO) en 2 taakomroepen (NTR, NOS) is er ook een, vooral door vrijwilligers bevolkte, lokale laag met 261 lokale omroepen in 361 gemeenten en een regionale laag met 13 regionale omroepen. Bij elkaar vormen deze drie publieke lagen een uniek netwerk van publieke producenten met overal ogen en oren, waarmee een samenwerkend bestel zich sowieso sterk zou kunnen onderscheiden. Ik zeg ‘zou kunnen’ omdat dat nu – ondanks een aantal mooie voorbeelden bij de NOS en EenVandaag – nu nog veel te weinig gebeurt. De samenwerking tussen de lagen is nog te incidenteel, de samenhang bij het publiek nog te onbekend en de logica erachter voor iedereen – binnen en buiten de publieke omroep – nog niet vanzelfsprekend genoeg.

Hoog tijd dat daar door politiek en alle omroepen nu – bij het komende debat – ook serieus naar gekeken wordt, want 1 + 1 + 1 kan hier 4 worden. Denk bijvoorbeeld aan voordelen bij: onderhandelingen met BumaStemra, inkoopvoordeel, distributiekracht, interne pluriformiteit, marketingpower, digitale infrastructuur, gezamenlijke innovatie, samenwerking externe partijen, acceptatie door marktpartijen, gezamenlijke lobby en gemeenschappelijk verhaal richting politiek. En organisatorisch – iedere laag is nu een stichting – hoeft niets een intensievere samenwerking in de weg te staan. Belangrijk is wel dat bij die samenwerking redactionele autonomie / onafhankelijkheid en lokale regionale inbedding (via PBO, programma beleidsbepalend orgaan) gehandhaaft blijft.

Commercieel en publiek

De verhouding tussen markt, politiek en publiek kan in het nieuwe bestel direct ook veel duidelijker. Daar wint iedereen bij. Als politiek kun je niet volhouden een publiek bestel te willen als je afnemende inkomsten uit reclame 1 op 1 in mindering brengt op de begroting van de publieke omroep. Dat doet namelijk alleen een commerciele omroep. Je kunt als politiek wel bezuinigen, maar niet omdat de reclame – inkomsten tegenvallen. Dat is onhelder.

De markt verwijt de publieke omroep ‘marktbederf’ omdat adverteerders via de STER tussen de goed bekeken programma’s van de publieke omroep terecht komen. De opbrengst daarvan komt bij het minister van OCW terecht, die zelfstandig beslist (dus niet de publieke omroep, AV) of dat geld in een innovatiepot van kranten komt of gebruikt wordt om budget van publieke omroep te bekostigen.

Hoewel de publieke omroep andere groepen bereikt met haar programmering dan commerciële omroepen en adverteerders dus niet allemaal zullen overstappen, kan het stimulerend zijn als commerciële omroepen op zoek gaan naar die groepen. Goed idee. En ik verwacht niet dat het publiek zal zich zal verzetten als reclame bij de publieke omroep wordt afgeschaft, dus laten we ook dit meteen helder maken. De publieke omroep stopt met reclame en de wegvallende gelden worden gewoon bijgepast uit belastinggeld. Markt blij. Publieke omroep blij.

Publieke omroep levert geld op

Waarom doe ik gemakkelijk over het bijpassen uit de belastingen? Paar redenen. Ik geloof vooral dat de publieke omroep geen geld kost maar geld oplevert. Dankzij dit bestel kon bijvoorbeeld een grootmacht aan commerciële mediabedrijven ontstaan die jaarlijks miljarden bijdragen aan ons bruto nationale product. Bedrijven als Endemol, Talpa en Eyeworks verkopen wereldwijd hun programma’s en maken dat Nederland – na de VS en UK – de belangrijkste format- en programmaleveranciers in de wereld is.

De ondernemers achter die bedrijven zijn op Nederlandse bodem geschoold en konden hier groeien. Ze leerden op goedkope wijze, subtiel bedachte formats voor verschillende omroepen te maken die ooit vrijzinnig protestante (VPRO, nu voor de creatieve klasse), katholieke (KRO) of gereformeerde achterbannen aan moesten spreken. En dat deden ze want omroepen groeiden uit tot verenigingen met de grootste achterbannen in Nederland.

Een van die ondernemers is TV-producent Joop van den Ende – die juni 2018 tijdens een presentatie in het Mauritshuis over de maatschappelijke waarde van de publieke omroep zegt dat het succes van de publieke omroep ‘ongelooflijk’ is en daar legde hij uit dat Nederland – ‘met bijna het laagste budget in Europa’- betere televisie maakt als de BBC, die 18 maal zoveel te besteden heeft. Van den Ende gaat verder: ‘Als er nog ooit iemand durft te zeggen dat de publieke omroep (in Nederland, AV) teveel geld heeft is dat lachwekkend. Ik heb programma’s gemaakt in 40 landen en ken de budgetten…’

26 eurocent per dag

Na de aanstaande bezuiniging van 60 miljoen bedraagt de begroting voor de publieke omroep 740 miljoen euro en dat moet worden opgebracht door 7,8 miljoen huishoudens (bron CBS, 2017) en reclame (via potje OC&W). Als we er nu eens van uit gaan dat er geen geld uit reclame meer komt – omdat we daar mee gaan stoppen – komt dat per huishouden neer op 95 euro per jaar, 7,91 per maand of 26 eurocent per dag. En dan krijg ik 7 dagen per week ieder uur nieuws via radio, internet, nieuwsapp (mobiel, iPad) en kan ik dagelijks nieuws op televisie zien bij het Journaal.

Dat nieuws is verzameld door een flinke redactie met een netwerk van 40 correspondenten en wordt geduid vanuit verschillende invalshoeken door EenVandaag, Nieuwsuur, De Wereld Draait Door, Jinek, Pauw en Buitenhof. Daarnaast is het belangrijkste sportnieuws en Eredivisievoetbal zien in Studio Sport en het Sport Journaal. Je kunt ook mooie (zelfgemaakte) documentaires (Tegenlicht, Reporter, Onze Man in Teheran, Door Het Hart Van China) kijken of ontspannen met opiniërende programma’s als Zondag met Lubach, Spijkers Met Koppen) of met goed gemaakt amusement als Boer Zoekt Vrouw, De Reunie en Ik Vertrek). Ook de kleintjes kunnen altijd terecht op Zapp voor goede zelfgemaakte jeugdprogramma’s en nieuwkomers in Nederland voelen zich aangesproken door FunX, ook publieke omroep.

Ik heb voor al die publieke producties wel 26 cent per dag over. Terwijl ik daarnaast ook per jaar nog zo’n 500 euro (1 euro en 61 cent per dag) over heb voor goedgemaakte kranten (NRC Handelsblad en de Volkskrant) die – met toch vooral het nieuws van gisteren – zes keer per week verschijnen. Ik denk dat die belangstelling voor kranten te maken heeft met een goede publieke omroep.

Tegenwicht

Ook kan het geen kwaad om in Nederland een krachtige media-industrie te blijven nastreven, zodat tegenwicht kan worden geboden in een internationaal medialandschap dat nu gedomineerd wordt door grote Amerikaanse spelers als Facebook, YouTube, Google en Netflix. En voor de duidelijkheid: dat lijkt een inhoudelijk argument maar is – voor de betere verstaander – ook een commercieel argument. De kennis die in Amerika door deze grote bedrijven over markten wordt opgebouwd gaat ons steeds verder – ook op andere markten – op achterstand zetten. Tijd om daarover na te denken.

En dan nog even ons enorme talent. Vergeet niet hoe goed we als Nederlanders zijn in dit vak. En voor liefhebbers van de markt – veel kwaliteit bij de commerciele omroepen wordt geleverd door makers die hun talent konden ontwikkelen bij een lokale publieke omroep en van daaruit doorgroeiden naar landelijke programmering op nationale commerciele (en publieke) zenders.

Publieke omroep is geen geldverspilling

Hopelijk valt op dat hierboven alleen argumenten gebruikt zijn die in de meeste discussies op het bestel door voorstanders van een gekortwiekte publieke omroep worden afgevuurd. De publieke omroep is verkwistend en ze bederven de markt. Dat is hij dus niet en hij creëert zelfs nieuwe, internationale markten.

Natuurlijk zou een belangrijkste argument ook kunnen zijn dat hij bijdraagt aan de kwaliteit van onze samenleving, omdat zij programma’s vanuit publieke waarden als onafhankelijkheid, diversiteit en pluriformiteit gemaakt worden. En dat bij die onafhankelijkheid hoort dat je de contouren van het publieke domein niet laat afbakenen door wat commerciele omroepen – die ook mooie dingen maken – willen laten liggen omdat het ze niet genoeg geld oplevert. Maar dat argument lijkt in discussies met deze voorstanders nooit echt te overtuigen, zolang er nog ergens in het publieke landschap een presentator of omroepdirecteur te vinden is die meer verdient dan de Balkenendenorm.

Tot slot vlieg ik nog even met een helicopter over de drie publieke lagen en wat dan soms door mijn hoofd schiet is: Hoe publiek is ons huidige bestel nog? De landelijke laag zal – zoals het er nu uitziet – nooit meer dan 8 omroepen tellen en alleen nog toegankelijk zijn voor ‘nieuwe’ spelers, als die bereid zijn zich aan te sluiten bij bestaande omroepen. Als bij landelijke omroepen de rol van leden verder naar de achtergrond verdwijnt en omroep profielen door fusies verwateren. En de invloed van PBO’s door bijvoorbeeld het streven naar ‘streekomroepen’ bij lokale omroepen en ‘centralisering’ van taken bij de RPO (Regionale Publieke Omroep, AV) en de NLPO (Nederlandse Lokale Publieke Omroepen, AV) verder afneemt. Alle lagen dreigen door ‘opwaartse druk’ en behoefte aan centralisering steeds minder ‘publiek’ te worden. En dat moeten we zien om te draaien omdat uiteindelijk gaat vreten aan het draagvlak onder het hele bestel. Laten we daar ook nog even over nadenken…

The post Hoe ‘publiek’ is deze publieke omroep nog? appeared first on De Nieuwe Reporter.

Opinie: Apple, het is tijd voor een doorbraak in batterijen

Ieder jaar worden de nieuwe iPhones beter, sneller en geavanceerder. Met nieuwe functies en schermtechnieken maakt Apple telkens weer indruk, maar op het gebied van batterij staat de ontwikkeling al jaren stil. Daar moet nu eens verandering in komen.

Het artikel Opinie: Apple, het is tijd voor een doorbraak in batterijen verscheen voor het eerst op iCulture

Page generated in 1,280 seconds. Stats plugin by www.blog.ca